Operating instructions
Overige
- 119 -
Fotograferen
De foto kan niet worden opgeslagen.
• Is de modus correct ingesteld? (
P20)
• Is er voldoende resterende geheugencapaciteit in het interne geheugen of op de kaart?
→
Wis enkele foto’s voordat u opslaat. (
P40)
De opnames zijn ets.
• De foto kan wit worden als er vuil of vingerafdrukken op de lens zitten.
→
Als de lens vuil is, schakelt u de camera in, ontkoppelt u de lenscilinder (
P9) en veegt
u het lensoppervlak voorzichtig af met een zachte, droge doek.
Het gebied rond de foto’s wordt donker.
• Werd deze foto gemaakt met de itser op korte afstand terwijl de zoomlens dicht in de
buurt van [W] (1×) stond?
→
Zoom een stukje in en maak vervolgens de foto’s. (
P35)
De opname is te licht of te donker.
→
Controleer of de belichting correct is gecompenseerd. (
P51)
2 of 3 foto’s worden ineens genomen.
→
Stel iets anders in dan [HI-SPEED BURST] (P59), [FLITS-BURST] (P59) in de
scènemodus of zet [BURSTFUNCTIE] (P76) op [OFF].
Het onderwerp is niet goed scherpgesteld.
• Het bereik van de scherpstelling varieert en is afhankelijk van de opnamemodus.
→
Stel de juiste opnamemodus in volgens de afstand tot het onderwerp.
• Ligt het onderwerp buiten het scherpstelbereik? (P29, 32, 49)
• Hebt u een foto gemaakt terwijl de camera trilde? (P34)
De genomen foto is wazig.
→
De sluitertijd wordt langer als foto’s in donkere omgevingen worden gemaakt, dus
houd de camera met beide handen stevig vast als u daar fotografeert. (P28)
→
Gebruik als u fotografeert met een lange sluitertijd een statief of de zelfontspanner.
(P50)
→
Wanneer u de digitale zoomfunctie niet gebruikt, dient u deze op [OFF] te zetten. Stel
in dat geval de gevoeligheid in op [i.AUTO]. (P71)










