Océ Gebruikershandleiding Océ CS250/CS240/CS231 Gebruikershandleiding
Océ-Technologies B.V. Océ-Technologies B.V. Copyright ¤ 2007, Océ-Technologies B.V. Venlo, Nederland. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd, gekopieerd, aangepast of overgedragen in wat voor vorm of op wat voor manier dan ook zonder schriftelijke toestemming van Océ. Océ-Technologies B.V. geeft geen volledigheidsverklaring of garanties met betrekking tot de inhoud van deze Help. Océ-Technologies B.V.
Handelsmerken Handelsmerken Océ, Océ CS250/CS240/CS231, Océ CS250/CS240/CS231-printer, Océ Doc Exec£, Océ Image Logic£, Océ Scan Logic£, Océ Power Logic£, Océ Print Exec£ en Océ Remote Logic£ zijn geregistreerde handelsmerken van Océ-Technologies B.V. Adobe£ en PostScript£ 3¥ geregistreerde handelsmerken van Adobe£ Systems Incorporated. Macintosh£ is een geregistreerd handelsmerk van Apple£ Computer, Inc.
Handelsmerken
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Energy Star®.................................................................................................................................... 1-3 Wat is een ENERGY STAR® product? ............................................................................................. 1-3 1.2 Toelichting bij de standaardprocedures m.b.t. de handleiding .................................................. Veiligheidsrichtlijnen...................................................................
2 Kopieerbewerkingen 2.1 2.2 2.3 2.4 Bedieningspaneel ............................................................................................................................ 2-3 Schermen Basisinstellingen ........................................................................................................... 2-5 Pictogrammen die op het scherm verschijnen ............................................................................. 2-7 De hoofdvoeding en hulpvoeding inschakelen ....................
2.24 De papierinstellingen selecteren ................................................................................................. Het papierformaat automatisch detecteren (instelling "Auto detectie").......................................... Een papierformaatinstelling selecteren (instelling "Formaat")......................................................... Een aangepast papierformaat opgeven (instellingen "Aangepast formaat") ..................................
3.3 3.4 3.5 3.6 De instellingen voor het tabblad Layout opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows)........................................................................................ Meerdere pagina's op één pagina afdrukken (N in 1, Posterfunctie) .............................................. Hoofdstuk ........................................................................................................................................ Dubbelzijdig/Boekje afdrukken opgeven.........................
4 3.13 Het PPD-stuurprogramma voor Mac OS X instellen.................................................................. Dialoogvenster Page Setup............................................................................................................. Dialoogvenster Print ........................................................................................................................ Algemene instellingen in het dialoogvenster Print ...............................................................
5 4.3 Afdrukken opslaan in gebruikersboxen....................................................................................... Gegevens opslaan in een gebruikersbox ........................................................................................ Gegevens opslaan in de gebruikersbox voor beveiligd afdrukken.................................................. Gegevens opslaan in de gebruikersbox gecodeerde PDF .............................................................. 4-13 4-13 4-15 4-17 4.
5.3 6 Gegevens verzenden naar een computer op het netwerk (Scan naar SMB)........................... Scan naar SMB ............................................................................................................................... Scan naar SMB-bewerkingen met Windows bestandsdeling (Mac OS X)/Samba (Linux/Unix)......................................................................................................................................
7 6.2 Tabblad Job.................................................................................................................................... Huidige opdrachten ......................................................................................................................... Opdrachthistorie .............................................................................................................................. Communication List.........................................................
8 9 7.10 Verzending afbreken ..................................................................................................................... 7-28 Verzending van een opdracht afbreken .......................................................................................... 7-28 Timer-verzending van gereserveerde opdrachten annuleren ......................................................... 7-29 7.11 Faxen verzenden op een ingesteld tijdstip (Timer TX)..............................................
Inhoud-10 CS250/CS240/CS231
1 Inleiding
Inleiding 1 1 Inleiding Hartelijk dank voor uw keuze van deze machine. Deze handleiding bevat informatie over het gebruik van de diverse functies van het apparaat, voorzorgsmaatregelen bij het gebruik en fundamentele procedures voor het verhelpen van storingen. Om ervoor te zorgen dat dit apparaat correct en efficiënt wordt gebruikt, moet u deze handleiding zorgvuldig vóór gebruik van het apparaat doorlezen.
Inleiding 1 1.2 Toelichting bij de standaardprocedures m.b.t. de handleiding Hieronder volgt een beschrijving van de symbolen en tekstopmaak die in deze handleiding worden gebruikt. Veiligheidsrichtlijnen 6 GEVAAR Als u de instructies die met dit symbool zijn aangeduid niet volgt, kan dit leiden tot fatale of ernstige verwondingen door elektrische spanning. % Houd rekening met alle gevaren om letsels te voorkomen.
Inleiding 1 Speciale tekstmarkeringen De toets [Stop] De namen van de toetsen op het bedieningspaneel worden geschreven zoals hierboven weergegeven. MACHINE-INSTELLING Displayteksten zijn geschreven zoals hierboven getoond. 2 Opmerking De afbeeldingen van de machine in deze handleiding kunnen verschillen en zijn afhankelijk van de configuratie van de machine.
Inleiding 1 1.3 Beschrijvingen en symbolen voor originelen en papier Het gebruik van woorden en symbolen in deze handleiding is hieronder toegelicht. "Breedte" en "Lengte" Wanneer papierafmetingen worden genoemd in deze handleiding, verwijst de eerste waarde altijd naar de breedte van het papier (getoond als "Y" in de illustratie) en de tweede naar de lengte (getoond als "X").
Inleiding 1.4 1 Juridische beperkingen m.b.t. kopiëren Bepaalde types originelen mogen nooit worden gekopieerd met het doel of de intentie om de kopieën van dergelijk originelen te verspreiden alsof het originelen waren. Onderstaande opsomming is geen volledige lijst, maar is bedoeld als richtlijn voor verantwoord kopiëren.
Inleiding 1 1.5 Veiligheidsinformatie Dit gedeelte bevat belangrijke instructies met betrekking tot de werking en het onderhoud van dit kopieerapparaat. Voor een optimaal gebruik van dit kopieerapparaat dienen alle gebruikers de instructies in deze handleiding zorgvuldig te lezen en op te volgen. Lees de volgende sectie voordat u het apparaat op het elektriciteitsnet aansluit.
Inleiding 1 Demonteren en wijzigingen aanbrengen 7 WAARSCHUWING Negeren van deze waarschuwingen kan ernstig letsel of zelfs de dood tot gevolg hebben. % Negeer deze veiligheidsrichtlijnen niet. WAARSCHUWING • Probeer de afdekkappen en panelen die op dit product zijn aangebracht niet te verwijderen. Sommige producten bevatten een gedeelte dat onder hoge spanning staat of een laser en kunnen een elektrische schok of blindheid veroorzaken.
Inleiding 1 Netspanning 7 WAARSCHUWING Negeren van deze waarschuwingen kan ernstig letsel of zelfs de dood tot gevolg hebben. % Negeer deze veiligheidsrichtlijnen niet. WAARSCHUWING • Gebruik uitsluitend de aangegeven spanning. Doet u dit niet, dan kan dit brand of een elektrische schok tot gevolg hebben. • Steek de voedingsstekker rechtstreeks in een wandcontactdoos met dezelfde opbouw als de stekker.
Inleiding 1 7 VOORZICHTIG Negeren van deze waarschuwingen kan persoonlijk letsel of materiële schade tot gevolg hebben. % Negeer deze veiligheidsrichtlijnen niet. VOORZICHTIG • Trek niet aan het netsnoer wanneer u de stekker uittrekt. Indien u aan het snoer trekt, kan dit het snoer beschadigen, hetgeen brand of een elektrische schok tot gevolg kan hebben. • Trek de voedingsstekker meer dan eenmaal per jaar uit de wandcontactdoos en reinig de stekker goed.
Inleiding 1 7 VOORZICHTIG Negeren van deze waarschuwingen kan persoonlijk letsel of materiële schade tot gevolg hebben. % Negeer deze veiligheidsrichtlijnen niet. VOORZICHTIG • Plaats het kopieerapparaat op een stevige ondergrond. Indien het kopieerapparaat beweegt of valt, kan dit persoonlijk letsel tot gevolg hebben. • Plaats het kopieerapparaat niet in een stoffige of vochtige omgeving, vlakbij een keukenblad, bad of een luchtbevochtigingsapparaat.
Inleiding 1 7 VOORZICHTIG Negeren van deze waarschuwingen kan persoonlijk letsel of materiële schade tot gevolg hebben. % Negeer deze veiligheidsrichtlijnen niet. VOORZICHTIG • Symbool De binnenkant van dit product bevat gebieden die bijzonder warm kunnen worden en brandwonden kunnen veroorzaken. Als u de binnenkant van de machine controleert op storingen, zoals vastgelopen papier, zorg er dan voor dat u de locaties (rond de zekeringen, enz.
Inleiding 1 Vóór langere vakantieperioden Wanneer de optionele Faxkit FK-502 niet is geïnstalleerd: 7 VOORZICHTIG Negeren van deze waarschuwingen kan persoonlijk letsel of materiële schade tot gevolg hebben. % Negeer deze veiligheidsrichtlijnen niet. VOORZICHTIG • 1-14 Symbool Haal de stekker uit het stopcontact wanneer u het toestel gedurende een langere periode niet gebruikt.
Inleiding 1.6 1 Informatie over wetgeving en reglementeringen CE-keurmerk (Conformiteitsverklaring) Voor gebruikers binnen de Europese Unie (EU) Dit product voldoet aan de volgende EU-richtlijnen: 89/336/EEG, 73/23/EEG en 93/68/EEG. Deze verklaring is alleen geldig binnen de Europese Unie. Dit apparaat moet worden gebruikt met een afgeschermde netwerk (10 Base-T/100 Base-TX)-kabel en een afgeschermde parallelle kabel.
Inleiding 1 Interne laserstraling Specificatie Maximaal gemiddeld stralingsvermogen 12,9 µW bij de laseropening van de printkopeenheid Golflengte 775-800 nm 7 WAARSCHUWING Dit product maakt gebruik van een laserdiode van Klasse 3 die een onzichtbare laserstraal uitzendt. % De laserdiode en de polygone scanspiegel zijn geïntegreerd in de printkopeenheid.
Inleiding 1 Voor Europese gebruikers 7 VOORZICHTIG Gebruik van bedieningselementen, aanpassingen of uitvoeren van procedures die niet in deze handleiding zijn beschreven, kunnen blootstelling aan gevaarlijke straling veroorzaken. % Dit is een halfgeleider laser. Het maximale vermogen van de laserdiode is 30 mW en de golflengte is 775-800 nm. Voor gebruikers in Denemarken 7 ADVARSEL Dette er en halvlederlaser. % Usynlig laserstråling ved åbning, når sikkerhedsafbrydere er ude af funktion.
Inleiding 1 Voor gebruikers in Noorwegen 7 ADVARSEL! Dette en halvleder laser. % Dersom apparatet brukes på annen måte enn spesifisert i denne bruksanvisning, kan brukeren utsettes for unsynlig laserstråling som overskrider grensen for laser klass 1. Dette en halvleder laser. Maksimal effekt till laserdiode er 30 mW og bølgelengde er 775-800 nm. Laserveiligheidslabel Een laserveiligheidslabel wordt bevestigd aan de buitenzijde van de machine, zoals hieronder weergegeven. * Alleen voor de V.S.A.
Inleiding 1 Geluidsniveau (alleen voor gebruikers in Europa) Maschinenlärminformations-Verordnung 3. GPSGV: Der höchste Schalldruckpegel beträgt 70 dB(A) oder weniger gemäß EN ISO 7779. Alleen voor EU-lidstaten Dit symbool betekent: Dit product niet weggooien bij het huishoudelijk afval! Raadpleeg de informatie van uw regio of neem contact op met onze leveranciers met betrekking tot het correct omgaan met elektrische en elektronische apparaten aan het einde van hun levensduur.
Inleiding 1 1.7 Waarschuwingsnota's en labels Nota's en labels met betrekking tot de veiligheid zijn op deze machine op de volgende posities aangebracht. Wees voorzichtig dat er geen ongevallen gebeuren wanneer u bewerkingen uitvoert, zoals het verwijderen van vastgelopen papier. VOORZICHTIG Het is onwettelijk om bepaalde types documenten te kopiëren. Kopieer nooit dergelijke documenten.
Inleiding 1.8 1 Benodigde ruimte Raadpleeg de aanbevolen ruimtevereisten die hieronder zijn weergegeven, zodat u zeker bent dat de bediening van de machine, het bijvullen van verbruiksproducten, het vervangen van onderdelen en regelmatig onderhoud gemakkelijk kan verlopen. 958,3 387 391,9 1130 50 1155 494 806,5 CS231/CS240/CS250+FS-608+LU-301(+PI-503) 1571,9 2090,9 387 391,9 50 1649 494 1130 1155 958.
Inleiding 1 1.9 Opties De volgende tabel toont de beschikbare opties voor de CS231, CS240 en de CS250.
Inleiding 1.10 1 Voorzorgsmaatregelen bij gebruik Om verzekerd te zijn van optimale prestatie van deze machine, dient u rekening te houden met de onderstaande punten: Netspanning De netspanning dient te voldoen aan de volgende eisen. Spanningsschommeling: Maximum ± 10% (bij 220 tot 240 V AC) Frequentieschommeling: maximum ± 3 Hz (bij 50 Hz) – Gebruik een spanningsbron met zo weinig mogelijk voltage- of frequentiefluctuaties.
Inleiding 1 1.11 OpenSSL-verklaring OpenSSL-licentie Copyright © 1998-2000 The OpenSSL Project. Alle rechten voorbehouden. Herdistributie en gebruik in bron- en binaire vormen met of zonder wijziging, zijn toegelaten mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Herdistributie van broncode moet de hierboven vermelde auteursrechtelijke verklaring, deze lijst voorwaarden en de volgende disclaimer behouden. 2.
Inleiding 1 3. 4. Alle advertentiematerialen die functies of het gebruik van deze software vermelden, moeten de volgende erkenning weergeven: "Dit product bevat cryptografische software, geschreven door Eric Young (eay@crypt-soft.com)" Het woord 'cryptografisch' mag worden weggelaten als de routines van de bibliotheek die worden gebruikt, geen cryptografisch verband hebben.
Inleiding 1 1.12 Gebruiksrechtovereenkomst software Dit pakket bevat de volgende materialen die door Océ AG zijn geleverd: software als onderdeel van het afdruksysteem, digitaal gecodeerde, door de machine leesbare gegevens die in een speciaal formaat en in de gecodeerde vorm zijn gecodeerd ("Lettertypeprogramma's"), overige software die werkt op een computersysteem voor het gebruik in combinatie met de afdruksoftware ("Host Software") en verwante verklarende geschreven materialen ("Documentatie").
2 Kopieerbewerkingen
Kopieerbewerkingen 2 2 Kopieerbewerkingen 2.1 Bedieningspaneel 1 2 3 4 22 5 21 20 19 6 18 17 7 16 8 15 14 Nr. 13 12 11 10 9 Onderdeelnaam Omschrijving 1 Tiptoetsscherm Toont diverse schermen en meldingen. Vastleggen van de diverse instellingen door rechtstreeks het paneel aan te tippen. 2 Indicator hoofdvoeding Licht groen op wanneer de machine wordt ingeschakeld met de hoofdvoedingsschakelaar. 3 [Voedings] knop (hulpvoeding) Indrukken om de machine in/uit te schakelen.
Kopieerbewerkingen 2 Nr. Onderdeelnaam Omschrijving 10 Toets [Start] Indrukken om de kopieer-, scan- of faxbewerking te starten. Wanneer deze machine gereed is om de bewerking te starten, licht de indicator op de toets [Start] blauw op. Als de indicatie op de toets [Start] oranje oplicht, kan het kopiëren niet beginnen. Indrukken voor het opnieuw starten van een gestopte opdracht.
Kopieerbewerkingen 2.2 2 Schermen Basisinstellingen Het basisscherm verschijnt wanneer de machine na het inschakelen klaar is om te starten met het maken van kopieën. Druk licht op de gewenste knop op het tiptoetsscherm om een functie te activeren of een instelling te selecteren.
Kopieerbewerkingen 2 Wanneer u op weergegeven. Nr. drukt, worden de Kleurinstellingen, [Afwerking] en [Niet roteren] in het linkerpaneel Naam Omschrijving 1 Berichtenweergavegebied De status van de machine en details over de bewerkingen worden weergegeven. 2 Weergavegebied functies/instellingen Tabbladen en knoppen voor het weergeven selecteren van schermen die diverse functies bevatten, worden weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 2 Opmerking Als de instellingen werden gewijzigd ten opzicht van de fabriekswaarden, wordt het tabblad voor het scherm met de gewijzigde instellingen weergegeven in een kader met een groene lijn. De groene lijn kan in een andere kleur worden weergegeven met de parameter "Kleurselectie instellingen" in het scherm Aangepaste weergave instellingen (wordt weergegeven vanaf het scherm Gebruikersinstelling in de Hulpprogramma-modus). 2.
Kopieerbewerkingen 2 2.4 De hoofdvoeding en hulpvoeding inschakelen Deze machine heeft voedingsschakelaars: de hoofdvoedingsschakelaar en de [Voedingsknop] (hulpvoeding). De machine inschakelen De hoofdvoedingsschakelaar schakelt alle functies van de machine in/uit. De hoofdvoedingsschakelaar is normaal ingeschakeld. De [Voedings] schakelaar (hulpvoeding) schakelt de machinebewerkingen in/uit, bijvoorbeeld voor het kopiëren, afdrukken of scannen.
Kopieerbewerkingen 2 2 Opmerking Een opdracht kan ook in wachtrij worden geplaatst terwijl de machine bezig is met opwarmen nadat de [Voedingsknop] (hulpvoeding) werd ingeschakeld. Raadpleeg "Scannen tijdens het opwarmen" op pagina 2-10 voor meer informatie. Nadat de machine is opgewarmd, wordt de gescande afbeelding afgedrukt.
Kopieerbewerkingen 2 Scannen tijdens het opwarmen 1 Druk op de [Voedingsknop] (hulpvoeding). – Raadpleeg "De machine uitschakelen" op pagina 2-11 voor meer informatie over het inschakelen van de machine. De indicator op de toets [Start] licht oranje op. Nadat het opwarmingsbericht is weergegeven, verschijnt het basisscherm. De indicator op de toets [Start] licht blauw op. 2 Controleer of het bericht "Bezig met opwarmen. Gereed om te scannen." verschijnt op het tiptoetsscherm.
Kopieerbewerkingen 2 De machine uitschakelen 1 Druk op de [Voedingsknop] (hulpvoeding). Controleer of het tiptoetsscherm is uitgeschakeld. 2 Open het deksel van de hoofdvoedingsschakelaar en stel de hoofdvoedingsschakelaar in op "o". 3 Sluit het deksel van de hoofdvoedingsschakelaar. 2 Let op Wanneer de machine met de hoofdvoedingsschakelaar wordt uitgeschakeld en opnieuw wordt ingeschakeld, moet u na het uitschakelen minstens 10 seconden wachten voordat u de machine opnieuw inschakelt.
Kopieerbewerkingen 2 Het gebruik door elke gebruiker van deze machine controleren (Gebruikersauthenticatie) Als er instellingen voor de gebruikersauthenticatie werden opgegeven door de beheerder, kunnen alleen geregistreerde gebruikers deze machine gebruiken. Daarnaast kan het aantal afgedrukte pagina' s voor elke gebruiker worden beheerd.
Kopieerbewerkingen – 2 Als de externe serverauthenticatie is geselecteerd als de gebruikersauthenticatiemethode, verschijnt [Servernaam] met de naam van de standaardserver. Druk op [Servernaam] om de namen van de geregistreerde gebruikers weer te geven en selecteer vervolgens de gewenste server. 2 Voer de gebruikersnaam in en druk op [OK]. 3 Druk op [Wachtwoord].
Kopieerbewerkingen 2 4 Voer het wachtwoord in en druk op [OK]. 5 Druk op [Aanmelden] of druk op de toets [Toegang]. Het basisscherm verschijnt. Als er gebruikersregistratie-instellingen zijn toegepast, verschijnt het scherm Gebruikersregistratie. Als "Synchroniseer gebr. auth. & gebruikersregistratie" echter is ingesteld op "Synchroniseer", verschijnt het gebruikersregistratiescherm niet als de gebruikers en accounts worden gesynchroniseerd. 6 Maak de kopieën met de gewenste kopieerinstellingen.
