Operation Manual

183
6. Instellingen van sluiter en drive
¢3 Afhankelijk van de opname-omstandigheden kan het aantal frames in een
burst-opname kleiner worden.
(Wanneer u bijvoorbeeld [I.resolutie] van het [Opname]-menu instelt, kan het aantal
frames van een burst-opname kleiner worden)
¢4 Beelden kunnen gemaakt worden tot het vermogen van de kaart zijn grens bereikt.
De burstsnelheid zal echter halverwege langzamer worden. De exacte timing van dit
is afhankelijk van de aspectratio, de beeldgrootte, de instelling voor de kwaliteit en
het type kaart die gebruikt worden.
Het beeldformaat zal vast op [S] gezet worden als [Burstsnelh.] op [SH] gezet is.
De burst-snelheid kan afhankelijk van de volgende instellingen lager worden.
[Fotoresolutie] (P140)/[Kwaliteit] (P141)/[Gevoeligheid] (P175)/Focus-functie (P149)/
[Prio. focus/ontspan] (P164)
Raadpleeg P141 voor informatie over RAW-bestanden.
Scherpstellen in burstfunctie
De manier om scherp te stellen varieert en is afhankelijk van de instelling van de
focusmodus (P149) en de instelling van de [Prio. focus/ontspan] (P164) in het
[Voorkeuze]-menu.
¢1 Als het onderwerp donker is, of als de burst-snelheid op [SH] gezet is, wordt de focus vast
ingesteld op het eerste beeld.
¢2 De burstsnelheid kan lager worden omdat de camera voortdurend scherpstelt op het object.
¢3 De burstsnelheid krijgt voorrang en de focus wordt geschat binnen het mogelijke bereik.
Focusmodus [Prio. focus/ontspan] Focus
[AFS]
[FOCUS]
Bij de eerste opname
[RELEASE]
[AFF]/[AFC]
¢1
[FOCUS] Normale scherpstelling
¢2
[RELEASE] Voorspelde scherpstelling
¢3
[MF] Focus ingesteld met handmatige focus