Operating instructions

44 VQT2X66 VQT2X66 45
Foto’s nemen met automatische instellingen
Modus [INTELLIGENT AUTO]
Opnamemodus:
Automatische scènedetectie
De scène wordt geïdentificeerd wanneer de camera op het onderwerp wordt gericht en
de optimale instellingen worden automatisch gekozen.
[i PORTRET]: er worden personen
waargenomen
[i NACHTPORTRET]: er worden personen en
een nachtlandschap waargenomen (Alleen
wanneer
wordt geselecteerd)
[i LANDSCHAP]: er wordt een landschap
waargenomen
[i NACHTL. SCHAP]: er wordt een
nachtlandschap waargenomen
[i MACRO]: er wordt een close-
upopname waargenomen
[i ZONSONDERG.]: er wordt een
zonsondergang waargenomen
De beweging van het onderwerp wordt gedetecteerd om wazig beeld te voorkomen
wanneer de scène niet met een van de hierboven genoemde instellingen overeenkomt.
Als tijdens de automatische scènedetectie wordt vastgesteld dat er personen op de foto
staan ( of ), wordt de gezichtsdetectie geactiveerd en worden de scherpstelling
en belichting op basis van de herkende gezichten aangepast. (Onder water werkt de
gezichtsdetectie mogelijk trager of helemaal niet.)
Er wordt automatisch voor de optimale instellingen gekozen op basis van informatie zoals
‘gezicht’, ‘beweging’, ‘helderheid’ en ‘afstand’ door de camera op het onderwerp te richten.
Dit betekent dat u duidelijke foto’s kunt maken zonder dat u handmatig iets hoeft in te stellen.
Naast de automatische scènedetectie worden [ ] in [GEVOELIGHEID] en de
tegenlichtcompensatie automatisch ingeschakeld.
U kunt de volgende menuopties instellen in de modus [INTELLIGENT AUTO].
(Menu [OPNAME]): [FOTO RES.]
1
, [BURSTFUNCTIE], [KLEURFUNCTIE]
1
(Menu [SET-UP]
2
): [KLOKINST.], [WERELDTIJD], [TOON]
1
, [TAAL], [O.I.S.
DEMO]
1
De opties die u kunt instellen, variëren per opnamemodus.
2
De andere onderdelen in het [SET-UP] menu weerspiegelen de instellingen die
gemaakt zijn voor andere opnamefuncties.
Welk scènetype wordt vastgesteld voor een onderwerp, is afhankelijk van de volgende
omstandigheden.
Contrast van het gezicht, omstandigheden van het onderwerp (grootte, afstand, kleuren,
contrast, beweging), zoomafstand, zonsondergang, zonsopgang, weinig licht, trillingen
Als het gewenste scènetype niet wordt geselecteerd, kunt u het beste handmatig de
bijbehorende opnamemodus selecteren. (SCÈNE MODE: (59))
Tegenlichtcompensatie
Tegenlicht is het licht dat van achter uw onderwerp in de camera schijnt. Bij tegenlicht
komt uw onderwerp naar verhouding veel donkerder over en de tegenlichtcompensatie
maakt daarom het gehele beeld helderder.
Bij [i NACHTL. SCHAP] en [i NACHTPORTRET] raden we u aan statief en
zelfontspanner te gebruiken.
Bij weinig cameratrilling (bijvoorbeeld bij gebruik van statief) is de sluitertijd maximaal 8
seconden met [i NACHTL. SCHAP]. Beweeg de camera niet.
De instellingen voor de volgende functies staan vast.
[AUTO REVIEW]: [2 SEC.] [AUTOM. UIT]: [5 MIN.]
[WITBALANS]: [AWB] [STABILISATIE]: [AUTO]
• [AF MODE]: (Gezichtsdetectie)
3
• [AF ASS. LAMP]: [ON]
3
(9-zone-scherpstellen) wanneer er geen gezicht wordt herkend
U kunt de volgende functies niet gebruiken.
[BELICHTING], [DIG. ZOOM]
Druk op de aan/uit-knop
De camera wordt ingeschakeld.
Selecteer de modus
[INTELLIGENT AUTO]
• Druk opnieuw op de knop om
terug te keren naar de vorige
opnamemodus.
Opnamemoduspictogram (zie onder)
Maak foto’s
Druk half in
(druk licht in en stel
scherp)
Druk volledig in
(druk de knop helemaal
in om een foto te maken)
Ontspanknop
Scherpstelweergave
(als scherpstelling
is voltooid: knippert
verlicht)
Het type scène dat wordt
waargenomen, wordt twee seconden
met een blauw pictogram aangeduid
Flitsen
Selecteer (i Auto) of (Gedwongen uit).
Wanneer wordt gebruikt, worden , (Auto/rode-
og),
(Lngz. sy./rode-og) en (Langz. sync.) automatisch
geselecteerd, afhankelijk van het soort onderwerp en de
helderheid. (Zie voor meer informatie (54))
en geven aan dat de digitale rode-ogenreductie is
geactiveerd.
Bij
en is de sluitertijd langer.