Operating Instructions

79
VQT2S37
Gevorderd (Opname van beelden)
Aantekening
•
Wanneer het onderwerp zich niet in het midden bevindt van de samenstelling in [Ø], kunt u
het onderwerp in de AF-zone brengen, de scherpstelling en de belichting vaststellen door de
sluitertijd tot de helft in te drukken, het toestel verplaatsen naar de samenstelling die u wilt
terwijl u de ontspanknop tot de helft ingedrukt houdt en dan het beeld maken. (Alleen als de
hendel voor de focusfunctie op [AFS] staat)
• De camera stelt met behulp van [ ] scherp op alle AF-zones als er meerdere AF-zones (max.
23 zones) gelijktijdig oplichten. Zet de AF-functie op [Ø] als u zelf de focuspositie voor het
maken van opnamen wilt bepalen.
• Als de AF-functie op [š] of [ ] wordt gezet, wordt de AF-zone pas weergegeven wanneer het
beeld scherp is. Als u de focusfunctie in [ ] op [AFC] zet, wordt de AF-zone niet
weergegeven, ook niet wanneer op het onderwerp wordt scherpgesteld.
• Wanneer deze ingesteld is op [ ] tijdens de opname van bewegend beeld, zal deze naar
Meervoudige automatische focusfunctie voor bewegende beelden schakelen.
• Het toestel kan scherpstellen op onderwerpen die niet een persoon zijn maar bijvoorbeeld een
gezicht. In dit geval, de AF-functie schakelen naar één van de functies behalve [š] en
vervolgens een beeld maken.
• [GEZICHT HERK.] werkt alleen wanneer [š] ingesteld is.
• In de volgende gevallen is het niet mogelijk [š] in te stellen.
– In [VOEDSEL] in [CLOSE-UP]
– In [NACHTL. SCHAP] en [VERLICHTING] in [NACHTPORTRET]
• De AF-functie staat permanent op [Ø] wanneer de digitale zoom gebruikt wordt.
• AF-zone zal vastgesteld worden op een klein punt in [SCHERPTEDIEP] in Scènefunctie.
• Het zal op [Ø] gezet worden als een opname met de Touch Shutter functie (P54) gemaakt
wordt.
Wanneer de camera het gezicht van een persoon waarneemt, wordt
de volgende gekleurde AF-zone afgebeeld.
Geel:
Wanneer de ontspanknop tot de helft ingedrukt wordt, wordt de
frame groen wanneer het toestel scherpgesteld heeft.
Wit:
Afgebeeld wanneer er meer dan één gezicht gevonden wordt. Er wordt ook op de andere
gezichten die zich op dezelfde afstand bevinden als gezichten binnen de gele AF-zones
scherpgesteld.
•
Wanneer [š] wordt geselecteerd en [MEETFUNCTIE] wordt op meervoudig [C] ingesteld,
past de camera de belichting aan bij het gezicht van de persoon.
• Onder bepaalde omstandigheden van beelden maken, inclusief de volgende gevallen, zou de
gezichtsherkenningsfunctie niet kunnen werken, en dit maakt het onmogelijk om gezichten op
te sporen. De AF-functie wordt op [ ] gezet.
– Wanneer het gezicht niet naar het toestel gericht is
– Wanneer het gezicht op een hoek is
– Wanneer het gezicht extreem helder of donker is
– Wanneer de gezichten weinig contrast hebben
– Wanneer de gezichtstrekken verborgen zijn achter een zonnebril enz
– Wanneer het gezicht klein lijkt op het scherm
– Wanneer er een snelle beweging is
– Wanneer het onderwerp geen menselijk wezen is
– Wanneer het toestel schudt
Over [š] (Gezichtsdetectie)
DMC-G2K&G2W&G2EG-VQT2S37_dut.book 79 ページ 2010年4月13日 火曜日 午後5時20分










