Operating instructions
51
4 5
6 7
4 5
6
6
7
1:INSTELMODE ?
DRUK OP INSTELLEN
INSTELMODE (1-2)
DRUK OP NR. OF ∨ ∧
2:SCAN PARAMETERS ?
DRUK OP INSTELLEN
2:SELECTIEMODE ?
DRUK OP INSTELLEN
SELECTIEMODE (1-3)
DRUK OP NR. OF ∨ ∧
: Scan-bestandsnaam
Voor het toevoegen van een bestandsnaam.
: Compressie
Bij keuze van een compressieformaat.
: Grijstintenschaal
Bij het scannen van een gekleurd origineel met de
grijstintenschaal.
(Wanneer er is gekozen voor een eigen (“Custom”) instelling)
SCAN FILE NAAM
NAAM INVOEREN
Voor invoeren van speciale tekens drukt u op de “_/()…” toets
en gebruikt u de op/neer/links/rechts-toetsen om het letterteken te
kiezen. (Max. 40)
Voor het wijzigen van een vastgelegd letterteken, verplaatst
u de cursor (❚) terug naar dat teken, dan drukt u op de
CLEAR wistoets en dan voert u een nieuw letterteken in.
Voor grijstintenschaal
3:GRIJSTINTEN ?
DRUK OP INSTELLEN
GRIJSTINTEN=UIT
1:UIT 2:AAN
of
Netwerk-scanner
of
of