Kopieerbewerkingen 2 Het gebruik door elke account van deze machine controleren (Gebruikersregistratie) Als er instellingen voor de gebruikersregistratie werden opgegeven door de beheerder, kunnen alleen gebruikers van geregistreerde accounts deze machine gebruiken. Daarnaast kan het aantal gemaakte afdrukken per account worden gecontroleerd. Dit is de gebruikersregistratie of account track.
Kopieerbewerkingen 2 3 Druk op [Wachtwoord]. 4 Voer het wachtwoord in en druk op [OK]. 5 Druk op [Aanmelden] of druk op de toets [Toegang]. Het basisscherm wordt weergegeven. 6 Maak de kopieën met de gewenste kopieerinstellingen. 7 Druk op de toets [Toegang] wanneer u klaar bent met afdrukken. Een bericht waarin u wordt gevraagd het afmelden te bevestigen, wordt weergegeven.
Kopieerbewerkingen 8 2 Druk op [Ja] en druk vervolgens op [OK]. Het scherm Gebruikersregistratie wordt weergegeven. ! Detail De accounts kunnen worden beheerd in de functie Beheerderinstelling die beschikbaar is via de modus Hulpprogramma. De instellingen moeten door de beheerder worden opgegeven.
Kopieerbewerkingen 2 2.5 Papier plaatsen in lade 1 en lade 2 1 Trek lade 1 of lade 2 uit. Film 2 Pas de zijgeleiders aan het geplaatste papierformaat aan. Zijgeleiders – 3 Plaats het papier zo in de lade dat de zijde van het papier waarop moet worden afgedrukt (de kant die boven ligt bij het uitpakken) naar boven ligt. – 2-18 Als de zijgeleiders niet correct zijn geplaatst voor het geplaatste papier, zal het papierformaat niet correct worden verwijderd.
Kopieerbewerkingen 2 Hoe wordt gekruld papier geladen? % Strijk het papier glad voordat u het plaatst. ? Hoeveel vellen papier en andere media kunnen worden geladen? % Zorg ervoor dat u niet zoveel papier plaatst dat de bovenkant van de stapel hoger is dan de ,-markering. ? 4 Sluit lade 1 of lade 2. ! Detail Als er speciaal papier is geplaatst, moet de instelling voor het papiertype worden opgegeven. Raadpleeg "Een instelling voor speciaal papier opgeven" op pagina 2-95 voor meer informatie.
Kopieerbewerkingen 2 2.6 Papier laden in lade 3 1 Trek lade 3 uit. 2 Til de papieropvoerrol op en plaats het papier in de lade. – Plaats het papier zo in de lade dat de zijde van het papier waarop moet worden afgedrukt (de kant die boven ligt bij het uitpakken) naar boven ligt. – Plaats briefpapier zodat de afdrukzijde naar beneden is gericht. Hoe wordt gekruld papier geladen? % Strijk het papier glad voordat u het plaatst.
Kopieerbewerkingen 2.7 2 Papier laden in lade 4 1 Trek lade 4 uit. 2 Til de papieropvoerrol op en plaats het papier in de lade. – Plaats het papier zo in de lade dat de zijde van het papier waarop moet worden afgedrukt (de kant die boven ligt bij het uitpakken) naar boven ligt. – Plaats briefpapier zodat de afdrukzijde naar beneden is gericht. Hoe wordt gekruld papier geladen? % Strijk het papier glad voordat u het plaatst.
Kopieerbewerkingen 2 2.8 Papier plaatsen in de groot volume cassette 1 Open de bovenste deur. 2 Til de papieropvoerrol op en plaats het papier in de lade. – Plaats het papier zo in de lade dat de zijde van het papier waarop moet worden afgedrukt (de kant die boven ligt bij het uitpakken) naar beneden ligt. – Plaats briefpapier zodat de afdrukzijde omhoog is gericht. Hoe wordt gekruld papier geladen? % Strijk het papier glad voordat u het plaatst.
Kopieerbewerkingen 2.9 2 Papier plaatsen in de handinvoer. Papier kan handmatig via de handinvoer worden ingevoerd als u wilt kopiëren op papier dat niet in een papierlade geplaatst is of als u wilt kopiëren op dik papier, briefkaarten, enveloppen, OHP-transparanten of etiketvellen. 1 Open de handinvoer. – Trek het verlengstuk van de cassette uit wanneer u papier met groot formaat plaatst.
Kopieerbewerkingen 2 – Om af te drukken op briefpapier, gekleurd papier of enveloppen, drukt u op vervolgens het papiertype. – – Als "A6Card w" is geselecteerd, wordt het papiertype automatisch ingesteld op "Dik 3". Als er andere media dan briefkaarten worden ingevoegd, moet u het geschikte papiertype selecteren. Als er etiketvellen zijn geplaatst, selecteert u "Dik 1". Het afdrukken op OHP-transparanten is alleen mogelijk in het zwart.
Kopieerbewerkingen 2 U kunt maximaal 20 OHP-transparanten plaatsen in de handinvoer. Het afdrukken op OHP-transparanten is alleen mogelijk in het zwart. Voordat u enveloppen plaatst, moet u hier stevig op drukken om ervoor te zorgen, dat alle lucht eruit is. Bovendien moet u ervoor zorgen, dat de vouwen van de kleppen goed aangedrukt zijn, anders kunnen de enveloppen gekreukeld worden of kunnen vastlopen. Plaats bij het plaatsen van enveloppen deze met de klep omhoog, zoals getoond in de afbeelding.
Kopieerbewerkingen 2 Wanneer u etiketvellen laadt, moet u ze in de richting w plaatsen, zoals weergegeven in de afbeelding. Plaats geen etiketvellen in de richting v. U kunt maximaal 50 etiketvellen plaatsen in de handinvoer. Zijde waarop moet worden afgedrukt Zorg ervoor dat u briefpapier zo laadt dat de afdrukzijde naar boven is gericht. 2 Opmerking De afbeelding wordt afgedrukt op het oppervlak van het papier dat naar beneden ligt, wanneer het papier in de handinvoer geplaatst wordt.
Kopieerbewerkingen 2.10 2 Het document invoeren Het document kan op een van de volgende twee manieren ingevoerd worden. Zorg ervoor, dat het document correct geplaatst wordt overeenkomstig het soort document dat gekopieerd wordt. Documentinvoermethode Functies De ADF gebruiken Door de ADF te gebruiken kan een document van meerdere pagina's automatisch en per pagina worden ingevoerd. Deze invoermethode kan ook worden gebruikt om automatisch dubbelzijdige documenten te scannen.
Kopieerbewerkingen 2 3 Pas de zijgeleiders aan volgens het formaat van het document. Zijgeleiders Het document op de glasplaat plaatsen 0 0 0 0 Raadpleeg "Originele documenten" op pagina 2-99 voor meer informatie over de types documenten die op de glasplaat kunnen worden geplaatst. Wanneer u het document op de glasplaat legt, moet u ervoor zorgen dat u de ADF minstens 20° optilt.
Kopieerbewerkingen 3 2 Lijn het document uit op de -markering in de linkerhoek achteraan van de aanlegliniaal. Origineelschaal – Plaats voor transparante of zeer doorschijnende documenten een blanco vel papier van hetzelfde formaat als het document op het document.
Kopieerbewerkingen 2 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd. – 2 Druk op het Basisscherm op [Afzonderl. scan]. – 3 Om de instelling "Afzonderlijk scannen" te annuleren, drukt u opnieuw op [Afzonderl. scan] om de selectie op te heffen. Druk op [Start]. Nadat het document is gescand, verschijnt het volgende bericht. – 2-30 Raadpleeg "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor meer informatie over het plaatsen van het document.
Kopieerbewerkingen – – – – – – – 4 2 Plaats de volgende stapel van het document en druk op de toets [Start]. Herhaal stap 2 tot alle documentpagina's zijn gescand. Als het document niet in de ADF kan worden geplaatst, plaats het dan op de glasplaat. Raadpleeg "Originele documenten" op pagina 2-99 voor meer informatie over de types documenten die in de ADF kunnen worden geplaatst. Druk op [Wijzig instellingen] om de scaninstellingen te wijzigen.
Kopieerbewerkingen 2 5 2-32 Druk op de toets [Start]. – Als de parameter "Methode afzonderlijk scannen" is ingesteld op "Batch afdrukken", drukt u op [Printen] of op de toets [Start]. – Als de parameter "Methode afzonderlijk scannen" is ingesteld op "Batch afdrukken", kunnen de kopieerinstellingen worden gewijzigd. Om de kopieerinstellingen te wijzigen, drukt u op [Wijzig instellingen] en drukt u vervolgens op [OK] nadat de instellingen naar wens zijn gewijzigd.
Kopieerbewerkingen 2 Een document met meerdere pagina's scannen vanaf de glasplaat Wanneer u dubbelzijdige of gecombineerde kopieën maakt via de glasplaat, plaats u elke pagina van een document met meerdere pagina's op de glasplaat om die pagina te scannen. De volgende procedure beschrijft de manier waarop u enkelzijdige documentpagina's moet plaatsen om dubbelzijdige kopieën te maken.
Kopieerbewerkingen 2 6 Druk op [Inbindpositie], selecteer de inbindpositie voor de kopie en druk vervolgens op [OK]. – Raadpleeg "Een origineel selecteren > Kopie-instelling (Dubbelzijdig/N-in-1)" op pagina 2-43 voor meer informatie over het opgeven van de inbindpositie. 7 Druk op [Origineel richting], selecteer de richting van het geplaatste document en druk vervolgens op [OK]. 8 Druk op [OK]. 9 Druk op de toets [Start]. Het scannen wordt gestart.
Kopieerbewerkingen 10 2 Plaats de tweede pagina of de tweede zijde van het document op de glasplaat en druk vervolgens op de toets [Start]. – – – – Herhaal stap 10 om de resterende pagina's van het document te scannen. Druk op [Wijzig instellingen] om de scaninstellingen te wijzigen. De knoppen die op het scherm voor het wijzigen van de instellingen verschijnen, verschillen afhankelijk van de opgegeven instellingen. De instellingen voor het volgende kunnen worden gewijzigd. 1-zijdig/2-zijdig, Orig.
Kopieerbewerkingen 2 – 2-36 Als de parameter "Methode afzonderlijk scannen" is ingesteld op "Batch afdrukken", kunnen de kopieerinstellingen worden gewijzigd. Om de kopieerinstellingen te wijzigen, drukt u op [Wijzig instellingen] en drukt u vervolgens op [OK] nadat de instellingen naar wens zijn gewijzigd.
Kopieerbewerkingen 2.11 2 Een papierinstelling selecteren Het papierformaat kan automatisch worden geselecteerd volgens het documentformaat of het kan handmatig worden opgegeven. Geef het papierformaat op volgens de overeenkomende procedure, afhankelijk van de gewenste kopie-instellingen. 2 Opmerking Als een instelling voor speciaal papier is geselecteerd voor een papierlade, wordt deze laden niet automatisch geselecteerd met de instelling "Auto" papierinstelling.
Kopieerbewerkingen 2 2 Druk op [Auto]. 3 Druk op [OK]. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven. Het gewenste papierformaat handmatig selecteren 0 Wanneer u ook de instelling "Auto" zoom selecteert, wordt de meest geschikte zoomfactor geselecteerd op basis van het formaat van het geplaatste document en het opgegeven papierformaat. Meer details over de instelling "Auto Zoom" vindt u onder "De zoomfactor automatisch selecteren (instelling "Auto" zoom)" op pagina 2-39.
Kopieerbewerkingen 2.12 2 Een zoominstelling opgeven De zoomfactor kan worden ingesteld om een kopie te maken op papier met een ander formaat dan het document of om het formaat van de kopie-afbeelding te vergroten of te verkleinen. De volgende procedures beschrijven hoe u de zoominstelling kunt opgeven.
Kopieerbewerkingen 2 De zoomfactor van het document opgeven (instelling "Volledig formaat") Er wordt een kopie gemaakt met hetzelfde formaat als het document (100%). 0 0 De instelling "Volledig formaat" is standaard geselecteerd. Druk op [+] om de zoomfactor te verhogen en druk op [–] om de zoomfactor te verlagen in stappen van 0,1%. 1 Druk op het Basisscherm op [Zoom]. Het scherm Zoom verschijnt. 2 Druk op [Volledig formaat]. 3 Druk op [OK]. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 De kopie een weinig verkleinen (instelling "Minimaal") Een documentafbeelding kan iets kleiner (93%) dan het documentformaat van het origineel worden afgedrukt en op de kopie worden gecentreerd. 0 0 De instelling "Volledig formaat" is standaard geselecteerd. De zoomfactor van de instelling "Minimaal" kan worden gewijzigd (tussen 90% en 99,9%). 1 Druk op het Basisscherm op [Zoom]. Het scherm Zoom verschijnt. 2 Druk op [Minimaal]. 3 Druk op [OK].
Kopieerbewerkingen 2 Een vooraf ingestelde zoomfactor selecteren (instellingen "Vergroten en Verkleinen") De best geschikte zoomfactoren voor het kopiëren van algemene standaarddocumenten op standaard papierformaten zijn vooraf ingesteld. 0 De instelling "Volledig formaat" is standaard geselecteerd. 1 Druk op het Basisscherm op [Zoom]. Het scherm Zoom verschijnt. 2 Druk op de knop voor de geschikte zoomfactor naast "Vergroten" en "Verkleinen", afhankelijk van het document- en papierformaat.
Kopieerbewerkingen 2.13 2 Een origineel selecteren > Kopie-instelling (Dubbelzijdig/N-in-1) De volgende vier instelcombinaties voor Origineel > Kopie zijn mogelijk. Instellingen Origineel > Kopie Omschrijving 1-zijdig > 1-zijdig Selecteer deze instelling om enkelzijdige kopieën te maken van enkelzijdige documenten. 1-zijdig > 2-zijdig Selecteer deze instelling om één dubbelzijdige kopie te maken van twee enkelzijdige documenten.
Kopieerbewerkingen 2 2.14 Een gecombineerde kopie-instelling selecteren Documentafbeeldingen van meerdere pagina's (2, 4 of 8 pagina's) kunnen worden gecombineerd en afgedrukt op één pagina, zodat het papierverbruik wordt beperkt. De volgende drie gecombineerde kopie-instellingen zijn beschikbaar. ! Detail Wanneer u de gecombineerde kopie-instelling selecteert, worden kopieën gemaakt waarbij de best geschikte zoomfactor (aanbevolen zoomfactor) wordt geselecteerd voor het document en papierformaat.
Kopieerbewerkingen 2 Instelling Omschrijving 8-in-1 Selecteer deze instelling om acht documentpagina's op één pagina af te drukken. De paginaschikking (instelling Combineer richting) kan worden opgegeven. Horizontaal Verticaal De volgende procedure beschrijft hoe u een gecombineerde kopie-instelling kunt selecteren.
Kopieerbewerkingen 2 – Selecteer de instelling en de paginaschikking volgens de richting en het nummer van de gecombineerde pagina's. Als "4-in-1/8-in-1" is geselecteerd, kunt u op het tiptoetsscherm controleren of "Horizontaal" of "Verticaal" is geselecteerd voor de papierschikking. Dit verschijnt alleen als de parameter "Linkerpaneel standaard weergave" in de modus Hulpprogramma ingesteld op "Functiecontrole". Als "2-in-1" is geselecteerd, worden de pagina's geschikt zoals hieronder weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2.15 2 De kwaliteit van het document selecteren Documenten met kleine afdrukken of foto's plaatsen (instellingen "Origineel type") Selecteer de instelling voor het tekst- en afbeeldingstype van het document om de kwaliteit van de kopie beter aan te passen. De volgende instellingen Origineel type zijn beschikbaar. 2 Opmerking De instelling "Tekst/foto" is standaard geselecteerd. Pictogram Omschrijving Selecteer deze instelling wanneer u documenten kopieert die alleen tekst bevatten.
Kopieerbewerkingen 2 De volgende procedure beschrijft hoe u de instelling Origineel type kunt selecteren. Een instelling voor origineel type selecteren 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd. – 2 Raadpleeg "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor meer informatie over het plaatsen van het document. Druk op het Basisscherm op [Kwalit./densit.]. Het scherm Kwaliteit/Densiteit verschijnt. 3 2-48 Druk op de knop met de meest geschikte kwaliteitsinstelling voor het geplaatste document.
Kopieerbewerkingen 2 – Bij een document dat foto's bevat, drukt u op [Foto] om het scherm Fototype weer te geven. Druk op de knop voor de gewenste instelling en druk op [OK]. – – – Druk voor een document dat kaarten bevat op [Landkaart]. Druk voor een document dat slecht leesbare tekst bevat op [Dot matrix origineel]. Druk voor een document dat met deze machine wordt afgedrukt op [Gekop. papier]. Het scherm Kwalit./Densit. verschijnt opnieuw.
Kopieerbewerkingen 2 2.16 Afwerkingsinstellingen selecteren Er kunnen verschillende instellingen worden geselecteerd voor het sorteren en afwerken van kopieën die worden ingevoerd in de kopie-uitvoerlade. 2 Opmerking De instelling "Groep" is standaard geselecteerd. ! Detail Als er geen afwerkingseenheid is geïnstalleerd en aan alle volgende voorwaarden is voldaan, kunnen de afgedrukte kopieën worden uitgevoerd en gesorteerd in een afwisselend kruiselings patroon.
Kopieerbewerkingen 2 Instelling Omschrijving Offset Als er geen afwerkingseenheid is geïnstalleerd Als voldaan is aan de sorteervoorwaarden, worden de afgedrukte kopieën uitgevoerd en gesorteerd in een afwisselend kruiselings patroon. Als er een afwerkingseenheid is geïnstalleerd De kopieën worden uitgevoerd en op elkaar gestapeld waarbij elke set wordt verschoven om de sets te scheiden. Vouwen/Inbinden Selecteer een van deze instellingen om kopieën te vouwen.
Kopieerbewerkingen 2 Instelling Omschrijving Perforeren Er worden gaten geperforeerd (4 gaten) in de kopieën om ze te kunnen archiveren.
Kopieerbewerkingen 2 De volgende procedures beschrijven hoe u de afwerkingsinstellingen kunt selecteren. 2 Let op De nietinstellingen zijn alleen beschikbaar als de optionele afwerkingseenheid is geïnstalleerd. De perforeerinstellingen zijn alleen beschikbaar als de perforeereenheid is geïnstalleerd op de optionele afwerkingseenheid. Kopieën scheiden volgens set (instelling "Sorteren") 0 0 0 0 1 De instelling "Groep" is standaard geselecteerd.
Kopieerbewerkingen 2 3 Druk op [OK]. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven. Kopieën scheiden volgens pagina's (instelling "Groep") 0 0 0 0 1 De instelling "Groep" is standaard geselecteerd. Als de afwerkingseenheid FS-519 is geïnstalleerd, kan de uitvoerlade worden geselecteerd. Raadpleeg "De uitvoerlade selecteren" op pagina 2-55 voor meer informatie.
Kopieerbewerkingen 2 De uitvoerlade selecteren 0 De uitvoerlade kan alleen worden geselecteerd als de optionele afwerkingseenheid FS-519 is geïnstalleerd. 1 Druk in het Basisscherm op [Afwerking]. Het scherm Afwerking verschijnt. 2 Druk op de toets [Uitvoerlade]. 3 Selecteer de uitvoerlade waarnaar de kopieën moeten worden uitgevoerd en druk vervolgens op [OK]. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 Kopieën nieten (instellingen "Nieten") 2 Let op De kopieën kunnen alleen worden uitgevoerd met een nietje in de hoek of met nieten op twee posities als de afwerkingseenheid is geïnstalleerd. ! Detail Om de kopieën te kunnen nieten, moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan. De papierbreedte moet tussen 182 mm en 311,1 mm liggen. De papierlengte moet tussen 139 mm en 457,2 mm liggen. Als de instelling "Gemengd orig.
Kopieerbewerkingen 2 Wanneer de afwerkingseenheid FS-519 is geïnstalleerd ! Detail Om de kopieën te kunnen nieten, moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan. De papierbreedte moet tussen 182 mm en 297 mm liggen. De papierlengte moet tussen 148,5 mm en 431,8 mm liggen. Als de instelling "Gemengd origineel" is geselecteerd, moeten alle kopieën worden afgedrukt met papier van dezelfde breedte.
