Operating Instructions
Table Of Contents
- Inhoud
- Voor Gebruik
- Voorbereiding
- Basiskennis
- Selecteren van de [OPNAME]-functie en opnemen van stilstaand beeld of bewegend beeld
- Beelden maken m.b.v. de automatische functie (Intelligente Automatische Functie)
- Het maken van beelden met uw favoriete instellingen (AE-programmafunctie)
- Foto’s maken met gebruik van de Touch Shutter functie
- Opnames maken met scherpte en belichting ingesteld op het onderwerp (Touch AF/AE)
- Beelden maken met de zoom
- Beelden terugspelen ([NORMAAL AFSP.])
- Beelden wissen
- Geavanceerd (Opnamebeelden)
- Over de LCD-monitor
- Beelden maken met de ingebouwde flits
- Close-up’s maken
- Opnamen maken met de zelfontspanner
- Beelden Maken met Ingestelde Opening (Openingsprioriteit AE)
- Beelden maken met Instellen Sluitertijd (Sluiterprioriteit AE)
- Beelden Maken met Belichting Handmatig Ingesteld (Handmatige belichting)
- Belichtingscompensatie
- Beelden maken met Auto Bracket
- Opnamen maken met de burstfunctie
- Beelden maken die met de scène die opgenomen wordt overeenkomen (Scènefunctie)
- [PORTRET]
- [GAVE HUID]
- [TRANSFORMEREN]
- [ZELFPORTRET]
- [LANDSCHAP]
- [PANORAMA ASSIST]
- [SPORT]
- [NACHTPORTRET]
- [NACHTL. SCHAP]
- [NACHTOP. UIT HAND]
- [VOEDSEL]
- [PARTY]
- [KAARSLICHT]
- [BABY1]/[BABY2]
- [HUISDIER]
- [ZONSONDERG.]
- [H. GEVOELIGH.]
- [FLITS-BURST]
- [STERRENHEMEL]
- [VUURWERK]
- [STRAND]
- [SNEEUW]
- [LUCHTFOTO]
- [SPELDENPRIK]
- [ZANDSTRAAL]
- [HOGE DYNAMIEK]
- [FOTO FRAME]
- Opname Bewegend Beeld
- Een beeld maken met Gezichtsdetectie functie
- Nuttige functies op reisbestemmingen
- Het functiemenu [OPNAME] gebruiken
- Het functiemenu [BEWEGEND BEELD] gebruiken
- Tekst Invoeren
- Geavanceerd (Terugspelen)
- Aansluiten op andere apparatuur
- Overige

- 58 -
Geavanceerd (Opnamebeelden)
∫ Beschikbare flitsinstellingen voor de opnamefuncties
De beschikbare flitsinstellingen zijn afhankelijk van de opnamefuncties.
(±: Beschikbaar, —: Niet beschikbaar, ¥: Scènefunctie begininstelling)
¢ [ ] wordt afgebeeld. [ ], [ ], [ ] of [ ] is ingesteld afhankelijk van het type
onderwerp en helderheid.
• De flitsinstellingen kunnen veranderen als de opnamefunctie verander wordt. Stel de
flitsinstelling opnieuw in indien nodig.
• De flitsinstelling blijft opgeslagen memorised ook als u de camera uit zet. De flitsinstelling voor
de scènefunctie wordt weer op de oorspronkelijke instelling gezet als u de scènefunctie wijzigt.
• De flits zal niet geactiveerd worden wanneer u bewegend beeld opneemt.
‡ ‰ Œ ‡ ‰ Œ
ñ
±
¢
————±
3
———±±¥
±±±±— ±
:
±¥±——±
±±±±— ±
;
±¥±——±
±±±——±
í ± — ± ——¥
±±±——±
ï
—————¥
* ±¥±——±
9
± — ± ——¥
+
±¥±——± ——¥ ———
±¥±——±
5
—————¥
0
±¥±——±
4
—————¥
, —————¥
6
——¥ ——±
—————¥
8
¥ — ± ——±
-
¥ — ± ——±
7
—————¥
. ———¥ — ±¥— ± ——±
/
—————¥¥— ± ——±
—————¥ ———± — ¥
1 ± — ± ——¥ ¥±±——±
2
———¥±±










