Operating Instructions

425
14. Wi-Fi/Bluetooth
[Wi-Fi setup]-menu
Dit configureert de instellingen die vereist worden voor de Wi-Fi functie.
De instellingen kunnen niet veranderd worden als er een Wi-Fi-verbinding is.
Het [Wi-Fi setup] weergeven.
[ ] [Wi-Fi] [Wi-Fi setup]
[Prioriteit van apparaat
op afstand]
Dit stelt of de camera of de smartphone in als
bedieningsapparaat met voorrang, dat gebruikt moet
worden bij remote opnames. (392)
[Wi-Fi-wachtwoord]
U kunt de beveiliging verbeteren door te verbinden met
behulp van een wachtwoord. (384)
[PC-verbinding]
U kunt de werkgroep instellen.
Om beelden naar een PC te zenden, moet verbinding
gemaakt worden met dezelfde werkgroep als de PC van
bestemming.
(De standaardinstelling is "WORKGROUP".)
Druk op
om de werkgroepnaam te veranderen en
voer de nieuwe werkgroepnaam in.
Om naar de fabrieksinstellingen terug te keren drukt
op [DISP.].
[Toestelnaam]
U kunt de naam (SSID) van de camera veranderen.
Druk om de SSID-naam te veranderen op [DISP.] en
voer de nieuwe SSID-naam in.
Er kunnen maximaal 32 tekens ingevoerd worden.
[Wi-Fi-
functievergrend.]
Om de onjuiste bediening en het gebruik van de Wi-Fi-
functie door derden te voorkomen en de persoonlijke
informatie die opgenomen is in de beelden in de camera
te beschermen, raden wij aan dat u de Wi-Fi-functie met
een wachtwoord beschermt.
[Instellen]:
Voer een 4-cijferig nummer in als het wachtwoord.
[Annul]: Wis het password.
Is een password eenmaal ingesteld, dan wordt u gevraagd
het telkens in te voeren wanneer u de Wi-Fi-functie gebruikt.
Als u het wachtwoord vergeet, kunt u [Netwerkinst. Resetten]
in het [Set-up]-menu gebruiken om de netwerkinstellingen te
resetten en daarmee het wachtwoord dus te resetten.
[Netwerkadres]
Geeft het MAC-adres en het IP-adres van de camera weer.