Kopieerbewerkingen 2 2 Druk onder "Nieten" op [Hoek] of [2 positie]. – 3 Druk op [Positie instel.]. – – 2-58 Druk op [Geen] om de nietinstelling te annuleren. Selecteer de nietpositie en druk vervolgens op [OK]. Wanneer de nieten instelling "2 positie" is geselecteerd.
Kopieerbewerkingen 2 – Wanneer de nieten instelling "Hoek" is geselecteerd. – Druk op [Auto] om de nietpositie automatisch vast te stellen volgens de richting van het geplaatste document. Als de lengte van het document 297 mm of minder is, wordt de lange zijde van het papier geniet. Als de lengte van het document meer is dan 297 mm, wordt de korte zijde van het papier geniet.
Kopieerbewerkingen 2 Wanneer de perforeereenheid PK-512 en/of de afwerkingseenheid FS-517/FS-608 zijn geïnstalleerd Lade Papiergewicht Afwerkingslade 1 Papierformaat 2 2 64 g/m tot 128 g/m Instelling "4-gat perforatie": A3 w, B4 w, A4 v, B5 v, 11 e 17 w, 8-1/2 e 11 v, 7-1/4 e 10-1/2 v, 8K w, 16K v Wanneer de perforeereenheid PK-513 en/of de afwerkingseenheid FS-517/FS-608 zijn geïnstalleerd Lade Papiergewicht Afwerkingslade 1 Papierformaat 2 2 64 g/m tot 128 g/m Instelling "4-gat perforatie
Kopieerbewerkingen 3 2 Druk op [Positie]. – Selecteer de positie van de perforatiegaten en druk vervolgens op [OK]. – Druk op [Auto] om de positie van de geperforeerde gaatjes automatisch vast te stellen volgens de richting van het geplaatste document. Als de lengte van het document 297 mm of minder is, worden de gaatjes geperforeerd langs de langste zijde van het papier. Als de lengte van het document meer is dan 297 mm, worden de gaatjes geperforeerd langs de kortste zijde van het papier.
Kopieerbewerkingen 2 2.17 Een vouwinstelling selecteren Als er opties zijn geïnstalleerd, kunnen de kopieën worden gevouwen voordat ze worden uitgevoerd. De volgende vouwinstellingen zijn beschikbaar. De beschikbare instellingen verschillen afhankelijk van de opties die zijn geïnstalleerd. Instelling Omschrijving Compatibele modellen CS231 CS240 CS250 Half-vouw Selecteer deze instelling om kopieën in twee te vouwen voordat ze worden uitgevoerd. (Zie pagina 2-62.
Kopieerbewerkingen 1 2 Druk op het Basisscherm op [Afwerking]. Het scherm Afwerking verschijnt. 2 Druk op [Vouwen/Inbinden]. Het scherm Vouwen/Inbinden verschijnt. 3 Druk op [Half-vouw]. – – 4 De functie "Boekje" wordt standaard automatisch opgegeven wanneer "Half-vouw" is geselecteerd. Om de instelling "Half-vouw" te annuleren, drukt u op [Nee] of op de knop voor een andere instelling. Druk op [OK] en druk vervolgens opnieuw op [OK].
Kopieerbewerkingen 2 Wanneer de rugnieteenheid is geïnstalleerd op de afwerkingeenheid FS-519 Papiergewicht Papierformaat Maximum aantal gevouwen vellen Normaal papier (64 g/m2 tot 90 g/m2) B5 w, A4 w, B4 w, A3 w 200 vellen of 20 sets Dik papier 1/1+/2 (91 g/m2 tot 128 g/m2) Aantal vellen dat in twee is gevouwen Voorbeelden van het mogelijke aantal vellen dat in twee is gevouwen, worden hieronder weergegeven.
Kopieerbewerkingen 3 Druk op [Ja] onder "Half-vouw". – – 4 2 De functie "Boekje" wordt standaard automatisch opgegeven wanneer Half-vouw is geselecteerd. Om de instelling "Half-vouw" te annuleren, drukt u op [Nee] of op de knop voor een andere instelling. Druk op [OK] en druk vervolgens opnieuw op [OK].
Kopieerbewerkingen 2 2 Druk op [Vouwen/Inbinden]. Het scherm Vouwen/Inbinden verschijnt. 3 Druk op [Midden nieten & vouwen]. – – – – 4 2-66 Als een voorblad wordt toegevoegd met de functie "Omslagfunctie", kan de omslag (200 g/m2) niet worden geniet. Wanneer de instelling "Midden nieten & vouwen" is geselecteerd, worden de volgende standaard fabrieksinstellingen automatisch geselecteerd.
Kopieerbewerkingen 2 Wanneer de rugnieteenheid is geïnstalleerd op de afwerkingeenheid FS-519 Papiergewicht Papierformaat Maximum aantal gevouwen vellen Normaal papier (64 g/m2 tot 90 g/m2) B5 w, A4 w, B4 w, A3 w 200 vellen of 20 sets Dik papier 1/1+/2 (91 g/m2 tot 128 g/m2) Aantal gebonden pagina's Voorbeelden van het mogelijk aantal gebonden pagina's worden hieronder weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 3 Geef de instellingen op voor de bindpagina's. – Om kopieën op twee plaatsen in het midden te nieten, drukt u op [Ja] onder "Midden nieten" en op [Nee] onder "Half-vouw". Om kopieën in het midden te binden, drukt u op [Ja] onder "Midden nieten" en op [Ja] onder "Halfvouw". – Als een voorblad wordt toegevoegd met de functie "Omslag", kan de omslag (200 g/m2) niet worden geniet.
Kopieerbewerkingen 1 2 Druk op het Basisscherm op [Afwerking]. Het scherm Afwerking verschijnt. 2 Druk op [Vouwen/Inbinden]. Het scherm Vouwen/Inbinden verschijnt. 3 Druk op [3-vouw]. – – 4 Wanneer de instelling "3-vouw" is geselecteerd, zijn de volgende afwerkingsinstellingen niet beschikbaar. Groep Offset Nieten Perforeren Om de instelling "3-vouw" te annuleren, drukt u op [Nee] of op de knop voor een andere instelling. Druk op [OK] en druk vervolgens opnieuw op [OK].
Kopieerbewerkingen 2 2.18 Scannen/afdrukken tijdelijk stoppen Volg de onderstaande procedure om het scannen van een document tijdelijk te stoppen en het afdrukken te stoppen. 0 Als een document wordt gescand voor een opdracht, kunt u op de toets [Stop] drukken om het scannen te stoppen. 1 Druk op de toets [Stop] terwijl het document wordt gescand of terwijl een opdracht wordt afgedrukt. Het scannen/afdrukken wordt gestopt. Het scherm Afgebroken opdrachten wordt weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2.19 2 Een kopieertaak onderbreken (Interruptiemodus) De huidige taken kunnen tijdelijk worden onderbroken zodat een document kan worden gekopieerd met verschillende kopie-instellingen. Dit is handig wanneer u snel een kopie wilt maken. 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd. – 2 Raadpleeg "Het document in de ADF plaatsen" op pagina 2-27 voor meer informatie over het plaatsen van het document. Druk op de toets [Interruptie].
Kopieerbewerkingen 2 2.20 Kopieerprogramma's registreren (Geheugenfunctie) Vaak gebruikte kopieerinstellingen kunnen samen worden opgeslagen als een programma zodat ze gemakkelijk opnieuw kunnen worden opgeroepen. Er kunnen maximaal 30 programma's worden geregistreerd. U kunt een naam van maximaal 16 tekens opgeven voor de geregistreerde kopieerprogramma's.
Kopieerbewerkingen 4 Gebruik de cijfertoetsen op het bedieningspaneel en het toetsenbord dat op het tiptoetsscherm verschijnt om de naam van het kopieerprogramma in te voeren. – – 5 2 De programmanaam kan maximum 16 tekens bevatten. Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. Druk op [OK] nadat u de naam hebt ingevoerd. – U kunt het kopieerprogramma dezelfde naam geven als een kopieerprogramma dat reeds werd geregistreerd.
Kopieerbewerkingen 2 ? % Kan de naam van het kopieerprogramma worden gecorrigeerd? Als u de opgegeven naam van het kopieerprogramma wilt wijzigen, drukt u op de knop waarvan de naam moet worden gewijzigd en drukt u vervolgens op [Naam bewerken]. Het scherm Bewerk naam wordt weergegeven. Keer terug naar stap 4 en herhaal de procedure om de naam van het kopieerprogramma te wijzigen.
Kopieerbewerkingen 2.21 2 Kopiëren met geprogrammeerde kopie-instellingen (Geheugenfunctie) U kunt geprogrammeerde kopie-instellingen die u opnieuw wilt gebruiken voor het kopiëren, opvragen. 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd. – 2 Raadpleeg "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor meer informatie over het plaatsen van het document. Druk op de toets [Geheugenfunctie]. Het scherm Roep kopieerprogramma op wordt weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 Het scherm Functiecontrole wordt weergegeven. Er zijn zes schermen Functiecontrole. Het getal rechts van de schermtitel geeft het nummer aan van het momenteel weergegeven scherm. Om het vorige scherm weer te geven, drukt u op [ Achter]. Om het volgende scherm weer te geven, drukt u op [Doorst ]. Als de instelling voor een functie is gewijzigd ten opzichte van de standaardinstelling, verschijnt de knop voor die functie in een gekleurd kader.
Kopieerbewerkingen 2.22 2 Functiebeschrijvingen weergeven (Help) U kunt beschrijvingen van de verschillende functies en details van de bewerkingen weergeven. De schermen van Help kunnen op twee manieren worden weergegeven. De hoofdschermen van het Help-menu (vanaf het Basisscherm) Help-schermen voor instellingen (vanaf andere schermen dan het Basisscherm) Overzicht van de Help-schermen De volgende items zijn voorzien in het scherm Het menu Help.
Kopieerbewerkingen 2 Help-scherm (2de niveau) (Bijvoorbeeld: Zoeken op functie) Item Omschrijving [Kopie], [Scan/Fax], [Gebruikersbox], [Opdr.lijst] [Printen] Geeft het eerste Help-scherm voor elke beschrijving weer ! Detail De items die in het Help-menu zijn weergegeven voor de naam en de functie van elk onderdeel, zijn verschillend afhankelijk van de geïnstalleerde opties.
Kopieerbewerkingen 2 Scherm Functiemap (Bijvoorbeeld: Kopie) Een tabel met beschikbare functies en instellingen worden weergegeven in de Functie-overzichten. Selecteer een item in de tabel voor het Help-scherm dat u wilt weergeven. ! Detail Er zijn 13 Functiemapschermen voor de kopieerfunctie. Het getal bovenaan geeft het nummer aan van het scherm dat momenteel wordt weergegeven. Om het vorige scherm weer te geven, drukt u op u op . .
Kopieerbewerkingen 2 De hoofdschermen van de helpfunctie weergeven Als voorbeeld beschrijft de volgende procedures de Help-schermen die worden weergegeven voor de kopieerbewerkingen door middel van "Functie". 1 Druk op de toets [Help] terwijl het Basisscherm wordt weergegeven. Het scherm Het menu Help wordt weergegeven. 2 Druk op [Functie] of druk op de cijfertoetsen op [1]. Het Help-scherm voor "Zoekfunctie" wordt weergegeven.
Kopieerbewerkingen 3 2 Druk op [Kopie] of [Openen] of druk op de toets [1] van de cijfertoetsen. Het scherm Kopie-help wordt weergegeven. 4 Druk op [Openen] voor de gewenste informatie of druk op de toets op de cijfertoetsen voor het cijfer links van de gewenste informatie om het overeenkomende Help-scherm weer te geven. 5 Nadat u de Help-informatie hebt gecontroleerd, drukt u op [Einde] of drukt u opnieuw op de toets [Help]. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 2.23 Kopieerpapier Gebruik papier dat voldoet aan de volgende voorwaarden.
Kopieerbewerkingen 2 Geladen apparatuur Papierformaten die kunnen worden geladen Afwerkingseenheid FS-519 Optionele uitvoerlade OT-602 Afwerkingslade 1, 2 en optionele uitvoerlade A3 w tot B6 w, A6 w, 12-1/4 × 18 w Instelling "Groeperen"/"sorteren": A3 w tot A5 v Nietinstellingen: A3 w tot A5 vPerforeerinstellingen: A3 w, A4 v, B5 w*3 Rugnieteenheid SD-505 Vouwen & nieten: A3 w, B4 w, A4 w, B5 w Postvakset MT-502 A4 v, B4 v, A5 w, Uitvoerlade OT-503 A3 w tot B6 w, A6 w, 12- 1/4 e 18 w, 12 e 18 w
Kopieerbewerkingen 2 Speciaal papier Papier dat geen gewoon papier is, zoals OHP-transparanten en gekleurd papier, wordt speciaal papier genoemd. Zorg dat u een speciale papierinstelling selecteert voor papierladen die zijn geladen met media zoals OHP-transparanten en gekleurd papier. Als het papiertype niet correct is geselecteerd, kunnen papierstoringen optreden.
Kopieerbewerkingen 2 Papiersoort Duplex zijde2 Pictogram Normaal papier Dik 1 Beschrijvingen Selecteer deze instellingen wanneer u papier laadt dat al aan één zijde is bedrukt. "2e zijde" kan alleen worden geselecteerd als normaal papier, dik papier 1, dik papier 1+, dik papier 2, dik papier 3 of dik papier 4 in de handinvoer is geladen.
Kopieerbewerkingen 2 2.24 De papierinstellingen selecteren Deze sectie beschrijft de procedures voor het opgeven van het formaat en het type papier dat in elke papierlade wordt geplaatst. ! Detail Raadpleeg "Papier plaatsen in lade 1 en lade 2" op pagina 2-18 voor meer informatie over het laden van papier in laden 1 en 2. Raadpleeg voor meer informatie over het plaatsen van het papier in de handinvoer "Papier plaatsen in de handinvoer." op pagina 2-23.
Kopieerbewerkingen 4 2 Druk op [Auto detectie]. De instelling "Auto detectie" is standaard geselecteerd. 5 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven. Een papierformaatinstelling selecteren (instelling "Formaat") Het papierformaat kan worden ingesteld voor de handinvoer zodat deze kan worden gebruikt met het opgegeven papierformaat.
Kopieerbewerkingen 2 2 Selecteer de knop voor de handinvoer. 3 Druk op [Wijzig lade-instellingen]. 4 Druk op [Formaatinst.]. Het scherm Standaard form. wordt weergegeven. 5 Druk tweemaal op – – 6 en druk vervolgens op [4x6 w]. Druk op en tot de knop voor het gewenste papierformaat wordt weergegeven. Als "4x6 w" is geselecteerd, wordt "Dik 3" automatisch geselecteerd. Als er ander papier dan briefkaarten is geplaatst, moet de instelling voor het papiertype worden gewijzigd.
Kopieerbewerkingen 2 2 Let op Als ander papier dan het opgegeven papierformaat wordt geplaatst, kan een papierstoring optreden aangezien het papierformaat niet automatisch wordt gedetecteerd. ! Detail Voor lade 1 en lade 2, "12-1/4 e 18 w" is beschikbaar. Een aangepast papierformaat opgeven (instellingen "Aangepast formaat") Papier met aangepast formaat kan in de handinvoer worden geladen. Als u oversized papier plaatst, dient u het papierformaat op te geven. 1 Druk op het Basisscherm op [Papier].
Kopieerbewerkingen 2 4 Druk op [Aangepast formaat]. Het scherm Aangepast formaat verschijnt. 5 Geef de lengte (X) en breedte (Y) van het papier op. – Zorg ervoor dat [X] is geselecteerd en gebruik vervolgens de cijfertoetsen om de lengte van zijde X in te voeren (tussen 139,7 mm en 457,2 mm). – Druk op [Y] om deze instelling te selecteren gebruik vervolgens de cijfertoetsen om de lengte van zijde Y in te voeren (tussen 90,0 mm en 311,1 mm).
Kopieerbewerkingen 2 Een aangepast papierformaat opslaan (instellingen "Aangepast format") U kunt vijf aangepaste papierformaten opslaan. Opslaan van vaak gebruikte papierformaten maakt het mogelijk, het papierformaat snel te selecteren zonder dat u de instelling opnieuw hoeft in te voeren. 1 Druk op het Basisscherm op [Papier]. Het scherm Papier verschijnt. 2 Selecteer de knop voor de handinvoer. 3 Druk op [Wijzig lade-instellingen]. 4 Druk op [Aangepast formaat].
Kopieerbewerkingen 2 5 Geef de X- en Y-randen op van het papier en druk vervolgens op [Opslaan]. – Zorg ervoor dat [X] is geselecteerd en gebruik vervolgens de cijfertoetsen om de lengte van zijde X in te voeren (tussen 139,7 mm en 457,2 mm). – Druk op [Y] om deze instelling te selecteren gebruik vervolgens de cijfertoetsen om de lengte van zijde Y in te voeren (tussen 90,0 mm en 311,1 mm). – Raadpleeg de afbeelding op het scherm voor de zijden die als X en Y worden beschouwd.
Kopieerbewerkingen 2 Gebruik het toetsenbord dat wordt weergegeven om de naam van de toets te typen, druk op [OK] en druk vervolgens op [Sluit]. Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. 7 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in de volgende 3 schermen die worden weergegeven. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 2 Druk op de knop voor de handinvoer. – Om het papierformaat voor lade 1 of 2 in te stellen, drukt op de overeenkomende papierlade. 3 Druk op [Wijzig laden-instellingen]. 4 Druk op [Breed papier]. Het scherm Oversized papier wordt weergegeven. 5 Selecteer het formaat van het papier dat geplaatst moet worden. – – 6 Druk op en tot de knop voor het gewenste papierformaat wordt weergegeven.
Kopieerbewerkingen 7 2 Geef de X- en Y-randen op van het papier en druk vervolgens op [OK]. – Druk op [X] of [Y] en druk op de toets [C] (wissen) om de huidige instelling te wissen. Gebruik vervolgens de cijfertoetsen om het formaat op te geven. – Om een papierformaat van 12 e 18 w op te slaan, drukt u op [12 e 18 w]. Voer de waarden in voor "X" en "Y". – Als een waarde buiten het toegelaten bereik is opgegeven, verschijnt het bericht "Invoerfout". Voer een waarde binnen het toegelaten bereik in.
Kopieerbewerkingen 2 2 Druk op de knop voor lade 1. – – – Om een instelling voor speciaal papier voor lade 1, lade 2 of lade 3 of de handinvoer op te geven, drukt u op de knop voor de overeenkomende papierlade. Als een instelling voor speciaal papier is geselecteerd voor een papierlade, wordt deze laden niet automatisch geselecteerd met de papierinstelling "Auto".
Kopieerbewerkingen 2 Dubbelzijdige kopieën handmatig afdrukken De instelling "2e zijde" wordt gebruikt om dubbelzijdige kopieën af te drukken op papier dat niet kan worden uitgevoerd via de automatische duplexeenheid. Het papier dat moet worden gebruikt om op de tweede zijde af te drukken, kan in de handinvoer worden geplaatst. 1 Druk op het Basisscherm op [Papier]. Het scherm Papier verschijnt. 2 Druk op de knop voor de handinvoer.
Kopieerbewerkingen 2 5 Selecteer het type papier dat moet worden geplaatst. 6 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. Het Basisscherm wordt opnieuw weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2.25 2 Originele documenten Wanneer u kopieën wilt maken, plaatst u het document in de ADF of op de glasplaat. Als u documenten wilt kopiëren die niet in de ADF kunnen worden geplaatst, kunt u ze op de glasplaat leggen. Documenten die in de ADF kunnen worden geplaatst Er zijn drie methoden om de automatische documenteninvoer te gebruiken.
Kopieerbewerkingen 2 Voorzorgsmaatregelen voor het plaatsen van documenten in de ADF De volgende documentsoorten mogen niet geplaatst worden in de ADF, aangezien het papier kan vastlopen of het document beschadigd kan worden.
Kopieerbewerkingen 2.26 2 Papier tussen OHP-transparanten invoegen (functie "Schutblad transparant") Om te vermijden dat kopieën die op OHP-transparanten worden afgedrukt aan elkaar plakken ten gevolge van de warmte die wordt geproduceerd tijdens het kopiëren, kan papier (schutbladen) worden ingevoegd tussen de transparanten. 0 Er kan geen afwerkingsinstelling worden gebruikt. 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd. – – 2 Druk in het basisscherm op [Kleur] en vervolgens op [Zwart].
