Operating Instructions
34 VQT1B69 VQT1B69 35
Toepassingen
(Fotograferen)
4
Fotograferen met een flitser
De beschikbare manieren variëren, afhankelijk van de gebruikte modus.
Flitser
Leg uw hand niet over de flitser. Kijk
niet van dichtbij (enkele cm) in de flitser.
Breng geen voorwerpen dicht bij
de flitser (hitte en licht kunnen het
voorwerp beschadigen).
Geef ‘FLITS’ weer
Selecteer het gewenste type
SELEC INST.
FLITS ALTIJD AAN
LNGZ. SY./RODE-OG
GEDWONGEN UIT
AUTO/RODE-OG
FLITS
AUTO
Wordt ongeveer 5 sec.
weergegeven
Kan ook worden geselecteerd met ►.
Typen
Type, bewerkingen Toepassingen
AUTO
Normaal gebruik
Automatisch ON/OFF
AUTO/RODE-OGENREDUCTIE
Onderwerpen in een donkere
omgeving fotograferen
Automatisch ON/OFF
Vermindert rode ogen
FLITS ALTIJD AAN
Fotograferen met
achtergrondlicht of onder felle
lampen (bijvoorbeeld tl-licht)
Altijd aan
FLITS ALTIJD AAN/RODE-OGENREDUCTIE
(Alleen voor de scènes ‘PARTY’ of ‘KAARSLICHT’ (blz. 42))
Altijd aan
Vermindert rode ogen
LANGZ. SYNC./RODE-OGENREDUCTIE
Onderwerpen fotograferen
tegen een nachtlandschap
(statief aanbevolen)
Automatisch ON/OFF
Vermindert rode ogen
Verlengt de sluitertijd zodat de foto’s helderder worden
GEDWONGEN UIT
Plaatsen waar u niet mag flitsen
Altijd uit
Er wordt twee keer geflitst wanneer u rode-ogenreductie gebruikt. Beweeg pas na de
tweede flits. De effecten kunnen variëren, afhankelijk van de persoon.
De sluitertijden zijn als volgt:
, , , : 1/30-1/2000
, : 1/8 (veranderd door instelling SLUITER LANG (blz. 56)) -1/2000
Beschikbare typen per modus (◎: standaardinstelling)
SCÈNE MODE
○−○○○○○◎◎−○−−−○−◎○
○
○
○○−◎◎○−−−−−◎−−−−
○
−
○○○○○○○−○−−○○◎○○
−−−−−−−−−−−○○−−−−−
○−○○−−−−−◎−◎○−−−−−
○
○
○○○○○○○○◎○◎○◎○○◎
Kan niet worden gebruikt in de modus BEWEGEND BEELD en de scènemodi ,
, , , , , en .
Flitsinstellingen kunnen veranderen als u een andere opnamemodus kiest.
Als u een andere scènemodus kiest, worden de standaardflitsinstellingen hersteld.
Alleen of mag worden geselecteerd wanneer u compensatie achtergrondlicht gebruikt (blz. 26).
Opmerking
Als er moet worden geflitst, worden de flitstypesymbolen (bijvoorbeeld ) rood als u
de ontspanknop half indrukt.
Er kunnen geen foto’s worden gemaakt als deze symbolen knipperen (flitser wordt
opgeladen) (bijvoorbeeld ).
Onvoldoende bereik van de flitser kan worden veroorzaakt door niet goed ingestelde
belichting of witbalans.
Het flitseffect wordt mogelijk niet volledig bereikt bij korte sluitertijden.
Het opladen van de flitser kan even duren als de batterij bijna leeg is, of als de flitser
enkele keren achter elkaar wordt gebruikt.
Bij gebruik van BESPARING (blz. 18) wordt het lcd-scherm uitgeschakeld als de flitser wordt opgeladen.
Scherpstelgebied afhankelijk van ISO-gevoeligheid (‘GEVOELIGHEID’) (blz.
51) en zoom (blz. 25).
AUTO
Max. W (groothoek): ongeveer 0,6-4,2 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-2,8 m
ISO100
Max. W (groothoek): ongeveer 0,6-1,6 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-1,1 m
ISO200
Max. W (groothoek): ongeveer 0,6-2,3 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-1,5 m
ISO400
Max. W (groothoek): ongeveer 0,6-3,3 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-2,2 m
ISO800
Max. W (groothoek): ongeveer 0,8-4,7 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-3,1 m
ISO1250
Max. W (groothoek): ongeveer 1,0-4,7 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-3,1 m
Randen van foto’s kunnen iets donkerder worden als de flitser wordt gebruikt op korte afstanden zonder dat de zoom
wordt gebruikt (vlakbij de maximale instelling voor W - groothoek). U kunt dit oplossen door enigszins in te zoomen.
Maximale ISO-gevoeligheid (‘ISO-LIMIET’) (blz. 51) en scherpstelgebied bij
gebruik van slimme ISO (blz. 46).
ISO400
Max. W (groothoek): ongeveer 0,6-3,3 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-2,2 m
ISO800/ISO1250
Max. W (groothoek): ongeveer 0,6-4,2 m
Max. T (tele): ongeveer 1,0-2,8 m










