Operation Manual

MB290
- 70 -
12 - PC-Functies
3 U ziet de lijst met apparaten die op het netwerk zijn
gedetecteerd. Klik op R
EFRESH
om de lijst bij te
werken.
De gedetecteerde apparaten worden met de
volgende informatie weergegeven.
4 NetBIOS-naam (hardware-identificatie) of IP-adres
(identificatie van het apparaat in het netwerk).
5 Netwerknaam (door de gebruiker ingesteld). Om
de naam van een apparaat te definiëren in het
lokale netwerk, zie paragraaf Netwerkfuncties,
pagina 50.
6 Selecteer uw multifunctionele apparaat en klik
op OK.
7 Voer een registratienaam in voor uw pc en klik op
OK. Het multifunctionele apparaat gebruikt deze
naam om uw pc te identificeren.
8 Klik op OK.
9 Selecteer de gewenste afdruktaal voor uw printer
en klik op N
EXT
.
10 Het volgende venster toont de verschillende
functies van de printer worden geïnstalleerd. Klik
op de knop N
EXT
.
11 U ziet het venster met de melding dat de
apparatuur is geïnstalleerd. Klik op de knop F
INISH
.
Handmatig een apparaat toevoegen dat met het
netwerk is verbonden
Deze procedure is van toepassing als uw pc en het toe te
voegen apparaat in verschillende subnetwerken zijn
geïnstalleerd.
1 Voer de toepassing Companion Monitor uit door op
het pictogram op uw bureaublad te klikken of vanuit
het menu S
TART
> A
LLE
P
ROGRAMMA
S
>
OKIDATA > C
OMPANION
SUITE
PRO
LL2 >
C
OMPANION
- M
ONITOR
.
2 Klik op het plusteken of op de knop T
OEVOEGEN
.
B e l a n g r i j k
Alleen apparaten in hetzelfde
subnetwerk als de pc worden
automatisch gedetecteerd en
weergegeven. Om een apparaat in
een ander netwerk toe te voegen,
zie paragraaf Handmatig een
apparaat toevoegen dat met het
netwerk is verbonden, pagina 70.