Kopieerbewerkingen 2 5 Druk op [Toepassing] en druk vervolgens op [Vel/omslag/hoofdstuk invoegen]. – Om wijzigingen aan de instellingen voor alle toepassingsfuncties te annuleren, drukt u op de toets [Reset]. Alle wijzigingen aan de instellingen worden geannuleerd. Het scherm Vel/Voorblad/Hoofdstuk invoegen verschijnt. 6 Druk op [Schutblad transparant]. Het scherm OHP-schutblad verschijnt. 7 Selecteer de papierlade die met het schutbladpapier is geplaatst. – – 8 Druk op [OK].
Kopieerbewerkingen 2.27 2 Omslagpagina's toevoegen (functie "Omslagfunctie") U kunt kopieën maken op ander papier dan dat van het hoofdgedeelte van het document (waarbij de omslagpagina's worden uitgesloten) en u kunt omslagpagina's toevoegen met ander papier dan dat van de kopie. 2 Opmerking Als de optionele omslag-invoegeenheid is geïnstalleerd, kunnen lege voor- en achterbladen worden toegevoegd vanaf de omslag-invoegeenheid.
Kopieerbewerkingen 2 3 Druk op [Toepassing] en druk vervolgens op [Vel/omslag/hoofdstuk invoegen]. – – Raadpleeg "Papiersoorten en capaciteiten" op pagina 2-83, "Papier plaatsen in de handinvoer." op pagina 2-23 voor meer informatie over het gebruik van dik papier voor de omslagvellen en over het laden van het papier. Om wijzigingen aan de instellingen voor alle toepassingsfuncties te annuleren, drukt u op de toets [Reset]. Alle wijzigingen aan de instellingen worden geannuleerd.
Kopieerbewerkingen 6 2 Druk desgewenst op [Papier] onder "Voorblad" of "Achterblad". Het overeenkomende scherm voor het omslagpapier wordt weergegeven. 7 Selecteer de papierlade waarin het papier voor de omslagpagina's is geplaatst. 8 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in de volgende twee schermen die worden weergegeven. 9 Geef andere gewenste kopieerinstellingen op. 10 Geef met behulp van de cijfertoetsen het aantal gewenste kopieën op. 11 Druk op de toets [Start].
Kopieerbewerkingen 2 2.28 Verschillende soorten papier invoegen in kopieën (functie "Vel invoegen") U kunt verschillende papiersoorten (zoals gekleurd papier) invoegen voor specifieke pagina's in de kopieën. Er zijn instellingen ("Kopie" en "Blanco") om te selecteren of de ingevoegde pagina's al dan niet moeten worden afgedrukt. Wanneer de instellingen worden gecombineerd met enkelzijdig of dubbelzijdig kopiëren, worden de kopieën afgedrukt zoals hieronder weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 ! Detail Het opgegeven papier kan worden ingevoegd op maximaal 30 locaties binnen een document van maximum 999 pagina's. In dubbelzijdige documenten wordt een dubbelzijdige pagina beschouwd als twee pagina's (een voor de voorzijde en een voor de achterzijde). 2 Opmerking Als de optionele omslag-invoegeenheid is geïnstalleerd, kan er papier worden ingevoegd van de omslag-invoegeenheid. 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd.
Kopieerbewerkingen 2 4 Druk op [Vel invoegen]. – Om de functie "Vel invoegen" te annuleren, drukt u op [Nee]. Het scherm Invoegvel wordt weergegeven. 5 Druk op een knop voor een paginanummer en gebruik vervolgens de cijfertoetsen om het nummer van de pagina te typen waar het papier moet worden ingevoegd. – – – – – 6 Druk onder "Inv. type" op [Kopie] of [Blanco]. – 7 Er zijn twee schermen Invoegvel. Druk op en om een ander scherm weer te geven.
Kopieerbewerkingen 8 Selecteer de papierlade waarin de invoegvellen zijn geplaatst en druk vervolgens op [OK]. 9 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. 10 Geef andere gewenste kopieerinstellingen op. 11 Geef met behulp van de cijfertoetsen het aantal gewenste kopieën op. 12 Druk op de toets [Start].
Kopieerbewerkingen 2 2.29 Kopieën van een ander document invoegen voor een opgegeven pagina (functie "Afbeelding invoegen") Een document van meerdere pagina's dat later wordt gescand vanaf de glasplaat, kan worden ingevoegd op de opgegeven locatie in een document dat eerst met de ADF werd gescand. Het ingevoegde document wordt toegevoegd na de opgegeven pagina. ! Detail Een afzonderlijk document kan worden ingevoegd op maximaal 30 locaties binnen een document van maximum 999 pagina's.
Kopieerbewerkingen 3 2 Druk op [Afbeelding invoegen]. – – Om de instelling te annuleren en de standaardinstelling te selecteren, drukt u op de toets [Reset]. Om de functie "Afbeelding invoegen" te annuleren, drukt u op [Nee]. Het scherm Afbeelding invoegen wordt weergegeven. 4 Gebruik de cijfertoetsen om de pagina's op te geven waar de afbeelding moet worden ingevoegd. – – – – – – – – Er zijn twee schermen Afbeelding invoegen. Druk op en om een ander scherm weer te geven.
Kopieerbewerkingen 2 8 Druk op de toets [Start]. Het scannen wordt gestart. 9 Plaats het in te voegen document op de glasplaat. – 10 Raadpleeg "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor meer informatie over het plaatsen van het document. Druk op de toets [Start]. Het scannen wordt gestart. 11 Druk op [Einde].
Kopieerbewerkingen 2.30 2 Pagina's die op de voorzijde moeten worden afgedrukt, opgeven (functie "Hoofdstuk") Wanneer u dubbelzijdige kopieën maakt, kunnen de pagina's die zijn opgegeven als de eerste pagina van een hoofdstuk op de voorzijde van het papier worden gedrukt. Als het document zo werd geschikt dat de opgegeven pagina op de achterzijde van een pagina zal worden afgedrukt, blijft de pagina blanco en wordt de opgegeven pagina afgedrukt op de voorzijde van de volgende pagina.
Kopieerbewerkingen 2 2 Druk op [Toepassing] en druk vervolgens op [Vel/omslag/hoofdstuk invoegen]. – Om wijzigingen aan de instellingen voor alle toepassingsfuncties te annuleren, drukt u op de toets [Reset]. Alle wijzigingen aan de instellingen worden geannuleerd. Het scherm Vel/Voorblad/Hoofdstuk invoegen verschijnt. 3 Druk op [Hoofdstuk]. Het scherm Hoofdstukken (om te bewerken) wordt weergegeven. 4 Gebruik de cijfertoetsen om de eerste pagina van de hoofdstukken op te geven.
Kopieerbewerkingen – 5 2 Als het opgegeven paginanummer hoger is dan het aantal pagina's in het document, wordt dat paginanummer genegeerd. Druk onder "Hoofdstukpapier" op [Kopie invoegen] of [Geen]. – – – Als u "Geen" hebt geselecteerd, worden alle pagina's van de kopie afgedrukt op hetzelfde papier. Om de instelling te annuleren en de standaardinstelling te selecteren, drukt u op de toets [Reset]. Om de functie "Hoofdstuk" te annuleren, drukt u op [Nee].
Kopieerbewerkingen 2 2.31 Tegelijkertijd documenten met verschillende instellingen scannen en kopieën afdrukken (functie "Opdrachten programmeren") Geladen documentpagina's kunnen worden gescand met verschillende instellingen en hun kopieën kunnen samen worden afgedrukt.
Kopieerbewerkingen 2 3 Druk op [Opdrachten programmeren] en vervolgens op [OK]. 4 Selecteer de gewenste kopieerinstellingen en druk vervolgens op de toets [Start]. – Om één kopie af te drukken om deze te controleren, drukt u op [Testkopie]. Het scannen wordt gestart. 5 Druk op [Scan instellen] en vervolgens op [OK]. – – 6 Als het document op de glasplaat is geplaatst, drukt u op [Einde] in het scherm dat verschijnt waarin u wordt gevraagd te bevestigen of het scannen van het document is voltooid.
Kopieerbewerkingen 2 7 Selecteer de gewenste kopieerinstellingen en druk vervolgens op de toets [Start]. – – Om één kopie af te drukken om deze te controleren, drukt u op [Testkopie]. Herhaal stappen 6 en 7 tot alle documenten zijn gescand. De hoeveelheid beschikbaar geheugen kunt u controleren naast "Geheugen" in de linkerbenedenhoek van het scherm. Daarnaast kan het aantal documentbatches worden gecontroleerd naast "Gescande batches". – Wanneer het geheugen vol is, verschijnt een bericht.
Kopieerbewerkingen 10 2 Geef andere gewenste kopieerinstellingen op. – Druk op [Lijst afdrukken] en geef vervolgens de afdrukmethode op voor het volledige gescande document. Is er meer informatie over de instellingen beschikbaar? % Raadpleeg de overeenkomende sectie raadplegen. ? 11 Geef met behulp van de cijfertoetsen het aantal gewenste kopieën op. 12 Druk op [Start] of druk op de toets [Start].
Kopieerbewerkingen 2 2.32 Afzonderlijke kopieën van elke pagina in een opengespreide pagina maken (functie "Boek kopie") Een open boek of catalogus kan worden gekopieerd met de linker- en rechterpagina's op afzonderlijke vellen papier. De volgende kopieermethoden zijn beschikbaar en er zijn instellingen voor het toevoegen van voor- en achterbladen. Instelling Omschrijving Boek open Beide pagina's van de opengespreide pagina worden op dezelfde pagina afgedrukt.
Kopieerbewerkingen 3 2 Druk op [Toepassing] en druk vervolgens op [Boek kopie/herhaal]. – Om wijzigingen aan de instellingen voor alle toepassingsfuncties te annuleren, drukt u op de toets [Reset]. Alle wijzigingen aan de instellingen worden geannuleerd. Het scherm Boek kopie/Herhaal wordt opnieuw weergegeven. 4 Druk op [Boek kopie]. – [Boekje origineel] verschijnt alleen als de optionele afwerkingseenheid of de rugnieteenheid op de afwerkingseenheid is geïnstalleerd.
Kopieerbewerkingen 2 – – – – Als "Separeren", "Voorblad" of "Voor- & achterblad" is geselecteerd, verschijnt [Inbindpositie]. Selecteer de inbindpositie van het document. Geef desgewenst een functie Boek wissen op. Druk op de knop voor de methode voor het wissen, druk op [-] en [+] om de breedte van het te wissen gebied op te geven en druk vervolgens op "OK". Als u de cijfertoetsen gebruikt om de instellingen op te geven, druk dan op de toets [C] (wissen) om de waarde te wissen en voer de instelling in.
Kopieerbewerkingen 11 12 2 Druk op [Einde] nadat alle documentpagina's zijn gescand. – Als u "Voor- & achterblad" hebt geselecteerd, wordt het achterblad gescand na het voorblad en worden daarna alle opengespreide pagina's in volgorde gescand. – Als u "Voorblad" hebt geselecteerd, worden alle uitgespreide pagina's na het voorblad in volgorde gescand. Druk op de toets [Start].
Kopieerbewerkingen 2 2.33 Kopieafbeeldingen verdelen (functie "Afbeelding herhalen") Een documentafbeelding kan herhaald worden afgedrukt op één vel papier. Het aantal afbeeldingen dat mogelijk kan worden herhaald, wordt automatisch geselecteerd op basis van het formaat van het geplaatste document, het opgegeven papierformaat en de zoomfactor. De volgende formaten en instellingen voor het herhalen zijn beschikbaar.
Kopieerbewerkingen 4 2 Druk op [Afbeelding herh.]. – [Boekje origineel] verschijnt niet als de optionele afwerkingseenheid FS-608 niet is geïnstalleerd. Het scherm Afbeelding herhalen wordt weergegeven. 5 Druk onder "Richting" op [Met marge] of [Zonder marge] of druk op [2/4/8 herhaal]. – Om de functie "Afbeelding herhalen" te annuleren, drukt u op [Nee].
Kopieerbewerkingen 2 6 Controleer het scanformaat onder "Scanbereik", druk op [OK] en druk vervolgens op [Sluit] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. – – Als het documentformaat niet verschijnt onder "Scanbereik" of als u het scangebied wilt opgeven, drukt u op [Bereik instellen] en geeft u vervolgens het scangebied op via een van de schermen. Druk op [Fotoformaat] om het scherm Fotoformaat weer te geven. Om de wijzigingen aan de instellingen te annuleren, drukt u op [Annuleren].
Kopieerbewerkingen 7 Druk in het Basisscherm op [Papier] en selecteer vervolgens de papierlade waarin het papier is geplaatst. – 8 2 Als er instellingen zijn opgegeven in het scherm 2/4/8 herhalen, drukt u op het basisscherm op [Zoom] en geeft u de zoomfactor op. Geef andere gewenste kopieerinstellingen op. – Om de instelling te annuleren en de standaardinstelling te selecteren, drukt u op de toets [Reset]. 9 Geef met behulp van de cijfertoetsen het aantal gewenste kopieën op.
Kopieerbewerkingen 2 2.34 Een vergrote afbeelding op meerdere pagina's kopiëren ("Posterfunctie") Een documentafbeelding kan worden opgesplitst en elk gedeelte van de afbeelding kan vergroot worden afgedrukt. Het doelformaat kan worden opgegeven volgens de afbeeldingsgrootte, de zoomfactor of het papierformaat. 1 Het document op de glasplaat plaatsen. – 2 Raadpleeg "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor meer informatie over het plaatsen van het document.
Kopieerbewerkingen 4 2 Druk onder "Uitvoerformaat" op [Afbeeldingsformaat], [Papierformaat] of [Zoom]. – De standaardinstelling voor het doelformaat is "A2". – – – Druk op [Afbeeldingsformaat], selecteer het doelformaat van de afbeelding en druk vervolgens op [OK]. Druk op of om een andere lijst met standaardformaten weer te geven. Wanneer u op [Aangepasst formaat] drukt, wordt het scherm Aangepast formaat weergegeven.
Kopieerbewerkingen 2 – 5 Druk op [Zoom], gebruik de cijfertoetsen om de gewenste waarde in te voeren en druk vervolgens op [OK]. Controleer het documentformaat en druk vervolgens op [OK]. – – Als het documentformaat niet automatisch kan worden gedetecteerd of als u het documentformaat wilt opgeven, drukt u op [Origineel form.] en geeft u vervolgens het documentformaat op via een van de schermen. Druk op [Fotoformaat] om het scherm Fotoformaat weer te geven.
Kopieerbewerkingen 2 Het scherm Fotoformaat Kunnen formaten in inches worden weergegeven? % Druk op of om een andere lijst met formaten weer te geven. ? ? % Kan een willekeurig formaat worden opgegeven? U kunt elk formaat opgeven via het scherm Aangepast formaat. Druk op [X] of [Y] om de afmeting te selecteren en gebruik vervolgens de cijfertoetsen om de correcte waarde op te geven.
Kopieerbewerkingen 2 2.35 Boekjes kopiëren (functie "Boekje origineel") Een boekje waarvan de nietjes zijn verwijderd, kan worden gekopieerd en met nietjes in het midden worden gebonden om kopieën van het originele boekje te maken. Nietjes ! Detail Raadpleeg "Kopieën in het midden inbinden (instelling "Midden inbinden/vouwen")" op pagina 2-65 voor meer informatie over het nieten.
Kopieerbewerkingen – 2 2 Als u de ADF gebruikt, plaats dan de pagina's met de zijde die de eerste pagina bevat, bovenaan. Druk op [Toepassing] en druk vervolgens op [Boek kopie/herhaal]. – Om wijzigingen aan de instellingen voor alle toepassingsfuncties te annuleren, drukt u op de toets [Reset]. Alle wijzigingen aan de instellingen worden geannuleerd. Het scherm Boek kopie/herhaal wordt opnieuw weergegeven. 3 Druk op [Boekje origineel]. 4 Druk op [Sluit].
Kopieerbewerkingen 2 2.36 De afbeelding aanpassen aan het papier (instellingen "Afbeelding aanpassen") Wanneer het kopieerpapier groter is dan het originele document, kunnen kopieën worden gemaakt waarbij de documentafbeelding wordt gecentreerd en vergroot om het papier te vullen. De afbeelding kan op een van de volgende manieren worden aangepast. Instelling Omschrijving Volledig formaat Het gebied dat de volledige afbeelding bevat, wordt gecentreerd en vergroot volgens het formaat van het papier.
Kopieerbewerkingen 3 Druk op de knop voor de gewenste instelling. – – 4 2 Om de instellingen voor Afb. aanpassen te annuleren, drukt u op [Nee]. Als een document met een afwijkend formaat is geplaatst, wordt het documentformaat niet gedetecteerd. Geef daarom het documentformaat op in het scherm Aangepast formaat en druk vervolgens op de toets [Start]. Controleer het documentformaat en druk vervolgens op [OK].
Kopieerbewerkingen 2 – Druk op [Fotoformaat] om het scherm Fotoformaat weer te geven. Het scherm Fotoformaat Kunnen formaten in inches worden weergegeven? % Druk op of om een andere lijst met formaten weer te geven. ? Kan een willekeurig formaat worden opgegeven? % U kunt elk formaat opgeven via het scherm Aangepast formaat. Druk op [X] of [Y] om de afmeting te selecteren en gebruik vervolgens de cijfertoetsen om de correcte waarde op te geven.
Kopieerbewerkingen 2.37 2 Kopiëren met de pagina-opmaak van een boekje (functie "Boekje") De paginavolgorde van het gescande document wordt automatisch geschikt om dubbelzijdige kopieën te maken in een pagina-opmaak met midden binden, zoals bij een tijdschrift. Nieten is alleen mogelijk als de optionele afwerkingseenheid of de rugnieteenheid op de afwerkingseenheid is geïnstalleerd.
Kopieerbewerkingen 2 3 Druk op [Links inbinden] of [Rechts binden]. – – – 2-138 Als het document alleen pagina's in de liggende stand bevat, worden ze bovenaan gebonden, ongeacht de geselecteerde instelling. Om de instelling te annuleren en de standaardinstelling te selecteren, drukt u op de toets [Reset]. Om de functie "Boekje" te annuleren, drukt u op [Nee]. 4 Druk op [OK]. 5 Geef andere gewenste kopieerinstellingen op. 6 Geef met behulp van de cijfertoetsen het aantal gewenste kopieën op.
Kopieerbewerkingen 2.38 2 De datum/tijd of het paginanummer afdrukken op de kopieën (functies "Stempel/compositie") De datum/tijd of het paginanummer kunnen op een specifieke locatie op de kopieën worden toegevoegd. U kunt ook een distributienummer toevoegen wanneer meerdere kopieën worden gemaakt. De volgende functies voor Stempel/compositie zijn beschikbaar en kunnen worden gecombineerd. Functie Omschrijving Datum/tijd Selecteer een notatie en druk de datum of de tijd af op de opgegeven pagina's.
Kopieerbewerkingen 2 2.39 Het gescande document opslaan in een gebruikersbox (functie "Opslaan in mailbox") Een gescand document kan in een gebruikersbox worden opgeslagen. Documenten die in gebruikersboxen zijn opgeslagen, kunnen worden afgedrukt wanneer dat nodig is. 1 Plaats het document dat moet worden gekopieerd. 2 Druk op [Toepassing] en druk vervolgens op [Opslaan in mailbox]. 3 Druk op [Gebruikersbox]. Een scherm voor het selecteren van een gebruikersbox verschijnt.
Kopieerbewerkingen 4 2 Selecteer de gebruikersbox op waar de gegevens moeten worden opgeslagen. – – – – Druk op het tabblad dat de gewenste gebruikersbox bevat en druk vervolgens op de knop voor de gebruikersbox. Druk op [Gebruikersboxnummer instellen] om een gebruikersboxnummer te typen om de gebruikersbox op te geven. U hoeft geen wachtwoord in te voeren wanneer u gegevens opslaat, zelfs niet als een wachtwoord werd opgegeven voor de box.
