Operating Instructions

Toepassing (opname)
De Burst-functie instellen
- 120 - VQT4J19
Wanneer [ ] is ingesteld, wordt het opnamebereik smaller.
Beelden die worden opgenomen met de instelling [ ] of [ ] worden tezamen als
groep opgenomen (groepweergave). (→156)
Als er verandering komt in de helderheid van het onderwerp, kunnen de tweede en
volgende beelden lichter of donkerder worden bij gebruik van de Burst-functie in de
instelling [ ], [ ], [ ] of [ ].
Zelfs als [ ] of [ ] is ingesteld, wordt de scherpstelling vastzet op het eerste beeld
wanneer de Burst-functie tijdens het opnemen van films wordt gebruikt.
De Burst-snelheid kan minder worden als de sluitertijd langer wordt in een donkere
omgeving.
Beelden die zijn opgenomen met de Burst-functie in de [ ] of [ ] instelling kunnen
vervorming tonen als de onderwerpen bewogen of als de camera bewogen is.
De flitser wordt ingesteld op [ ] (Flitser altijd uit). (Met uitzondering van [ ])
De instellingen worden in het geheugen opgeslagen, zelfs als de camera wordt
uitgeschakeld.
De burstfunctie kan in de volgende gevallen niet worden gebruikt:
• [Creatieve opties]-modus ([Speelgoedcam.effect] [Miniatuureffect] [Zachte focus]
[Sterfilter] [Zachte onscherpte] [Radiale onscherpte])
• Scènemodi ([Panorama-opname] [Nachtop. uit hand] [HDR] [3D Foto Mode])
• Tijdens intervalopnamen
Wanneer de modus [Intelligent auto] is ingesteld of de scènemodus is ingesteld op
[Nachtportret] of [Nachtl.schap], kunnen [ ], [ ] en [ ] niet worden geselecteerd.
Bij herhaalde opnamen kan dit tussen de opnamen door even duren, afhankelijk van
de gebruiksomstandigheden.
De opslag van foto’s die zijn gemaakt met de Burst-functie kan enige tijd vergen. Als
u doorgaat met opnemen tijdens het opslaan, kan het aantal beelden dat kan worden
vastgelegd bij een burstopname worden beperkt. Een kaart met een hoge snelheid
wordt aanbevolen wanneer u opneemt met de burstfunctie.
U kunt de zoomfunctie niet gebruiken tijdens burstopnamen.