Operating Instructions
207
9. Stabilisator, zoom en flitser
Toepasbare modi:
Regel de helderheid van de flitser als de beelden die met de flitser gemaakt zijn over- of
onderbelicht zijn.
1 Selecteer het menu.
2 Druk op 3/4 om [Flitser instel.] te selecteren en druk vervolgens op [MENU/
SET].
3 Druk op 2/1 om de flitsoutput in te stellen en druk vervolgens op [MENU/SET].
•
U kunt van [j3 EV] tot [i3 EV] in stappen van 1/3 EV instellen.
• Selecteer [n0] om terug te keren naar de oorspronkelijke flitser-output.
• [i] of [j] wordt in de flitsericoon op het beeldscherm weergegeven als het flitsniveau
bijgesteld wordt.
• Het kan alleen ingesteld worden als [Draadloos] (P209) in [Flitser] op [OFF] gezet is en [Flitser
functie] (P208) op [TTL] gezet is.
• De [Flitser instel.]-instelling is ook van toepassing op een externe flitser. (uitgezonderd de
draadloze flitser) (P319)
Toepasbare modi:
Als [Auto. belichtingscomp.] in [Flitser] in het [Opname]-menu op [ON] gezet is, zal de
helderheid van de ingebouwde flitser automatisch op het geschikte niveau voor de
geselecteerde belichtingscompensatie gezet worden.
•
Raadpleeg P159 voor details over de belichtingscompensatie.
• De [Auto. belichtingscomp.]-instelling is ook van toepassing op een externe flitser. (P319)
De flitsoutput aanpassen
> [Opname] > [Flitser]
Synchroniseren van de output van de ingebouwde flitser en de
belichtingscompensatie
MENU










