Operating Instructions

108
Scherpstelling, helderheid (belichting) en kleurtintinstellingen
Foto’s maken met belichtingscompensatie
Opnamemodus:
Corrigeert de belichting als er tegenlicht is of als het onderwerp te donker of te licht is.
1
Druk op de [ ]-knop
2
Draai het functiewieltje achterop of
voorop om de belichting te compenseren
Belichtingscompensatie
• U kunt de inhoud van de instelling op het
belichtingscompensatiescherm aanpassen vanuit
[Inst. belichtingscomp scherm] in het menu
[Voorkeuze] ([Bediening]). (→199)
Onderbelicht Optimaal belicht Overbelicht
Pas de belichting
aan in de
[+]-richting
Pas de belichting
aan in de
[-]-richting
3
Druk op de [ ]-knop om in te stellen
• U kunt ook de ontspanknop half indrukken om in te stellen.
In de handmatige belichtingsmodus kunt u de belichting alleen corrigeren wanneer de
ISO-gevoeligheid is ingesteld op [AUTO].
U kunt de belichtingscompensatiewaarde instellen tussen –5 EV en +5 EV.
U kunt instellingen verrichten van –3 EV tot en met +3 EV terwijl u films opneemt, 4K-foto’s
opneemt of opneemt in [Post Focus].
Als [Auto. belichtingscomp.] van [Flitser] in het menu [Opname] is ingesteld op [ON], wordt het
flitsniveau ook automatisch aangepast op basis van de belichtingscompensatiewaarde.
Afhankelijk van de helderheid is dit in sommige gevallen niet mogelijk.
Wanneer de belichtingscompensatiewaarde buiten het bereik –3 EV tot +3 EV
komt, zal de helderheid van het opnamescherm niet langer veranderen. U kunt de
belichtingscompensatiewaarde toepassen door de ontspanknop half in te drukken of op de
[AF/AE LOCK]-knop te drukken om de belichting te vergrendelen.
De ingestelde belichtingscompensatiewaarde wordt in het geheugen opgeslagen, zelfs als de
camera wordt uitgeschakeld. (Wanneer [Belichtingscomp. reset] is ingesteld op [OFF])