Kopieerbewerkingen 2 7 Controleer de naam van het document dat u wilt opslaan. Druk op [Bestandsnaam]. 8 De naam die als standaard is weergegeven, verschijnt naast "Bestandsnaam". – 9 Druk op [OK] nadat u de naam hebt ingevoerd. – 10 Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. Om de functie "Opslaan in mailbox" te annuleren, drukt u op [Nee]. Druk op [OK]. Het scherm Applicatie wordt opnieuw weergegeven. 11 Geef andere gewenste kopieerinstellingen op.
Kopieerbewerkingen 2.40 2 Overzicht van de parameters in de modus Hulpprogramma Lijst van registratiegegevens en parameters Deze sectie beschrijft de knoppen die beschikbaar zijn wanneer u op de toets [Hulpprogramma/teller] drukt. 2 Opmerking De knoppen die in de parameters van de modus Hulpprogramma verschijnen, verschillen afhankelijk van de opgegeven instellingen.
Kopieerbewerkingen 2 Menu eerste niveau Menu tweede niveau Menu derde niveau [2] Gebruikersinstelling [1] Systeeminstelling [1] Taalselectie [2] Meeteenheidinstelling [3] Papierlade-instelling [4] Auto kleurniveau aanpassing [5] Energiespaarinstelling [6] Uitvoerinstelling [7] AE niveau aanpassing [8] Auto papierselectie voor klein origineel [9] Instelling blanco pag.
Kopieerbewerkingen 2 Menu eerste niveau Menu tweede niveau Menu derde niveau [3] Beheerderinstelling [1] Systeeminstelling [1] Energiespaarinstelling [2] Uitvoerinstelling [3] Datum/tijdinstelling [4] Zomertijdinstelling [5] Weektimerinstelling [6] Beperkte gebruikerstoegang [7] Expertaanpassing [8] Lijst/teller [9] Reset instelling [0] Gebruikersboxinstelling (volgend scherm) [2] Stempelinstellingen [3] Instelling blanco pagina afdrukken [2] Beheerder/machine-instelling [1] Beheerder registreren [
Kopieerbewerkingen 2 Menu eerste niveau Menu tweede niveau Menu derde niveau [3] Beheerderinstelling [5] Netwerkinstelling [1] TCP/IP-instelling [2] NetWare instelling [3] http-serverinstellingen [4] FTP-instelling [5] SMB instelling [6] LDAP instelling [7] E-mailinstellingen [8] SNMP instelling [9] AppleTalk instelling [0] Bonjour-instelling (volgend scherm) [1] TCP-socketinstellingen [2] Netwerkfaxinstelling [3] Detailinstelling [6] Kopieerinstelling Auto zoom (glasplaat) Auto zoom (ADF) Kies cass
3 Afdrukbewerkingen
Afdrukbewerkingen 3 3 Afdrukbewerkingen 3.1 Het PCL-stuurprogramma voor Windows instellen Algemene instellingen Hieronder vindt u de beschrijving van de algemene instellingen en de knoppen die op alle tabbladen worden weergegeven. Knop Functie OK Klik op deze knop om het dialoogvenster te sluiten en eventueel gewijzigde instellingen toe te passen. Annuleren Klik op deze knop om eventueel gewijzigde instellingen te annuleren en het dialoogvenster af te sluiten.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Basis Item Functie Origineel richting Bepaalt de richting van het originele document. Origineel formaat Vastleggen van het formaat van het originele document. Papierformaat Stelt het papierformaat voor de uitvoer in. Vergroot of verkleint automatisch wanneer de instelling Origineel formaat is gewijzigd. Zoom Definieert de vergrotings- en verkleiningsfactor. Papierlade Selecteert de papierlade voor het afdrukken.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Omslagfunctie Item Functie Voorblad Voegt een pagina als voorblad toe. Voorbladlade Selecteert de papierlade voor het voorblad. Achterblad Voegt een pagina als achterblad toe. Achterbladlade Selecteert de papierlade voor het achterblad. Voorblad van omslag-invoegeenheid Voegt een voorblad toe vanaf de omslaginvoegeenheid. Achterblad van omslag-invoegeenheid Voegt een achterblad toe vanaf de omslaginvoegeenheid.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Overige Item Functie Besturing Excel-opdracht Bestuurt opdrachten zo, dat ze niet worden gescheiden wanneer u afdrukt in Microsoft Excel. Witte achtergrond verwijderen Verwijdert de witte achtergrond wanneer u een overlaybestand maakt met Microsoft PowerPoint. Als dit selectievakje wordt uitgeschakeld, wordt de achtergrond niet verwijderd en wordt het overlaybestand gemaakt op basis van de originele documentgegevens. Versie stuurprogramma control.
Afdrukbewerkingen 3.2 3 De instellingen voor het tabblad Std opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows) Aangepast aan het papierformaat afdrukken U kunt documenten die werden gemaakt tijdens het afdrukken vergroten of verkleinen zodat ze passen op het papieruitvoerformaat. 1 Klik op het tabblad Std. 2 Selecteer de gewenste instellingen in de vervolgkeuzelijsten "Origineel formaat" en "Papierformaat". – U kunt ook elke vergrotings- of verkleiningsfactor opgeven in het vak "Zoom".
Afdrukbewerkingen 3 Een aangepast formaat opgeven Wanneer wordt afgedrukt op papier met een aangepast formaat, kunt u een vooraf opgeslagen papierformaat selecteren of een waarde voor het papierformaat opgeven zoals hieronder beschreven. 1 Selecteer in de vervolgkeuzelijst "Origineel formaat" of "Papierformaat" de optie "Aangepast formaat". Het dialoogvenster Instellingen aangepast formaat wordt weergegeven.
Afdrukbewerkingen 3 De papiersoort opgeven voor een papierlade U kunt de papiersoort opgeven voor een papierlade. 1 Klik op het tabblad Std. 2 Klik op de knop [Papierinstellingen voor elke lade]. Het dialoogvenster Papierinstellingen voor elke lade wordt weergegeven. 3 Selecteer de gewenste papierlade onder "Instellingen papiertype", selecteer de gewenste papierlade en selecteer vervolgens het papiertype dat moet worden opgegeven in de vervolgkeuzelijst "Papiersoort". 4 Klik op [OK].
Afdrukbewerkingen 3 De uitvoermethode selecteren U kunt niet alleen rechtstreeks afdrukken, maar u kunt ook de optie "Afdruk beveiligen" selecteren, zodat een wachtwoord wordt gevraagd om af te drukken. Een andere optie is "Opslaan in gebr. mailbox" waarmee u gegevens kunt opslaan in de boxen die op de HDD zijn gemaakt. 1 Klik op het tabblad Std. 2 Selecteer de uitvoermethode in de vervolgkeuzelijst "Uitvoermethode". – – – – – Afdrk.: drukt onmiddellijk af.
Afdrukbewerkingen 3 Opslaan in gebr. mailbox Wanneer "Opslaan in gebr. mailbox" of "Opslaan in gebr. mailbox/Afdrukken" is geselecteerd, geeft u de bestandsnaam op die moet worden opgeslagen en het boxnummer voor de opslaglocatie in het dialoogvenster dat verschijnt voor het invoeren van de bestandsnaam en het boxnummer. 2 Opmerking De bestandsnaam en het boxnummer zijn vereist om "Opslaan in gebr. mailbox" vooraf te registreren door te klikken op de knop [Gebruikersinstellingen] onder "Uitvoermethode".
Afdrukbewerkingen 3 De instellingen voor de gebruikersauthenticatie opgeven Als de instellingen werden opgegeven voor de gebruikersauthenticatie, moet u een gebruikersnaam en een wachtwoord opgeven.
Afdrukbewerkingen 3 Als de gebruikersauthenticatie wordt uitgevoerd met een optionele authenticatie-eenheid, geeft u de gebruikersnaam en het wachtwoord op in stap 3. Raadpleeg de handleiding van de authenticatieeenheid voor meer informatie. De instellingen voor de afdelingsregistratie opgeven Als de instellingen werden opgegeven voor de gebruikersregistratie, moet u een afdelingsnaam en een wachtwoord opgeven.
Afdrukbewerkingen 3 3.3 De instellingen voor het tabblad Layout opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows) Meerdere pagina's op één pagina afdrukken (N in 1, Posterfunctie) U kunt bepalen of meerdere pagina's tekst op één pagina moeten worden afgedrukt met N in 1 afdruk, of één vel van een origineel document verdeeld moet worden over meerdere pagina's met de Posterfunctie. 1 Klik op het tabblad Layout.
Afdrukbewerkingen 3 Hoofdstuk U kunt de pagina opgeven die u op de voorzijde wilt afdrukken wanneer u dubbelzijdig of een boekje afdrukt. Zelfs als een opgegeven pagina verschijnt die op de achterzijde moet worden afgedrukt bij dubbelzijdig afdrukken of bij boekje afdrukken, wordt de opgegeven pagina verplaatst en op de voorzijde afgedrukt. 1 Klik op het tabblad Layout. 2 Schakel het selectievakje "Hoofdstuk" in. 3 Voer het paginanummer in van de pagina die u op de voorzijde wilt afdrukken.
Afdrukbewerkingen 3 4 Om de breedte van de inbindmarge in te stellen, klikt u op de knop [Instellingen Inbindmarge] en geeft u vervolgens de gewenste instellingen op in het dialoogvenster Instellingen inbindmarge dat wordt weergegeven. – – – Verschuiffunctie: als u een inbindmarge wilt toevoegen, selecteert u de manier waarop de afbeelding wordt verschoven. Voorzijde/Achterzijde: stelt de waarden in voor de inbindmarge.
Afdrukbewerkingen 3.4 3 De instellingen voor het tabblad Afwerken opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows) Nieten U kunt documenten van meerdere pagina's nieten. 2 Let op De nietfunctie is alleen beschikbaar wanneer de optionele afwerkingseenheid is geïnstalleerd. 1 Klik op het tabblad Afwerking. 2 Schakel het selectievakje "Nieten" in. 3 Geef het aantal nietjes en de nietpositie op via de vervolgkeuzelijst.
Afdrukbewerkingen 3 Perfore’ren U kunt gaatjes perforeren in het afgedrukte document. 2 Let op De perforeerfunctie is alleen beschikbaar wanneer de optionele perforeereenheid is geïnstalleerd op de optionele afwerkingseenheid. 1 Klik op het tabblad Afwerken. 2 Schakel het selectievakje "Perfor." in. 3 Geeft het aantal perforatiegaatjes op via de vervolgkeuzelijst. 2 Opmerking De perforeerpositie wijzigt volgens de inbindpositie die is opgegeven onder "Inbindrichting".
Afdrukbewerkingen 3.5 3 De instellingen voor het tabblad Omslagfunctie opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows) Documenten afdrukken met een voorblad en achterblad 1 Klik op het tabblad Omslagfunctie. 2 Schakel de selectievakjes "Voorblad" en "Achterblad" in. 3 Selecteer de gewenste afdrukinstellingen in de vervolgkeuzelijsten "Voorblad" en "Achterblad". Selecteer "Afdrukken" om af te drukken op het voorblad en het achterblad. Om slechts een lege pagina toe te voegen, selecteert u "Leeg".
Afdrukbewerkingen 3 Meerdere pagina's afdrukken U kunt het afdruktype en de papierlade voor elke pagina opgeven. Dit is handig wanneer u de papierlade wilt wijzigen tijdens een afdrukopdracht wanneer u meerdere pagina's afdrukt. 1 Klik op het tabblad Omslagfunctie. 2 Schakel het selectievakje "Instellingen per pagina" in. 3 Selecteer de naam van de gewenste lijstnaam in de vervolgkeuzelijst "Instellingen per pagina". 4 Klik op de knop [Lijst bewerken].
Afdrukbewerkingen 3 Afdrukken met transparante schutbladen Als "Transparanten" is geselecteerd als het papiertype, kunt u het selectievakje "Schutblad transparant" activeren om de instelling Schutblad transparant in te schakelen. Door het selectievakje "Schutblad transparant" in te schakelen, kunnen er OHP-transparanten worden ingevoegd tussen de afgedrukte pagina's. 1 Klik op het tabblad Omslagfunctie. 2 Schakel het selectievakje "Schutblad transparanten" in.
Afdrukbewerkingen 3 3.6 De instellingen voor het tabblad Stempel/Samenstelling opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows) Een watermerk afdrukken U kunt specifieke tekst op de achtergrond afdrukken als een watermerk. 1 Klik op het tabblad Stempel/Samenstelling. 2 Schakel het selectievakje "Watermerk" in. 3 Selecteer het watermerk dat u wilt afdrukken in de lijst. Een watermerk bewerken U kunt de lettertypen en de positie van het watermerk wijzigen en een nieuw watermerk registreren.
Afdrukbewerkingen 5 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – – – – – – – – – – – – – 6 3 Watermerknaam: geef de naam op van het watermerk. Watermerktekst: voer de tekst in die als watermerk moet worden afgedrukt. [Toev.]: klik op deze knop om een nieuw watermerk te maken. [Wissen]: klik op deze knop om het geselecteerde watermerk te verwijderen. Positie: geef de verticale en horizontale positie op.
Afdrukbewerkingen 3 Verschillende originele documenten samen afdrukken (Overlay) Een origineel document kan bovenop overlay-gegevens die afzonderlijk werden gemaakt, worden afgedrukt. Deze functie is handig wanneer u faxomslagen of formulieren maakt. 2 Opmerking U moet het overlay-bestand dat moet worden afgedrukt maken en vooraf registreren. Raadpleeg "Een overlaybestand bewerken" op pagina 3-25 voor meer informatie. 1 Gebruik een willekeurige toepassing om de afdrukgegevens te maken.
Afdrukbewerkingen 8 Geef de methode voor de overlay-afdruk op. – – 9 3 Pagina’s voor afdruk: definieert de af te drukken pagina's. Overschrijven: definieert de volgorde voor het afdrukken van de overlay bovenop het originele document. Klik op [OK]. Het tabblad Stempel/Samenstelling wordt opnieuw weergegeven. 10 Klik op [OK]. Het dialoogvenster Afdrukken wordt opnieuw weergegeven. 11 Klik op de knop [Afdrukken]. Het afdrukken van de overlay wordt uitgevoerd.
Afdrukbewerkingen 3 5 Schakel het selectievakje "Overlaybestand maken" in. 6 Klik op [OK]. Het dialoogvenster Afdrukken wordt opnieuw weergegeven. 7 Klik op de knop [Afdrukken]. Het dialoogvenster om het overlaybestand op te slaan, wordt weergegeven. 8 Geef de opslaglocatie op voor het overlaybestand, geef de bestandsnaam op in het vak "Bestandsnaam" en voer vervolgens de overlaynaam of een opmerking in het tekstvak "Overlay-naam" in. 9 Klik op de knop [Opslaan].
Afdrukbewerkingen 3 Een overlaybestand registreren 1 Klik op het tabblad Stempel/Samenstelling. 2 Klik op de knop [Bewerken] onder "Afdrukken in overlay". Het dialoogvenster Afdruk in overlay bewerken wordt weergegeven. 3 Klik op de knop [Bestanden zoeken] om het overlaybestand te openen. Het overlaybestand wordt toegevoegd aan de lijst "Overlaybestand selecteren".
Afdrukbewerkingen 3 4 Geef het type en de positie van de kopieerbeveiliging op. Er kunnen meerdere afdrukitems worden opgegeven. – – – – – – – 3-28 Tekens: integreert de geselecteerde tekenreeks in een patroon. U kunt een vooraf geregistreerde tekenreeks (algemene stempel) opgeven of een tekenreeks die op deze machine is geregistreerd (geregistreerde stempel). Datum/tijd: integreert de geselecteerde datum en tijd in een patroon.
Afdrukbewerkingen 5 Selecteer de compositiemethode voor de kopieerbeveiliging. Selecteer "Kopieerbeveiliging" om de gewenste resultaten op te geven wanneer u kopieert of selecteer gewoon "Stempel herhalen". Daarnaast kunt u de voorwaarden voor het integreren selecteren. – – – – 6 3 Patroon: definieert de integratiemethode van een patroon. Patroon overschrijven: definieert de volgorde voor de afdruk van een patroon op het originele document. Achtergrondpatroon: definieert het patroon op de achtergrond.
Afdrukbewerkingen 3 De datum en paginanummers afdrukken U kunt de datum en de paginanummers op een document afdrukken. 1 Klik op het tabblad Stempel/compositie. 2 Schakel het selectievakje "Datum/tijd" of "Paginanummer" in. De selectievakjes "Datum/tijd" en "Paginanummer" kunnen tegelijk worden geselecteerd. 3 Klik op de knop [Bewerken] onder "Paginanummer". Het dialoogvenster Datum/Tijd/Paginanummer bewerken wordt weergegeven.
Afdrukbewerkingen 3.7 3 De instellingen voor het tabblad Kwaliteit opgeven (PCL-stuurprogramma voor Windows) De kleur en kwaliteit aanpassen 1 Klik op het tabblad Kwaliteit. 2 Geef de instellingen op voor het volgende: Item Functie Kies kleur Definieert de kleur voor de afdruk. 4-kleur: drukt af in kleur. Grijswaarden: drukt af in grijswaarden. 2 kleur: drukt af in de twee kleuren die in de vervolgkeuzelijst zijn geselecteerd. Aanpassing van kwaliteit Past de afbeeldingskwaliteit aan.
Afdrukbewerkingen 3 Lettertype-instellingen U kunt de TrueType-lettertypen die in Windows worden gebruikt vervangen door de printerlettertypen van deze machine. 1 Klik op het tabblad Kwaliteit. 2 Klik op de knop [Lettertype-inst.]. 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – 4 Download lettertypeformaat: selecteert de methode voor het downloaden van TrueTypelettertypen. Gebruik printerlettertype: vervangt TrueType-lettertypen door de printerlettertypen.
Afdrukbewerkingen 3.8 3 Het PostScript-stuurprogramma voor Windows instellen Algemene instellingen Hieronder vindt u de beschrijving van de algemene instellingen en de knoppen die op alle tabbladen worden weergegeven. Knop Functie OK Klik op deze knop om het dialoogvenster te sluiten en eventueel gewijzigde instellingen toe te passen. Annuleren Klik op deze knop om eventueel gewijzigde instellingen te annuleren en het dialoogvenster af te sluiten.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Basis Item Functie Origineel richting Bepaalt de richting van het originele document. Origineel formaat Vastleggen van het formaat van het originele document. Papierformaat Stelt het papierformaat voor de uitvoer in. Vergroot of verkleint automatisch wanneer de instelling Origineel formaat is gewijzigd. Zoom Definieert de vergrotings- en verkleiningsfactor. Papierlade Selecteert de papierlade voor het afdrukken.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Omslagfunctie Item Functie Voorbald Voegt een pagina als voorblad toe. Voorbladlade Selecteert de papierlade voor het voorblad. Achterblad Voegt een pagina als achterblad toe. Achterbladlade Selecteert de papierlade voor het achterblad. Voorblad van omslag-invoegeenheid Voegt een voorblad toe vanaf de omslaginvoegeenheid. Achterblad van omslag-invoegeenheid Voegt een achterblad toe vanaf de omslaginvoegeenheid.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Geavanceerd Item Functie Geavanceerde afdrukfuncties Definieert of de gedetailleerde afdrukfuncties moeten worden ingeschakeld (boekje). Optie PostScript-uitvoer Definieert de uitvoerindeling van het PostScript-bestand. PostScript foutbehandeling verzenden Bepaalt of een foutrapport moet worden afgedrukt wanneer er een PostScript-fout optreedt. Gespiegelde uitvoer Keert het document horizontaal om en drukt het vervolgens af.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Configureren Item Functie Apparaatoptie Definieert de status van de opties die op deze machine zijn geïnstalleerd en de status van de gebruikersauthenticatie- en de afdelingsregistratiefuncties. Geef de status op van elk item via de vervolgkeuzelijst "Instelling". Papierlade-informatie Toont de papiersoort die is opgegeven voor elke papierlade. Klik op de knop [Papierlade instelling] om de instellingen voor elke papierlade op te geven.
Afdrukbewerkingen 3 3.9 Het PPD-stuurprogramma voor Mac OS 9.2 instellen De functies op deze machine kunnen worden opgegeven in de dialoogvensters Page Setup en Print die vanaf een toepassing worden weergegeven. De instellingen kunnen alleen worden toegepast terwijl de toepassing wordt gebruikt. Wanneer de toepassing wordt afgesloten, worden de instellingen opnieuw ingesteld naar de standaardwaarden.
