Operating Instructions
61
3. Opnamemodussen
Opnamefunctie:
∫ Kleurinstelling
1 Druk op [ ] (1).
2 Draai aan de bedieningsknop om de kleur in te
stellen.
• Om naar het opnamescherm terug te keren, drukt u op
[MENU/SET].
• De instelling voor kleur zal opnieuw de fabriekswaarden
(centrumpunt) aannemen wanneer dit toestel uitgeschakeld wordt of als de camera op
een andere opnamemodus gezet wordt.
∫ Foto’s maken met een wazige achtergrond (Defocus
Control)
1 Druk op [Fn3] om het instellingenscherm weer te
geven.
2 Stel de wazigheid in door aan de bedieningsknop te
draaien.
• Om naar het opnamescherm terug te keren, drukt u op
[MENU/SET].
• Druk op [Fn3] om de instelling te annuleren.
• De Auto Focusmodus is op [Ø] ingesteld.
De positie van de AF-zone kan ingesteld worden door het scherm aan te raken. (De
grootte van de zone kan niet veranderd worden)
∫ Instelling helderheid
• U kunt aan de knop van de belichtingscompensatie draaien om de helderheid in te stellen.
(P91)
Verander de instellingen door het aanraakscherm te gebruiken
1 Raak [ ] aan.
2 Raak het item aan dat u wenst in te stellen.
[ ]: Kleurtoon
[ ]: Defocus Control
[ ]: Helderheid
¢
¢ Het wordt weergegeven als [Belichtingscomp.] in een
functieknop ingesteld is. (P50)
3 Versleep de schuifbalk om in te stellen.
• Om naar het opnamescherm terug te keren, drukt u op [MENU/SET].
Fotograferen met de instellingen voor aangepaste kleur, defocus en
helderheid
A
AB
B
B
SS
SS
SS
250 125 60 30 15
F
F
2.82.0 4.0 5.6










