Operating Instructions

177
10. De menufuncties gebruiken
Toepasbare modi:
U kunt de helderheid van heldere en donkere gedeeltes van een beeld bijstellen terwijl u
de helderheid op het scherm controleert.
1 Draai aan de bedieningsring om de helderheid van
heldere zones aan te passen en draai aan de
bedieningsring om de helderheid van donkere zones
aan te passen.
A Helder deel
B Donker deel
Het bijstellen kan ook uitgevoerd worden door de grafiek
te verslepen.
Voor het registreren van een voorkeursinstelling drukt u
op 3 en selecteert u de bestemming waar de
klantinstelling op geregistreerd moet worden ([Klant1] ( )/[Klant2] ( )/[Klant3]
( )).
2 Op [MENU/SET] drukken.
[Schaduw markeren]
> [Opname]/ [Bewegend beeld] > [Schaduw markeren]
(Standaard) Er is een status zonder bijstellingen ingesteld.
(Vergroot het contrast)
Heldere zones worden helderder en donkere zones worden
donkerder.
(Verklein het contrast)
Heldere zones worden donkerder en donkere zones worden
helderder.
(Donkere zones helder
maken)
Donkere zones worden helder gemaakt.
// (Klant) Er kunnen geregistreerde klantinstellingen toegepast worden.
De beeldschermweergave kan omgeschakeld worden door op het scherm voor de instelling
van de helderheid op [DISP.] te drukken.
Als dit toestel uitgeschakeld wordt, zal de instelling die bijgesteld is met / / /
opnieuw op de fabrieksinstelling gezet worden.
In deze gevallen niet beschikbaar:
[Schaduw markeren] kan niet ingesteld worden in de volgende gevallen:
Wanneer u [Panorama-opname] gebruikt
Als [Filterinstellingen] gebruikt wordt
MENU