Afdrukbewerkingen 3 Dialoogvenster Print Afdrukitems Menu Item Functie Page Attributes Copies Definieert het aantal af te drukken kopieën. Collated Drukt meerdere kopieën af in sets. Color matching Pages Definieert het bereik dat moet worden afgedrukt. Paper Source Selecteert de papierlade. Print Color Definieert de kleur voor de afdruk. Intent Selecteer de methode voor het aanpassen. Printer Profile Definieer het kleuraanpassingsprofiel van het uitvoerapparaat.
Afdrukbewerkingen 3 Menu Item Functie Finishing Options Offset Definieert de verschuiving. Output Tray Selecteert de uitvoerlade. Binding Direction Definieert de inbindpositie. Print Type Voert dubbelzijdig afdrukken in. Combination Drukt een boekje af. Staple Voert het nieten uit. Punch Voert het perforeren uit. Fold Voert het vouwen uit. Front Cover Page Voegt een pagina als voorblad toe. Front Cover Tray Selecteert de papierlade voor het voorblad.
Afdrukbewerkingen 3.10 3 Pagina-instelling (PPD-stuurprogramma voor Mac OS 9.2) Page Attributes (basisinstellingen) 1 Selecteer "Page Setup" of "Paper Setup" in het menu [File]. 2 Selecteer "Page Attributes". 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – Paper: definieert het papierformaat. Orientation: definieert de afdrukrichting. Scale: definieert de vergrotings- en verkleiningsfactor.
Afdrukbewerkingen 3 Custom Page Sizes 1 Selecteer "Page Setup" of "Paper Setup" in het menu [File]. 2 Selecteer "Custom Page Sizes". 3 Klik op de knop [New]. 4 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – – 5 Paper Size: definieert het papierformaat. Margins: definieert de papiermarges. Custom Page Size Name: Voer de geregistreerde naam in voor het opgegeven papierformaat en de marges en klik vervolgens op de knop [OK]. Units: selecteert de opgegeven eenheid. Klik op [OK].
Afdrukbewerkingen 3 PostScript Options 1 Selecteer "Page Setup" of "Paper Setup" in het menu [File]. 2 Selecteer "PostScript Options". 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – – – – CS250/CS240/CS231 Visual Effects: bevat de opties "Flip Horizontal", "Flip Vertical" en "Invert Image" (negatief beeld). Substitute Fonts: vervangt sommige lettertypen door printerlettertypen. Smooth Text: drukt de tekstgegevens vloeiend af. Smooth Graphics: drukt de grafische gegevens vloeiend af.
Afdrukbewerkingen 3 3.11 Afdrukken (PPD-stuurprogramma voor Mac OS 9.2) General (basisinstellingen) 1 Selecteer in het menu [File] de opdracht "Print". 2 Selecteer "General". 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – – 3-44 Copies: definieert het aantal af te drukken kopieën. Collated: drukt meerdere kopieën in sets af. Pages: definieert het bereik dat moet worden afgedrukt. Paper Source: selecteert de papierlade.
Afdrukbewerkingen 3 Layout (Meerdere pagina's op één pagina afdrukken) U kunt opgeven om meerdere pagina's op één pagina afdrukken. 1 Selecteer in het menu [File] de opdracht "Print". 2 Selecteer "Layout". 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – Pages per sheet: definieert het aantal pagina's dat op één pagina wordt afgedrukt. Layout Direction: definieert de paginavolgorde voor het afdrukken van meerdere pagina's op één pagina. Border: definieert de randen rond de pagina's.
Afdrukbewerkingen 3 – – – – – – – Screen (Text): bepaalt het screenen van de tekst in een document. Color Matching (Photo): past de kleurkwaliteit van foto's in een document aan. Pure Black (Photo): bepaalt of de grijswaarden van foto's in een document moeten worden ingeschakeld. Screen (Photo): bepaalt het screenen van foto's in een document. Smoothing (Photo): bepaalt het screenen van foto's in een document.
Afdrukbewerkingen 3.12 3 Instelopties (PPD-stuurprogramma voor Mac OS 9.2) U kunt de opties die op deze machine zijn geïnstalleerd definiëren zodat ze via het printerstuurprogramma kunnen worden gebruikt. 2 Let op Als de geïnstalleerde opties op deze machine niet zijn ingesteld via het venster "Installable Options", kunt u de optiefunctie niet gebruiken met het printerstuurprogramma. Zorg dat u bij het installeren van de opties, de correcte instellingen definieert.
Afdrukbewerkingen 3 3.13 Het PPD-stuurprogramma voor Mac OS X instellen De functies op deze machine kunnen worden opgegeven in de dialoogvensters Page Setup en Print van de toepassing. De instellingen kunnen alleen worden toegepast terwijl de toepassing wordt gebruikt. Wanneer de toepassing wordt afgesloten, worden de instellingen opnieuw ingesteld naar de standaardwaarden.
Afdrukbewerkingen 3 Afdrukitems Menu Item Functie Copies & Pages Copies Definieert het aantal af te drukken kopieën. Collated Drukt meerdere kopieën af in sets. Pages Definieert het bereik dat moet worden afgedrukt. Pages per Sheet Definieert het aantal pagina's dat op één pagina moet worden afgedrukt. Layout Direction Definieert de volgorde van de pagina's van het document. Border Definieert de randen rond de pagina's. Save as File Slaat gegevens op naar een bestand.
Afdrukbewerkingen 3 Menu Item Functie Paper Tray/Output Tray Paper Tray Selecteert de papierlade voor het afdrukken. Paper Type Selecteert de papiersoort voor het afdrukken. Paper Settings for Each Tray Bepaalt de papiersoort voor elke papierlade. Output Tray Bepaalt de lade waar de afgedrukte pagina's worden uitgevoerd. Front Cover Voegt een pagina als voorblad toe. Back Cover Voegt een pagina als achterblad toe. PI Front Cover Voegt een voorblad toe vanaf de omslaginvoegeenheid.
Afdrukbewerkingen 3 Algemene instellingen in het dialoogvenster Print Hieronder worden de algemene instellingen beschreven die worden weergegeven door de specifieke bewerkingen (Output Method, Layout/Finish, Paper Tray/Output Tray, Cover Mode/Transparency Interleave en Per Page Setting) voor deze machine. Item Functie Paper View Een voorbeeld van de paginaopmaak wordt weergegeven zoals gedefinieerd in de huidige instellingen en u kunt een voorbeeldweergave van de afdrukopdracht controleren.
Afdrukbewerkingen 3 3.14 Pagina-instelling (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) Page Attributes (basisinstellingen) 1 Selecteer "Page Setup" of "Paper Setup" in het menu [File]. 2 Selecteer "Page Attributes". 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – Paper Size: definieert het papierformaat. Orientation: definieert de afdrukrichting. Scale: definieert de vergrotings- en verkleiningsfactor. 2 Opmerking Papierformaat "12 × 18" is één maat groter dan A3 papierformaat op 504,8 × 457,2 mm.
Afdrukbewerkingen 3 Custom Page Sizes 1 Selecteer "Page Setup" of "Paper Setup" in het menu [File]. 2 Selecteer voor Mac OS 10.4 de optie "Manage Custom Sizes" in de vervolgkeuzelijst "Paper Size". Selecteer voor Mac OS 10.2 en Mac OS 10.3 de optie "Custom Paper Size" onder "Settings". 3 Klik op de knop [New] (Mac OS 10.2/10.3) of op de knop [+] (Mac OS 10.4). 4 Voer de naam in van het papierformaat.
Afdrukbewerkingen 3 3.15 Afdrukken (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) Algemene instellingen 1 Selecteer in het menu [File] de opdracht "Print". 2 Selecteer "Copies & Pages". 3 Geef de instellingen op voor het volgende: – – – 3-54 Copies: definieert het aantal af te drukken kopieën. Collated: drukt meerdere kopieën in sets af. Pages: definieert het bereik dat moet worden afgedrukt.
Afdrukbewerkingen 3.16 3 Uitvoermethode (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) Collate: drukt meerdere kopieën in sets af. Offset: definieert de verschuiving. Output Method: definieert de uitvoermethode. Raadpleeg "De uitvoermethode selecteren" op pagina 3-55 voor meer informatie. User Authentication: voert de gebruikersauthenticatie uit. Raadpleeg "De instellingen voor de gebruikersauthenticatie opgeven" op pagina 3-57 voor meer informatie. Account Track: voert de gebruikersregistratie uit.
Afdrukbewerkingen 3 Secure Print Als "Secure Print" is geselecteerd, moet u de ID en het wachtwoord opgeven in het dialoogvenster dat wordt weergegeven. 2 Opmerking Door het selectievakje "Save Settings" in te schakelen, worden de opgegeven instellingen opgeslagen. Als het selectievakje "Do not show this window when setting" is ingeschakeld, wordt het dialoogvenster niet weergegeven wanneer de functie is opgegeven. Het dialoogvenster kan worden weergegeven door te klikken op de knop [Detail Settings].
Afdrukbewerkingen 3 2 Opmerking Door het selectievakje "Save Settings" in te schakelen, worden de opgegeven instellingen opgeslagen. Als het selectievakje "Do not show this window when setting" is ingeschakeld, wordt het dialoogvenster niet weergegeven wanneer de functie is opgegeven. Het dialoogvenster kan worden weergegeven door te klikken op de knop [Detail Settings]. Raadpleeg "De insteldetails van de uitvoermethode controleren" op pagina 3-60 voor meer informatie.
Afdrukbewerkingen 3 2 Selecteer "Recipient User" en voer vervolgens de gebruikersnaam en het wachtwoord in. 3 Klik op [OK]. 2 Opmerking Als deze machine werd ingesteld om openbare gebruikers toe te laten, kan de machine worden gebruikt zonder een gebruikersnaam en wachtwoord in te voeren. Als u de gebruikersauthenticatie op een server uitvoert, moeten de serverinstellingen zijn opgegeven. Klik op de knop [User Authentication Server Setting] om de server te selecteren.
Afdrukbewerkingen 3 De instellingen voor de afdelingsregistratie opgeven Als de instellingen werden opgegeven voor de gebruikersregistratie, moet u een afdelingsnaam en een wachtwoord opgeven. 2 Let op Als een opdracht wordt afgedrukt met een afdelingsnaam of wachtwoord die geen geregistreerde account op deze machine is of als een opdracht wordt afgedrukt zonder een gebruiker te selecteren "Account Track", wordt de bewerking niet geverifieerd door deze machine en wordt de opdracht geannuleerd.
Afdrukbewerkingen 3 De insteldetails van de uitvoermethode controleren Door op de knop [Detail Settings] te klikken, worden de functies voor "Output Method" waarvoor gedetailleerde instellingen werden opgegeven, weergegeven. De instellingen kunnen worden weergegeven door op de knop [Expand All] te klikken. Door een functie te selecteren en te klikken op de knop [Settings], wordt het dialoogvenster voor het opgeven van gedetailleerde instellingen voor de geselecteerde functie weergegeven.
Afdrukbewerkingen 3 Administrator Settings: toont het dialoogvenster waarin u de weergave van het dialoogvenster Authenticatie instelling kunt wijzigen of het codeerwachtwoord kunt wijzigen. Popup Authentication Dialog when printing: toont het dialoogvenster User Authentication of Account Track wanneer een afdrukopdracht is opgegeven om een gebruikersnaam of afdelingsnaam op te geven.
Afdrukbewerkingen 3 3.17 Layout/Finish (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) U kunt schakelen tussen het dialoogvenster Layout en het dialoogvenster Finish. Print Type: bepaalt dubbelzijdig afdrukken of boekje afdrukken. Binding Direction: definieert de inbindpositie. Poster Mode: print één pagina van een origineel document af, verspreid over meerdere pagina's. Overlap width line: drukt een overlapbreedtelijn op gesplitste pagina's. Deze instellingen kan worden opgegeven wanneer "Poster Mode" is opgegeven.
Afdrukbewerkingen 3 Punch: definieert het perforeren. Schakel het selectievakje "Punch" in en geef vervolgens het aantal perforatiegaten op via de vervolgkeuzelijst. Saddle Stitch/Fold: definieert om een afgedrukt document te rugnieten of te vouwen. Paper Arrangement: definieert de methode voor het aanpassen van de inbindpositie.
Afdrukbewerkingen 3 2 Opmerking Door het selectievakje "Save Settings" in te schakelen, worden de opgegeven instellingen opgeslagen. Als het selectievakje "Do not show this window when setting" is ingeschakeld, wordt het dialoogvenster niet weergegeven wanneer de functie is opgegeven. Het dialoogvenster kan worden weergegeven door te klikken op de knop [Detail Settings]. Raadpleeg "De instellingsdetails voor de lay-out/afwerking controleren" op pagina 3-65 voor meer informatie.
Afdrukbewerkingen 3 De instellingsdetails voor de lay-out/afwerking controleren Door op de knop [Detail Settings] te klikken, worden de functies voor "Layout/Finish" waarvoor gedetailleerde instellingen werden opgegeven, weergegeven. De instellingen kunnen worden weergegeven door op de knop [Expand All] te klikken. Door een functie te selecteren en te klikken op de knop [Settings], wordt het dialoogvenster voor het opgeven van gedetailleerde instellingen voor de geselecteerde functie weergegeven.
Afdrukbewerkingen 3 3.18 Paper tray/Output tray (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) Paper Tray: selecteert de papierlade voor de afdruk. Paper Type: selecteert het papiertype voor de afdruk. Deze instelling kan worden opgegeven wanneer de papierlade-instelling is ingesteld op "Auto". Paper Settings for Each Tray: definieert het papiertype voor elke papierlade. Raadpleeg "De papiersoort opgeven voor een papierlade" op pagina 3-67 voor meer informatie.
Afdrukbewerkingen 3 De papiersoort opgeven voor een papierlade U kunt de papiersoort opgeven voor een papierlade. 1 Klik op de knop [Paper Settings for Each Tray]. Het dialoogvenster voor het instellen van gedetailleerde instellingen wordt weergegeven. 2 Selecteer de gewenste papierlade en selecteer het gewenste papiertype dat moet worden opgegeven in de vervolgkeuzelijst "Paper Type".
3 3.19 Afdrukbewerkingen Cover mode/Transparency interleave (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) U kunt schakelen tussen het dialoogvenster Cover Mode en het dialoogvenster Transparency Interleave. Front Cover: bevestigt een voorblad. Schakel dit selectievakje in, selecteer de afdrukvoorwaarden in de bovenste vervolgkeuzelijst en selecteer de papierlade die het papier bevat dat moet worden gebruikt in de onderste vervolgkeuzelijst. Back Cover: bevestigt een achterblad.
Afdrukbewerkingen 3 Transparency Interleave: voert schutbladen uit en voegt ze in wanneer u OHP-transparanten afdrukt. Schakel dit selectievakje in en selecteer vervolgens de papierlade die het papier bevat dat moet worden gebruikt in de onderste vervolgkeuzelijst. 2 Opmerking Om een voorblad en achterblad af te drukken, selecteert u "Print". Om slechts een lege pagina toe te voegen, selecteert u "Blank".
Afdrukbewerkingen 3 3.20 Per page setting (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) U kunt het afdruktype en de papierlade voor elke pagina opgeven. Dit is handig wanneer u de papierlade wilt wijzigen tijdens een afdrukopdracht wanneer u meerdere pagina's afdrukt. De instellingen worden toegevoegd aan de lijst met instellingen per pagina en kunnen worden gebruikt zoals nodig. Per Page Setting: hiermee kan de functie voor het instellen per pagina worden gebruikt.
Afdrukbewerkingen 3 De instellingen in Per page setting toevoegen en bewerken 1 Schakel het selectievakje "Per Page Settings" in. 2 Klik op de knop [Add] om een nieuwe instelling toe te voegen aan de lijst. Om de lijst te bewerken, selecteert u de gewenste naam in de lijst en klikt u vervolgens op de knop [Edit]. Het dialoogvenster Per Page Settings voor het opgeven van de afdrukinstellingen, wordt weergegeven. 3 Klik op de knop [Add] om de instelling toe te voegen aan de lijst.
Afdrukbewerkingen 3 3.21 Stamp/Composition (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) Copy Protect: drukt een speciaal patroon af om kopiëren te verhinderen. Date/Time: drukt de datum en tijd af. Page Number: drukt het paginanummer af. Header/Footer: Drukt een koptekst en voettekst af. Afdrukken met kopieerbeveiliging. Tijdens de afdruk kunt u een speciaal patroon afdrukken op een volledige pagina.
Afdrukbewerkingen 3 – Characters: integreert de geselecteerde tekenreeks in een patroon. U kunt een vooraf geregistreerde tekenreeks (algemene stempel) opgeven of een tekenreeks die op deze machine is geregistreerd (geregistreerde stempel). Date/Time: integreert de geselecteerde datum en tijd in een patroon. Serial Number: integreert het serienummer van deze machine in een patroon. Distribution Control Number: integreert het aantal kopieën in een patroon wanneer meerdere kopieën worden afgedrukt.
Afdrukbewerkingen 3 3 Selecteer de compositiemethode voor de kopieerbeveiliging. Selecteer "Copy Protect" om de gewenste resultaten op te geven wanneer u kopieert of selecteer gewoon "Repeatable Stamp". Daarnaast kunt u de voorwaarden voor het integreren selecteren. – – – – 4 Pattern: definieert de integratiemethode van een patroon. Pattern Overwrite: definieert de volgorde voor de afdruk van een patroon op het originele document. Background Pattern: definieert het patroon op de achtergrond.
Afdrukbewerkingen 3 De datum en tijd afdrukken U kunt de datum en tijd op een document afdrukken. 1 Schakel het selectievakje "Date/Time" in. Het dialoogvenster Date/Time wordt weergegeven. 2 Geef de notatie en de afdrukpositie voor de datum en tijd op. – – – – 3 Format: toont de notatie voor de datum en tijd die moeten worden afgedrukt. Pages to Print: definieert de pagina's waarop de datum en tijd moeten worden afgedrukt. Text Color: definieert de kleur van de tekst die moet worden afgedrukt.
Afdrukbewerkingen 3 De paginanummers afdrukken U kunt de paginanummers op een document afdrukken. 1 Schakel het selectievakje "Page Number" in. Het dialoogvenster Page Number wordt geopend. 2 Geef de notatie en de afdrukpositie op voor het afdrukken van het paginanummer. – – – – – 3 Starting Page: definieert de pagina waarop het afdrukken van de paginanummers moet worden gestart. Starting Page Number: definieert het startnummer voor het afdrukken van het paginanummer.
Afdrukbewerkingen 3 Een koptekst en voettekst afdrukken. U kunt een koptekst en een voettekst op een document afdrukken. 1 Schakel het selectievakje "Header/Footer" in. Het dialoogvenster Header/Footer verschijnt. 2 Geef de afdrukinstellingen en de pagina's op voor de koptekst en de voettekst. – – – – 3 Recall Header/Footer: selecteer de koptekst- en voettekstinstellingen die in deze machine zijn geregistreerd.
Afdrukbewerkingen 3 3.22 Quality (PPD-stuurprogramma voor Mac OS X) Select Color: bepaalt of moet worden afgedrukt in kleur of in grijswaarden. Glossy Mode: drukt af met een glanzende afwerking. Color Settings: drukt af met een kwaliteit die geschikt is voor het geselecteerde originele document. Document: drukt af met een kwaliteit die geschikt is voor documenten met veel tekens. Photo: drukt af met een kwaliteit die geschikt is voor foto's.
Afdrukbewerkingen 3.23 3 Een fax verzenden Faxbewerkingen 2 Let op Om de faxfunctie te gebruiken, moet u de optionele faxkit op deze machine installeren. Daarnaast moet u na de installatie, de faxkit inschakelen op het tabblad Configureren. 1 Maak de gegevens die u wilt verzenden met een willekeurige toepassing. 2 Selecteer in het menu [Bestand] de opdracht "Afdrukken". 3 Onder "Printernaam" selecteert u "CS231 FAX"/"CS240 FAX"/"CS250 FAX".
Afdrukbewerkingen 3 9 Klik op [OK]. De faxgegevens worden via deze machine verzonden. 2 Opmerking U kunt maximaal 80 tekens invoeren in het tekstvak "Naam". U kunt maximaal 38 tekens (nummers van 0 tot 9, koppeltekens (-), #, *, P en T) invoeren in het tekstvak "Faxnummer". Om een fax naar het buitenland te verzenden, moet u eerst de landcode invoeren. Wijzig de verzendmodus zoals vereist. ECM: definieert de ECM (Error Correction Mode = foutcorrectiemodus). Als het selectievakje "V.
