Operating Instructions

301
11. Gebruik van de Wi-Fi/NFC-functie
U kunt locatie-informatie die met een smartphone verkregen is naar de camera versturen.
Na het versturen van de informatie kunt u deze ook op de beelden schrijven die in
de camera bewaard worden.
Is de locatie-informatie eenmaal naar de camera gezonden, dan kunt u deze op beelden
schrijven door [Locatie vermelden] (P265) in het [Afspelen]-menu ten uitvoer te brengen.
Er kan locatie-informatie geschreven worden die anders is dan die op het moment van de
opname. Houd rekening met de volgende punten:
Zet de [Home]-instelling van de camera in [Wereldtijd] op uw regio.
Bent u eenmaal begonnen met het opnemen van de locatie-informatie met uw smartphone,
verander dan niet de [Home]-instelling in [Wereldtijd] in uw camera.
De locatie-informatie kan niet op beelden geschreven worden die opgenomen werden zonder
dat de klok ingesteld was.
Opnemen van locatie-informatie en beelden
1 Start het opnemen van locatie-informatie met de smartphone.
1 Start “Image App”. (P289)
2 Selecteer [ ].
3 Selecteer [Geogr. labell.].
4 Selecteer [ ] om het opnemen van de
locatie-informatie te starten.
2 Neem beelden op met de camera.
3 Stop het opnemen van de locatie-informatie met de smartphone.
1 Selecteer [ ] om het opnemen van de locatie-informatie te stoppen.
Toevoegen van locatie-informatie afkomstig van de smartphone/tablet
op beelden die in de camera opgeslagen zijn
GPS
2
1
4
3