Operation Manual
257
Wi-Fi/NFC
1 Selecteer het menu.
2 Selecteer [Via netwerk] of [Direct] en maak de verbinding. (P280)
3 Selecteer een apparaat waarmee u verbinding wilt maken.
•
Als de verbinding gemaakt is, wordt het scherm weergegeven. Om de instelling voor het
versturen te veranderen, drukt u op [DISP.]. (P287)
4 Opnamen maken.
•
De beelden worden automatisch verzonden nadat ze genomen zijn.
• Om de instelling te veranderen of om af te sluiten, drukt u op [Wi-Fi]. (P245)
U kunt de instellingen niet veranderen terwijl u beelden verzendt. Wacht tot het verzenden
klaar is.
Versturen van een beeld telkens wanneer een opname gemaakt wordt
([Afbeeldingen versturen tijdens opname])
[Wi-Fi] > [Nieuwe verbinding]>[Afbeeldingen versturen tijdens opname]>
[Smartphone]
Op uw smartphone/tablet
Wanneer u verbindt met [Via netwerk]:
1 Schakel de Wi-Fi-functie in.
2
Selecteer het draadloze toegangspunt waarmee u verbinding wilt maken en stel in.
3 Start “Image App”.
¢
(P248)
Wanneer u verbinding maakt met [Wi-Fi Direct] of [WPS-verbinding] in [Direct]:
1 Start “Image App”.
¢
(P248)
Wanneer u verbinding maakt met [Handmatig. verbinden.] in [Direct]:
1 Schakel de Wi-Fi-functie in.
2 Selecteer de SSID die overeenkomt met de SSID die weergegeven wordt op
het scherm van dit toestel en voer vervolgens het password in.
3 Start “Image App”.
¢
(P248)
¢ Er wordt een venster weergegeven dat aangeeft dat de smartphone/tablet verbinding
met de camera maakt. Als u een Android-toestel gebruikt, druk dan op de terugtoets.
Als u een iOS-toestel gebruikt, sluit dan het venster.