Afdrukbewerkingen 3 Een ontvanger in het telefoonboek selecteren 2 Opmerking Om het telefoonboek te gebruiken, moeten de namen en faxnummers van de ontvangers eerst aan het telefoonboek worden toegevoegd. Raadpleeg "Een ontvanger toevoegen aan het telefoonboek" op pagina 3-89 voor meer informatie. 1 Wanneer u een fax verzendt, klik dan op de knop [Toevoegen vanaf telefoonboek] in het dialoogvenster Pop-up FAX-verzending.
Afdrukbewerkingen 3 – 4 Als er ontvangers werden toegevoegd aan een groep, kunnen alle leden van de groep worden toegevoegd aan de "Recipient List" (groepsverzending) door een groepsnaam te selecteren en vervolgens op de knop [Toevoegen ontvangers] te klikken. Klik op [OK]. De namen die werden opgegeven, worden toegevoegd aan de "Recipient List" en het dialoogvenster Pop-up FAX-verzending wordt opnieuw weergegeven.
Afdrukbewerkingen 3 Een faxvoorblad maken Wanneer u een fax verzendt, kunt u een voorblad toevoegen aan het faxbericht door het selectievakje "Fax voorblad" in te schakelen in het dialoogvenster Pop-up FAX-verzending. U kunt de voorbladen bewerken via het dialoogvenster Fax-voorbladinstellingen dat verschijnt door te klikken op de knop [Instellingen] in het dialoogvenster Pop-up FAX-verzending.
Afdrukbewerkingen 3 5 Voer de ontvangergegevens in op het tabblad Ontvanger. – – – – – – – – – – 3-84 Standaard: definieert de standaard tekst. Details: definieert de details die beschreven zijn onder "Details ontvangerinstellingen". Laden met naam: toont de ontvanger met gemeenschappelijke namen. De items die worden weergegeven onder "Ontv.lijst" in het dialoogvenster Pop-up FAX-verzending. Verander iedere ontvanger: wijzigt de beschrijving voor elke ontvanger.
Afdrukbewerkingen 6 3 Voer de afzendergegevens in op het tabblad Afzender. Schakel het selectievakje van de informatie die moet worden weergegeven in en voer vervolgens de informatie in. 7 Om afbeeldingen, zoals een bedrijfslogo of een kaart op een voorblad te plaatsen, moet u het afbeeldingsbestand opgeven op het tabblad Afb. Schakel het selectievakje "Zoom" in om het formaat op te geven en stel de positie in met de waarden in de vakken "X" en "Y". 8 Controleer de opgegeven instellingen.
Afdrukbewerkingen 3 3.24 Het faxstuurprogramma voor Windows instellen Algemene instellingen Hieronder vindt u de beschrijving van de algemene instellingen en de knoppen die op alle tabbladen worden weergegeven. Knop Functie OK Klik op deze knop om het dialoogvenster te sluiten en eventueel gewijzigde instellingen toe te passen. Annuleren Klik op deze knop om eventueel gewijzigde instellingen te annuleren en het dialoogvenster af te sluiten.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Fax Item Functie Resolutie Definieert de faxresolutie. Printen ontvangstbestand Drukt het document af nadat de fax is verzonden. Timer verzenden Stelt de verzendtijd in. Wanneer u op [Toon actuele tijd] klikt, wordt de huidige tijd die op de computer is ingesteld, weergegeven in de vakken "Verzendtijd". Sub adres definieert het subadres voor het verzenden van vertrouwelijke faxen met F-codes.
Afdrukbewerkingen 3 Tabblad Instellingen Item Functie Display beperkingsmelding Toont een bericht wanneer functies die niet tegelijk kunnen worden opgegeven, zijn ingeschakeld via het printerstuurprogramma. Papierset weergeven afdrukservereigenschappen. Gebruik het papier dat werd toegevoegd in [Servereigenschappen] van de printermap. Inst.
Afdrukbewerkingen 3.25 3 Een telefoonboek gebruiken Een ontvanger toevoegen aan het telefoonboek Wanneer u een fax verzendt, kunt u de faxnummers die vaak worden gebruikt oproepen door ze toe te voegen aan een telefoonboek. Een telefoonboek kan worden toegevoegd vanaf het tabblad Fax in het dialoogvenster FAX-afdrukvoorkeuren. 1 Klik in het dialoogvenster FAX-afdrukvoorkeuren op de knop [Tel.boek.invoer] op het tabblad Fax. Het dialoogvenster Phone Book Entry wordt weergegeven.
Afdrukbewerkingen 3 – – – – 4 Om een ontvanger toe te voegen aan een groep, schakelt u het selectievakje in van de groep die moet worden toegevoegd. – – – 5 Als u een naam invoert voor een faxvoorblad, kunnen er geen titels worden toegevoegd. Om een titel toe te voegen aan een faxvoorblad, voegt u de titel toe in het tekstvak "Naam". U kunt maximaal 80 tekens invoeren in de tekstvakken "Name", "Company" en "Department".
Afdrukbewerkingen 8 3 Geef de opslaglocatie op, voer de bestandsnaam in en klik vervolgens op de knop [Opslaan]. Het telefoonboek wordt opgeslagen als een bestand. 2 Opmerking Het dialoogvenster Opslaan als verschijnt wanneer een telefoonboek voor de eerste keer wordt geregistreerd. Het dialoogvenster Opslaan als verschijnt niet vanaf de tweede keer dat het telefoonboek wordt gewijzigd. Daarna wordt het telefoonboekbestand automatisch overschreven.
Afdrukbewerkingen 3 Een telefoonboek bewerken U kunt de persoonlijke informatie die werd geregistreerd, gemakkelijk wijzigen, de groepsnamen wijzigen, bewerken of de telefoonboeken organiseren. De persoonlijke informatie wijzigen: Selecteer de naam die u wilt wijzigen onder "Personal List" aan de linkerzijde van het dialoogvenster en klik vervolgens op de konp [Bewerken] aan de rechterzijde.
Afdrukbewerkingen 3 Een geregistreerde ontvanger opslaan in een groep % Selecteer de naam die u wilt wijzigen in de "Personal List" aan de linkerzijde van het dialoogvenster en selecteer of wis het selectievakje van de groep in de vervolgkeuzelijst "Select Group". 2 Opmerking Een ontvanger kan zelfs worden toegevoegd aan een groep door de naam van de ontvanger te slepen van de "Personal List" aan de linkerzijde van het dialoogvenster naar de gewenste groep.
3 3-94 Afdrukbewerkingen CS250/CS240/CS231
4 Mapbewerkingen
Mapbewerkingen 4 4 Mapbewerkingen 4.1 Kopieën opslaan in gebruikersboxen Instellingen die u kunt opslaan en wijzigen De verschillende functies die u kunt opgeven voordat u kopieën maakt, bevatten functies waarvan de instellingen kunnen worden opgeslagen en functies die niet kunnen worden opgeslagen, maar wel kunnen worden ingesteld tijdens het afdrukken.
Mapbewerkingen 4 Gekopieerde documenten opslaan Kopiedocumenten kunnen worden opgeslagen in gebruikersboxen. Geef de volgende informatie op wanneer u kopiedocumenten opslaat. Parameter Omschrijving Gebruikersbox Geef de gebruikersbox op waar de gegevens moeten worden opgeslagen. Bestandsnaam Voer 30 tekens of minder in voor de naam van het document dat moet worden opgeslagen. Pagina afdrukken Om kopieën te maken van het document terwijl u het opslaat, drukt u op [Ja].
Mapbewerkingen 5 4 Druk op het tabblad voor de gewenste gebruikersbox en druk vervolgens op de knop voor de gebruikersbox om deze te selecteren. – Druk op [Gebruikersboxnummer instellen] om een gebruikersboxnummer te typen om de gebruikersbox op te geven. – Om het document op te slaan in de Annotatie gebruikersbox, drukt u op [Systeem] en vervolgens op [Annotatie gebruikersbox] om de gebruikersbox te selecteren. De knop voor de geselecteerde gebruikersbox wordt gemarkeerd.
Mapbewerkingen 4 8 Druk op [OK] nadat u de naam hebt ingevoerd. – – Als u de naam wilt wijzigen, drukt u op [Verwdr.] tot alle tekens verwijderd zijn en typt u vervolgens de nieuwe naam. Druk op de toets [C] (wissen) om de volledige tekst te wissen. 9 Selecteer of er ook al dan niet een kopie moet worden afgedrukt wanneer de gegevens worden opgeslagen. Om een kopie af te drukken, drukt u op [Ja]. 10 Druk op [OK]. 11 Geef de noodzakelijke kopie-instellingen op.
Mapbewerkingen 4.2 4 Scans opslaan in gebruikersboxen Gescande afbeeldingen kunnen in gebruikersboxen worden opgeslagen. U kunt gebruikersboxbestemmingen in het adresboek registreren of u kunt rechtstreeks een gebruikersboxbestemming opgeven. De volgende procedures beschrijven de manier waarop u een gebruikersboxbestemming kunt selecteren of rechtstreeks kunt opgeven en hoe u kunt opslaan via de gebruikersboxfunctie. ! Detail Het document kan worden opgeslagen in de volgende types gebruikersboxen.
Mapbewerkingen 4 3 Druk op de knop voor de gebruikersboxbestemming om deze te selecteren. 4 Geef de noodzakelijke scaninstellingen op. 5 Plaats het document in de ADF of plaats het op de glasplaat. 6 Druk op het bedieningspaneel op de knop [Start]. Het document wordt gescand en de gegevens worden opgeslagen. Bestemmingen rechtstreeks invoeren Het gebruik van het bedieningspaneel om de gebruikersboxbestemming rechtstreeks in te voeren, wordt "Directe invoer" genoemd.
Mapbewerkingen 3 4 Druk op [Gebruikersbox]. Het scherm Opslaan in gebruikersbox wordt weergegeven. 4 Selecteer de gebruikersbox op waar de gegevens moeten worden opgeslagen. Druk op [Gebruikersbox]. – 5 Om het document op te slaan in de Annotatie gebruikersbox, drukt u op [Scaninstellingen], daarna op [Applicatie] en vervolgens op [Annotatie] om de gebruikersbox te selecteren. Druk op het tabblad voor de gewenste gebruikersbox en selecteer vervolgens de gebruikersbox.
Mapbewerkingen 4 6 Controleer de naam van het document dat u wilt opslaan. Druk op [Documentnaam]. – – De standaardnaam verschijnt naast "Documentnaam". Als u de naam wilt wijzigen, drukt u op [Verwijderen] tot alle tekens verwijderd zijn en typt u vervolgens de nieuwe naam. Druk op de toets [C] (wissen) om de volledige tekst te wissen. 7 Voer de documentnaam in en druk op [OK]. 8 Druk op [OK]. Het tabblad Directe invoer verschijnt opnieuw.
Mapbewerkingen 4 Functie Opslaan in gebruikersbox Druk op de toets [Box] op het bedieningspaneel en voer vervolgens de gebruikersboxbestemming rechtstreeks in. Documenten die moeten worden opgeslagen, kunnen op dezelfde manier worden gebruikt als opgeslagen scangegevens. 1 Druk op het bedieningspaneel op de toets [Box]. Het venster Menu Boxbewerkingen verschijnt. 2 Druk op [Document opslaan]. 3 Druk op het tabblad voor de gewenste gebruikersbox en selecteer vervolgens de gebruikersbox.
Mapbewerkingen 4 5 Controleer de naam van het document dat u wilt opslaan. Druk op [Documentnaam]. – – De standaardnaam verschijnt naast "Documentnaam". Als u de naam wilt wijzigen, drukt u op [Verwdr.] tot alle tekens verwijderd zijn en typt u vervolgens de nieuwe naam. Druk op de toets [C] (wissen) om de volledige tekst te wissen. 6 Voer de documentnaam in en druk op [OK]. 7 Druk op [OK]. 8 Geef de noodzakelijke scaninstellingen op. 9 Plaats het document in de ADF of plaats het op de glasplaat.
Mapbewerkingen 4.3 4 Afdrukken opslaan in gebruikersboxen Als het printerstuurprogramma voor deze machine is geïnstalleerd op een computer op het netwerk, kan het document worden opgeslagen in een gebruikersbox met dezelfde bewerking als deze voor het afdrukken. ! Detail Het document kan worden opgeslagen in de volgende types gebruikersboxen. Het gebruikersboxnummer moet worden ingevoerd om het document op te slaan.
Mapbewerkingen 4 4-14 3 Selecteer in de lijst "Uitvoermethode" de optie "Opslaan in gebr. mailbox" of "Opslaan in gebr.box/Afdr.". 4 Typ de bestandsnaam en het boxnummer in het dialoogvenster Gebruikersinstellingen en klik vervolgens op de knop [OK].
Mapbewerkingen 4 5 Klik op [OK]. 6 Klik op [OK] om het afdrukken te starten. ! Detail Als de instellingen voor de gebruikersauthenticatie en gebruikersregistratie zijn opgegeven, klikt u op de knop [Authenticatie/Gebr.registratie] en voert u de gebruikersnaam voor het aanmelden en de gebruikersinformatie in. Gegevens opslaan in de gebruikersbox voor beveiligd afdrukken 1 Klik in de toepassing op "Afdrukken" in het menu "Bestand". 2 Klik op de knop [Eigenschappen] naast de printernaam.
Mapbewerkingen 4 4-16 3 Selecteer in de lijst "Uitvoermethode" de optie "Afdruk beveiligen". 4 Typ de ID en het wachtwoord voor het vertrouwelijke document in het dialoogvenster Gebruikersinstellingen en klik vervolgenvervolgenss op de knop [OK].
Mapbewerkingen 4 5 Klik op [OK]. 6 Klik op [OK] om het afdrukken te starten. ! Detail Als de instellingen voor de gebruikersauthenticatie en gebruikersregistratie zijn opgegeven, klikt u op de knop [Authenticatie/Gebr.registratie] en voert u de gebruikersnaam voor het aanmelden en de gebruikersinformatie in.
Mapbewerkingen 4 4.4 Overzicht van de documentorganisatie Beschikbare bewerkingen in het scherm Document archiveren De volgende bewerkingen kunnen worden uitgevoerd vanaf het scherm Document klasseren. Bewerking Omschrijving Paginaverwijzing Verwijderen Gegevens die niet langer nodig zijn, bijvoorbeeld documenten die al zijn afgedrukt of verzonden, kunnen worden verwijderd. p. 4-23 Wijzig naam U kunt de naam van een opgeslagen document wijzigen. p. 4-24 Verpl. doc.
Mapbewerkingen 4 2 Druk op [Document opnieuw ordenen]. 3 Druk op het tabblad Openbare, Persoonlijke of Groepsgebruikersbox op de knop voor de gewenste gebruikersbox. – – Het tabblad Persoonlijk toont alleen gebruikersboxen die zijn geregistreerd voor de gebruiker die is aangemeld met gebruikersauthenticatie. Het tabblad Groep toont alleen gebruikersboxen voor de account waarbij de gebruiker hoort wanneer de gebruikersregistratie-instellingen zijn opgegeven. 4 Druk op [OK].
Mapbewerkingen 4 De lijst met documenten die in de gebruikersbox zijn opgeslagen, wordt weergegeven. 2 Opmerking Als "Functies verbieden bij authenticatiefout" in de Beheerdermodus is ingesteld op "Modus 2" en als een gebruiker een bepaald aantal keer een verkeerd boxwachtwoord gebruikt, wordt deze box geblokkeerd en kan deze niet langer worden gebruikt Neem contact op met de beheerder om de gebruiksbeperkingen te annuleren.
Mapbewerkingen 4 Om verschillende gegevens, zoals de datum en het tijdstip waarop het document is opgeslagen en de documentnaam, te controleren, drukt u op [Lijstweergave]. De naam van de gebruiker die het document heeft opgeslagen en de modus wanneer het document werd geregistreerd, worden weergegeven. De documentnaam wordt weergegeven. De datum en het tijdstip waarom het document werd opgeslagen, wordt weergegeven. Indrukken om de lijst in oplopende of aflopende volgorde weer te geven.
Mapbewerkingen 4 3 Druk op de knop voor een indexteken om de lijst weer te geven van de gebruikersboxen die met dat indexteken zijn geregistreerd. ! Detail U kunt een gebruikersboxnaam zoeken via het scherm Document opslaan, het scherm Document of het scherm Document opnieuw ordenen. De persoonlijke gebruikersboxen en groepsgebruikersboxen die toegankelijk zijn wanneer een gebruiker is aangemeld, worden eveneens weergegeven.
Mapbewerkingen 4.5 4 Een document verwijderen Documenten die niet langer nodig zijn, zoals documenten die al zijn afgedrukt, kunnen worden verwijderd via het scherm Document archiveren. 1 Selecteer het document dat moet worden verwijderd via het scherm Document opnieuw ordenen. – – – Er kunnen meerdere documenten worden geselecteerd. Druk op [Alles sel.] om alle documenten te selecteren. Om de selectie van alle documenten te annuleren, drukt u op [Reset]. 2 Druk op [Verwijderen].
Mapbewerkingen 4 4.6 De documentnaam wijzigen U kunt de naam van een opgeslagen document wijzigen. 1 Selecteer het document waarvan de naam moet worden gewijzigd via het scherm Document opnieuw ordenen. – 2 U kunt geen naam wijzigen als u meerdere documenten hebt geselecteerd. Druk op [Naam bewerken]. De huidige naam verschijnt. 3 4-24 Typ de nieuwe naam.
Mapbewerkingen 4 4 Druk op [Start]. 2 Opmerking De documentnaam is de naam van het bestand dat u via e-mail of naar een FTP- of SMB-server hebt verzonden. Geef een documentnaam op volgens de voorwaarden van de bestemmingsserver tijdens het verzenden. De documentnaam kan ook worden gewijzigd wanneer het document wordt verzonden.
Mapbewerkingen 4 4.7 Een document verplaatsen Documentgegevens die momenteel zijn opgeslagen in een gebruikersbox kunnen worden verplaatst naar een andere openbare gebruikersbox/persoonlijke gebruikersbox/groepsgebruikersbox. 2 Opmerking U kunt geen document verplaatsen als u meerdere documenten hebt geselecteerd. 1 Selecteer het document dat moet worden verplaatst via het scherm Document opnieuw ordenen. 2 Druk op [Verplaats].
Mapbewerkingen 4 4 Controleer de informatie en druk vervolgens op [Start]. De gegevens worden verplaatst en een bericht verschijnt met de melding dat de bewerking is voltooid. 5 Druk op [OK]. 2 Opmerking De datum en het tijdstip waarop het document werd verplaatst, worden opgeslagen onder "Tijd opgeslagen".
Mapbewerkingen 4 4.8 Een document dupliceren Documentgegevens die momenteel zijn opgeslagen in een gebruikersbox kunnen worden gekopieerd naar een andere openbare gebruikersbox/persoonlijke gebruikersbox/groepsgebruikersbox. 2 Opmerking U kunt geen document kopiëren als u meerdere documenten hebt geselecteerd. 1 Selecteer het document dat moet worden gekopieerd via het scherm Document opnieuw ordenen. 2 Druk op [Kopie]. 3 Geef de gebruikersbox op waarnaar het document moet worden gekopieerd.
Mapbewerkingen 4 4 Controleer de informatie en druk vervolgens op [Start]. De gegevens worden gekopieerd en een bericht verschijnt met de melding dat de bewerking is voltooid. 5 Druk op [OK]. 2 Opmerking De datum en het tijdstip waarop het document werd gekopieerd, worden opgeslagen onder "Tijd opgeslagen".
Mapbewerkingen 4 4.9 Documentdetails controleren De details van de opgeslagen documenten kunnen worden gecontroleerd via het tiptoetsscherm. De volgende informatie kan worden gecontroleerd vanaf het scherm Documentdetails. Item Omschrijving Tij opgesl. Toont de datum en het tijdstip waarop het document werd opgeslagen. Gebruikersnaam Toont de modus (scannen, kopiëren of afdrukken) en de naam van de gebruiker die het document heeft opgeslagen. Bestandsnaam Toont de naam van het document.
