Operating instructions
12
Functietoets
Elke functie kan worden gestart door eerst op te drukken en vervolgens het functienummer in
te tikken of door op de overlooptoetsen of te drukken tot de gewenste functie op het display
verschijnt.
FUNCTION
1
3
6
7
8
Uitgestelde communicatie
1 = Uitgestelde zenden
2 = Uitgestelde afroepen
Afroepmode
1 = Afroep ontrangen
2 = Afroep zenden
Afdrukken
1 = Journaal (Afdrukken/Bekijken)
2 = Lijst met snelkiesnummers/
verkorte nummers/indexnamen
3 = Programmalijst
4 = Lijst van faxparameters
5 = Niet in gebruik
6 = Individueel verzendingsverslag
7 = Naamtoessenlijst
Instellen
1 = Gebruikerparameters
• Datum en uur
• Tijdszone
• Logo
• Letter-ID
• ID-nummer (faxlijn-nummer)
• IP Adres
(Dit is een onvolledige lijst,
voor meer Functies, zie blz. 49)
2 = Snelkiesnummers/verkorte nummers
3 = Programmeertoetsen
4 = Faxparameters
5 - 7 = Niet in gebruik
8 = Onderhoud
• Afdrukrol reinigen
• Tonerbestelformulieren
Selectiemode
1 = Communicatieverslag = UIT/AAN/ONVOLLEDIG
2 = Aflever bericht = UIT/AAN
3 = Fax voorblad = UIT/AAN
4 = Verzending met wachtwoord = UIT/AAN
5 = Ontvangst in het geheugen
= UIT/AAN/AFDRUKKEN
6 - 8 = Niet in gebruik
9 = Geheugen XMT = UIT/AAN
2
Geavanceerde communicatie
1 = Niet in gebruik
2 = Confidentieel
3 - 4 = Niet in gebruik
5 = Relais zenden
9
Zenden geheugen
1 = Bestandenlijst (Afdrukken/Bekijken)
2 = Tijdstip/bestemming wijzigen
3 = Bericht wissen
4 = Bericht afdrukken
5 = Document toevoegen
6 = Onvolledig bestand opnieuw proberen










