Operation Manual

- 18 -
1
1. Handige afdrukfuncties
Cassette Beschikbaar formaatbereik
Cassette 1 Breedte:
105 tot 297 mm (4,1 tot 11,7 inch)
Lengte:
148 tot 431 mm (5,8 tot 17,0 inch)
Casset-
te 2/3/4
(optie)
Breedte:
148 tot 297 mm (5,8 tot 11,7 inch)
Lengte:
182 tot 431 mm (7,2 tot 17,0 inch)
Universele
cassette
Breedte:
64 tot 297 mm (2,5 tot 11,7 inch)
Lengte:
90 tot 1.321 mm (3,5 tot 52,0 inch)
Opmerking
U kunt de instelling [Aangepast] alleen congureren
wanneer [Papierformaat] ingesteld is op [Aangepast].
Het beschikbare formaatbereik voor dubbelzijdig
afdrukken is hetzelfde als dat voor cassette 2.
1 Op het bedieningspaneel drukt u op de
knop <ENTER>.
2 Druk meerdere keren op de bladerknop
om [Menus] te selecteren en druk
vervolgens op de knop <ENTER>.
3 Controleer dat [cassetteconguratie]
is geselecteerd en druk vervolgens op de
knop <ENTER>.
4 Druk meerdere keren op de bladerknop
om [Cassetteconguratie] te
selecteren voor de papiercassette waarin
u het papier hebt geplaatst, en druk
vervolgens op de knop <ENTER>.
5 Controleer dat [Papierformaat] is
geselecteerd en druk vervolgens op de
knop <ENTER>.
6 Druk meerdere keren op de bladerknop
om [Aangepast] te selecteren en
druk vervolgens op de knop <ENTER>.
7 Druk op de knop <BACK (TERUG)>.
8 Druk op de bladerknop om
[X-afmeting] te selecteren en druk
vervolgens op de knop <ENTER>.
9 Voer de papierbreedte in met behulp van
het toetsenblok met tien toetsen en druk
vervolgens op de knop <ENTER>.
10 Druk op de knop <BACK (TERUG)>.
11 Druk op de bladerknop om
[Y-afmeting] te selecteren en druk
vervolgens op de knop <ENTER>.
12 Voer de papierlengte in met behulp van
het toetsenblok met tien toetsen en druk
vervolgens op de knop <ENTER>.
13 Druk op de knop <ON LINE (ONLINE)>
om de menumodus te verlaten.
Voor PCL-printerdriver voor
Windows
1 Klik op [starten] en selecteer
vervolgens [Apparaten en printers].
2 Klik met de rechtermuisknop op het
pictogram
Uw printer
en selecteer
vervolgens de driver waarvoor u
een aangepast formaat wilt opgeven
via [Voorkeursinstellingen voor
afdrukken].
3 Op het tabblad [Setup] klikt u op
[Papierinvoeropties].
4 Klik op [Aangepast formaat].
5 Voer een naam in en de afmetingen in.
a Voer in het vak [Naam] een naam
voor het nieuwe formaat in.
b Voer in de vakken [Breedte] en
[Length] de afmetingen van het
nieuwe formaat in.
6 Klik op [Toevoegen] om het
aangepaste papierformaat op te slaan in
de lijst en klik vervolgens op [OK].
U kunt maximaal 32 aangepaste formaten
opslaan.
7 Klik op [OK] totdat het dialoogvenster
[Voorkeursinstellingen voor
afdrukken] wordt gesloten.
8 Open het bestand dat u wilt afdrukken.
9 Selecteer het geregistreerde
papierformaat in de printerdriver
en start het afdrukken vanaf het
dialoogvenster om af te drukken.
Meer info
Voor informatie over hoe u papier opgeeft in de
printerdriver, raadpleegt u de Gebruikershandleiding
(Ingebruikneming).