Mapbewerkingen 3 4 Controleer de details van het document. – – – 4 Om meerdere documenten te selecteren, drukt u op en om verschillende schermen weer te geven. Om het voorbeeld weer te geven, drukt u op [Voorbeeld]. Om de bewerking uit te voeren vanaf het subweergavegebied, drukt u op [Voorbeeld] in het subweergavegebied en druk vervolgens op [Detail]. Druk op [Sluit] nadat u het document hebt gecontroleerd.
Mapbewerkingen 4 Bewerkingen Voorbeeldscherm Wanneer u op [Voorbeeld] drukt in het scherm Documentdetails, wordt het scherm Vergrote miniatuurweergave weergegeven. De afbeelding kan op volledig formaat worden weergegeven of op een formaat dat 2, 4 of 8 keer groter is dan het normale formaat. De procedure voor het controleren van de afbeelding die 4 keer groter is dan het normale formaat, wordt hieronder beschreven.
Mapbewerkingen 4 – 3 Wanneer de selectie naar beneden wordt verplaatst: Druk op [Sluit] nadat u de afbeelding hebt gecontroleerd.
Mapbewerkingen 4 4.10 Overzicht van de afdruk van documenten Beschikbare bewerkingen in het scherm Document gebruiken De volgende bewerkingen kunnen worden uitgevoerd vanaf het scherm Document gebruiken. Bewerking Omschrijving Paginaverwijzing Afdrukinstelling Documenten die in de modus Kopie, Fax/Scan of Afdrukken in gebruikersboxen zijn opgeslagen, kunnen worden afgedrukt.
Mapbewerkingen 4 2 Druk op [Document]. 3 Druk op het tabblad Openbare, Persoonlijke of Groepsgebruikersbox op de knop voor de gewenste gebruikersbox. – – Het tabblad Persoonlijk toont alleen gebruikersboxen die zijn geregistreerd voor de gebruiker die is aangemeld met gebruikersauthenticatie. Het tabblad Groep toont alleen gebruikersboxen voor de account waarbij de gebruiker hoort wanneer de gebruikersregistratie-instellingen zijn opgegeven. 4 Druk op [OK].
Mapbewerkingen 4 De lijst met documenten die in de gebruikersbox zijn opgeslagen, wordt weergegeven. 2 Opmerking Als "Functies verbieden bij authenticatiefout" in de Beheerdermodus is ingesteld op "Modus 2" en als een gebruiker een bepaald aantal keer een verkeerd boxwachtwoord gebruikt, wordt deze box geblokkeerd en kan deze niet langer worden gebruikt Neem contact op met de beheerder om de gebruiksbeperkingen te annuleren.
Mapbewerkingen 4.11 4 Afdrukken Beschikbare afdrukinstellingen De instellingen voor het volgende kunnen worden opgegeven wanneer een document wordt afgedrukt. Beschikbare parameters Omschrijving Paginaverwijzing Aantal sets Bepaal het aantal exemplaren dat moet worden afgedrukt. p. 4-39 Printen Selecteer of u enkel- of dubbelzijdig wilt afdrukken. p. 4-39 Afwerking Geef de instellingen op voor het sorteren, groeperen, nieten, perforeren, vouwen/inbinden of midden nieten/vouwen. p.
Mapbewerkingen 4 2 Druk onder "Gebruiken" op [Printen]. 3 Selecteer de afdrukinstellingen. 4 Druk op [Start] of druk op het bedieningspaneel op de toets [Start]. ! Detail Raadpleeg de beschrijvingen die starten met pagina 4-39 voor details over het wijzigen van de instellingen.
Mapbewerkingen 4 Het aantal exemplaren wijzigen Bepaal het aantal exemplaren dat moet worden afgedrukt. % Gebruik de cijfertoetsen in het scherm Afdrukinstelling om het gewenste aantal kopieën in te voeren. – – Het aantal exemplaren kan worden ingesteld tussen 1 en 9.999. Om het aantal exemplaren opnieuw in te stellen op "1", drukt u op de toets [C] (wissen). Enkelzijdig/dubbelzijdig afdrukken opgeven Bepaal of een enkelzijdige of dubbelzijdige kopie van het document moet worden gemaakt.
Mapbewerkingen 4 Afwerkingsinstellingen definiëren Geef de instellingen op voor het sorteren, groeperen, nieten, perforeren, vouwen/inbinden of midden nieten/vouwen. Parameter Omschrijving Sorteren Selecteer deze instelling om kopieën van het documenten per set uit te voeren. Groep Selecteer deze instelling om kopieën van het documenten per pagina uit te voeren. Offset Selecteer deze instelling om de sets of pagina's van de kopieën te scheiden.
Mapbewerkingen 4 2 Let op Om een instelling voor Vouwen/Inbinden of Midden nieten/Vouwen te selecteren, moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan. De papierbreedte moet tussen 182 en 314 mm liggen. De papierlengte moet tussen 257 en 458 mm liggen. Om een instelling Vouwen/ Inbinden of Midden binden/vouwen te gebruiken, moet een optionele afwerkingseenheid worden geïnstalleerd. 1 Druk in het scherm Afdrukinstelling op [Afwerking]. 2 Druk op [Sorteren] of [Groep].
Mapbewerkingen 4 4 Druk op [Positie] om de positie van de nietjes en de perforatiegaten te definiëren. 5 Druk op de knop voor de gewenste positie en druk vervolgens op [OK]. 6 4-42 – Wanneer de nieten instelling "Hoek" is geselecteerd: – Wanneer de nieten instelling "2 positie" is geselecteerd: – Wanneer een perforeerinstelling is geselecteerd: Als de afwerkingseenheid FS-519 is geïnstalleerd, drukt u op [Midden nieten/vouwen].
Mapbewerkingen 4 7 Als u op [Vouwen/ Inbinden] hebt gedrukt, drukt u op [Ja] en selecteert u vervolgens de gewenste vouwmethode. 8 Als u op [Midden binden/vouwen] hebt gedrukt, drukt u op [Ja] en selecteert u vervolgens de gewenste vouwmethode. – 9 Om de positie van het midden nieten en midden vouwen aan te passen, drukt u op [Positie aanpassen] en geeft u vervolgens een aanpassing op tussen -10 en +10. Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Mapbewerkingen 4 4.12 Gecombineerd afdrukken Beschikbare gecombineerde afdrukparameters U kunt meerdere documenten tegelijkertijd afdrukken. U kunt maximaal 10 documenten selecteren voor een gelijktijdige afdruk. U kunt extra instellingen, zoals het aantal kopieën, opgeven voor het geselecteerde document. U kunt de instellingen voor de volgende items definiëren. Beschikbare parameters Omschrijving Paginaverwijzing Aantal sets Bepaal het aantal exemplaren dat moet worden afgedrukt. p.
Mapbewerkingen 4 2 Druk onder "Gebruik" op [Comb. inst.]. 3 Geef de combinatievolgorde op. – – 4 Selecteer de twee documenten waarvan de volgorde moet worden verwisseld. De documenten worden gecombineerd en in de hier opgegeven volgorde afgedrukt. Druk op [OK].
Mapbewerkingen 4 5 Selecteer de afdrukinstellingen. 6 Druk op [Start] of druk op het bedieningspaneel op de toets [Start]. ! Detail Raadpleeg de beschrijvingen die starten met pagina 4-39 voor details over het wijzigen van de instellingen.
Mapbewerkingen 4.13 4 Overzicht van documentverzendingen Beschikbare bewerkingen voor het verzenden van documenten Documentgegevens die in een gebruikersbox zijn opgeslagen, kunnen met drie verschillende methoden worden verzonden. De gegevens kunnen eenvoudig worden gerouteerd door met deze machine een bestemming te registreren in plaats van de gegevens via verschillende computers te verzenden. Methode Omschrijving E-mail De documentgegevens kunnen als bijlage bij een e-mail worden verzonden.
Mapbewerkingen 4 Documenten die in gebruikersboxen zijn opgeslagen, controleren In de volgende procedure wordt beschreven hoe u de lijst met documenten die in gebruikersboxen zijn opgeslagen, kunt controleren. 1 Druk op het bedieningspaneel op de toets [Box]. 2 Druk op [Document]. 3 Druk op het tabblad Openbare, Persoonlijke of Groepsgebruikersbox op de knop voor de gewenste gebruikersbox.
Mapbewerkingen 5 4 Als een wachtwoord is ingesteld voor deze gebruikersbox, typt u het wachtwoord en drukt u vervolgens op [OK]. De lijst met documenten die in de gebruikersbox zijn opgeslagen, wordt weergegeven.
Mapbewerkingen 4 Een document verzenden 1 Selecteer het document dat moet worden verzonden via het scherm Document. 2 Druk onder "Gebruiken" op [Verzenden]. 3 Geef de bestemming en de verzendinstellingen op. 4 Druk op [Start] of druk op het bedieningspaneel op de toets [Start]. 2 Opmerking Als er beperkingen zijn op de documentnaam volgens de voorwaarden van de doelserver, is het mogelijk dat u de verzending niet zult kunnen uitvoeren.
Mapbewerkingen 4.14 4 Beveiligd printen gebruikersbox Beschikbare afdrukparameters De instellingen voor het volgende kunnen worden opgegeven wanneer een document wordt afgedrukt. Beschikbare parameters Omschrijving Paginaverwijzing Kopien Bepaal het aantal exemplaren dat moet worden afgedrukt. p. 4-39 Printen Selecteer of u enkel- of dubbelzijdig wilt afdrukken. p. 4-39 Afwerking Geef de instellingen op voor het sorteren, groeperen, nieten, perforeren, vouwen/inbinden of midden nieten/vouwen.
Mapbewerkingen 4 2 Druk op [Systeem]. 3 Druk op [Beveiligd afdrukken Gebruikersbox] en druk vervolgens op [OK]. 4 Geef de ID op voor de vertrouwelijke box en druk vervolgens op [OK]. 5 Geef het wachtwoord op voor de vertrouwelijke box en druk vervolgens op [OK]. Een lijst van de documenten die kunnen worden afgedrukt, worden weergegeven.
Mapbewerkingen 4 6 Selecteer het document dat u wilt afdrukken. 7 Druk onder "Gebruiken" op [Printen]. 8 Selecteer de afdrukinstellingen. 9 Druk op [Start] of druk op het bedieningspaneel op de toets [Start]. ! Detail Raadpleeg de beschrijvingen die starten met pagina 4-39 voor details over het wijzigen van de instellingen.
Mapbewerkingen 4 Een document afdrukken (Modus 2) Volg de hieronder beschreven procedure wanneer "Functies verbieden bij authenticatiefout" (wordt weergegeven door op [Beveilingsinstellingen] te drukken in het scherm Beheerderinstellingen, en vervolgens op [Beveiligingsdetails]) is ingesteld op "Modus 2". 4-54 1 Druk op [Document]. 2 Druk op [Systeem]. 3 Druk op [Beveiligd afdrukken gebruikersbox] en druk vervolgens op [OK].
Mapbewerkingen 4 4 Geef de ID op voor het beveiligde document en druk vervolgens op [OK]. Een lijst van de documenten die kunnen worden afgedrukt, worden weergegeven. 5 Selecteer het document dat u wilt afdrukken en druk vervolgens op [Wachtwoord invoeren]. 6 Geef het wachtwoord op voor het beveiligde document en druk vervolgens op [OK]. 7 Druk onder "Gebruik" op [Afdrukinstelling].
Mapbewerkingen 4 8 Selecteer de afdrukinstellingen. – 9 4-56 Zie "Een document afdrukken" op pagina 4-37 voor details over het wijzigen van de instellingen. Druk op [Start] of druk op het bedieningspaneel op de toets [Start].
Mapbewerkingen 4.15 4 Gebruikersbox gecodeerde PDF Om een document dat in de Gebruikersbox gecodeerde PDF is opgeslagen, moet het wachtwoord dat werd opgegeven op het ogenblik dat het document werd opgeslagen, worden ingevoerd. ! Detail De documenten worden opgeslagen in de gecodeerde PDF gebruikersbox door gebruik te maken van Web Connection of Direct Print. Raadpleeg de handleiding van de overeenkomende software voor details over het opslaan van documenten. Afdrukken 1 Druk op [Document].
Mapbewerkingen 4 4-58 4 Selecteer het document dat u wilt afdrukken. 5 Druk onder "Gebruiken" op [Printen]. 6 Voer het wachtwoord in en druk op [OK].
Mapbewerkingen 4 Verwijderen 1 Druk op [Document]. 2 Druk op [Systeem]. 3 Druk op [Gecodeerde PDF Gebruikersbox] en vervolgens op [OK].
Mapbewerkingen 4 4-60 4 Selecteer het document dat u wilt verwijderen. 5 Druk onder "Gebruiken" op [Verwijderen]. 6 Controleer het bericht, druk op [Ja] om het document te verwijderen en druk op [OK].
5 Netwerkscannerbewerkingen
Netwerkscannerbewerkingen 5 Netwerkscannerbewerkingen 5.1 Scan/faxprogramma's gebruiken 5 Een reeks scaninstellingen en ontvangergegevens kunnen samen worden geregistreerd als een programma. Deze functie is handig wanneer u vaak documenten scant en gegevens verzendt onder dezelfde omstandigheden. Volg de onderstaande procedure om een scan/faxprogramma te registreren en op te roepen. ! Detail U kunt tot 400 normale programma's en 12 tijdelijke programma's, die tijdelijk beschikbaar zijn, registreren.
Netwerkscannerbewerkingen 5 3 Druk op de knop voor het programma dat moet worden opgeroepen. – – 4 Ga naar stap 7 om door te gaan zonder de instellingen die bij het geselecteerde programma zijn geregistreerd, te controleren. Om het oproepen van een programma te stoppen, drukt u op [Reset] of op de toets [Geheugenfunctie]. Druk op [Functiecontrole]. Het scherm Instellingen scan/faxprogramma's controleren wordt weergegeven. 5 Druk op de knop voor de instelling die moet worden gecontroleerd.
Netwerkscannerbewerkingen – – – Om de scaninstellingen te controleren voor het document, zoals de documentkwaliteit, de bevestigen en de grootte van het scangebied, drukt u op [Scaninstellingen controleren]. Er zijn drie schermen Scaninstellingen controleren. Het nummer van het momenteel weergegeven scherm verschijnt rechts van de schermtitel. Druk op [ Achter] om het vorige scherm weer te geven. Druk op [Doorst ] om het volgende scherm weer te geven. – Druk op [Controleer orig.
Netwerkscannerbewerkingen 5 – 6 Om de e-mailbestemming voor de notificatie van het voltooien van opdrachten te controleren, druk dan op [Controleer URLnotif.adresinst.]. Druk op [Sluit] nadat u de instellingen hebt gecontroleerd. Het scherm Scan/Faxprogramma oproepen wordt opnieuw weergegeven. 7 5-6 Druk op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen 5 Scan/faxprogramma's registreren 1 Druk op het bedieningspaneel op de knop [Fax/Scan]. Het scherm voor de Fax/scanfunctie wordt weergegeven. 2 Druk op [Scaninstellingen], [Orig. instel.] of [Comm. instelling], en geef vervolgens de gewenste scaninstellingen op. 3 Druk op de toets [Geheugenfunctie]. Het scherm Scan/Faxprogramma oproepen wordt weergegeven. 4 Druk op de knop waar het programma moet worden opgeslagen. 5 Druk op [Kopieerprogr. reg.].
Netwerkscannerbewerkingen 5 6 Druk op [Naam] en gebruik vervolgens het bedieningspaneel en het toetsenbord dat op het tiptoetsscherm verschijnt om de naam van het programma in te voeren. – De programmanaam kan maximaal 24 tekens bevatten. – Om het registreren van een programma te stoppen, drukt u op [Reset] of op de toets [Geheugenfunctie]. Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. – 7 Druk op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen – Om de bestemming rechtstreeks in te voeren, selecteert u het bestemmingstype en voert u vervolgens de bestemmingsinformatie in. Selecteer voor een gebruikersboxbestemming een eerder gemaakte gebruikersbox. 9 Druk op [Sluiten]. 10 Om e-mailnotificaties te verzenden over het voltooien van opdrachten, druk dan op [Controleer URLnotif.adresinst.]. – – 11 De bestemmingen die kunnen worden opgegeven voor URL-notificaties zijn FTP-, SMB- of gebruikersboxbestemmingen.
Netwerkscannerbewerkingen 5 13 Druk op [OK]. Het scherm Scan/Faxprogramma oproepen wordt opnieuw weergegeven. Het programma wordt geregistreerd en een knop met de opgegeven naam van het programma verschijnt. 14 Druk op [OK]. Scan/faxprogramma's bewerken en verwijderen De namen van geregistreerde scan/faxprogramma's kunnen worden bewerkt of het programma kan worden verwijderd. 1 Druk op het bedieningspaneel op de knop [Fax/Scan]. Het scherm voor de Fax/scanfunctie wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 3 Druk op de knop voor het programma dat moet worden bewerkt of verwijderd. – – – – – – – 4 5 Om de instellingen van het geselecteerde programma te controleren, drukt u op [Functiecontrole]. Selecteer de items die moeten worden gecontroleerd in het scherm Instellingen scan/faxprogramma's controleren. Om het bewerken of controleren van een programma te stoppen, drukt u op [Reset] of op de toets [Geheugenfunctie].
Netwerkscannerbewerkingen 5 5.2 Gegevens verzenden in een e-mailbericht (scan naar e-mail) Scan naar e-mail De bewerking Scan naar E-mail wordt gebruikt om scangegevens als bestandsbijlage te verzenden naar een opgegeven e-mailadres. Ontvangers kunnen worden geselecteerd uit bestemmingen die in het adresboek zijn geregistreerd of kunnen rechtstreeks worden ingevoerd.
Netwerkscannerbewerkingen 2 5 Druk op [Adresboek]. – De index verschijnt als "Standaard adresboek" (wordt weergegeven door op [Aangepaste weergave inst.] te drukken in het scherm Gebruikersinstellingen en vervolgens op [Fax/Scaninstellingen] te drukken) is ingesteld op "Index". Als "Adrestype" is geselecteerd, wordt de index van de bestemmingstypes weergegeven. – Het overeenkomende adres verschijnt als de naam van de geregistreerde bestemming wanneer op een indexknop wordt gedrukt.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Een groepsbestemming selecteren "Groep" verwijst naar meerdere bestemmingen die samen zijn geregistreerd. Volg de hieronder beschreven procedure om gegevens te verzenden door een groep te selecteren die vooraf werd geregistreerd. Raadpleeg "Een groepsbestemming registreren" op pagina 5-82 voor meer informatie over het registreren van groepsbestemmingen.
Netwerkscannerbewerkingen 4 5 Selecteer de bestemming waarnaar de gegevens moeten worden verzonden en druk vervolgens op [OK]. – Druk op [Alles sel.] om alle bestemmingen te selecteren. – Om de selectie van alle bestemmingen op te heffen, drukt u op [Reset]. – Er kunnen extra bestemmingen worden toegevoegd door het adres rechtstreeks in te voeren. De knop wordt gemarkeerd weergegeven en de bestemming verschijnt onder "Adressenlijst uitzending".
Netwerkscannerbewerkingen 5 2 Druk op [E-mail] op het scherm Directe invoer Een scherm waarin u het adres van de bestemming kunt invoeren verschijnt. Waarom wordt het tabblad Directe invoer niet weergegeven? % Als "Handmatig bestemming invoeren" (wordt weergegeven door op [Beveiligingsinstellingen] te drukken op het scherm Beheerderinstelling en vervolgens op [Beveiligingsdetails]) is ingesteld op "Beperken", verschijnt het tabblad Directe inv. niet.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Een bestemming die u zoekt, selecteren Volg de onderstaande procedure om de gewenste bestemming te zoeken. Deze procedure beschrijft een geavanceerde zoekactie. Parameter Omschrijving Index Deze knop verschijnt als "Standaard adresboek" (wordt weergegeven door op [Aangepaste weergave inst.] te drukken in het scherm Gebruikers instellingen en vervolgens op [Fax/Scaninstellingen] te drukken) is ingesteld op "Adrestype".
Netwerkscannerbewerkingen 5 3 Druk op [Naam] of [Adres] om de uit te voeren zoekactie te selecteren. 4 Voer de tekst in die u wilt zoeken en druk vervolgens op [OK]. Het scherm Detail zoeken verschijnt opnieuw en de zoekresultaten worden weergegeven. 5 5-18 Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen 5 Een bestemming selecteren met een adreszoekactie Als de LDAP-serverinstellingen zijn opgegeven in de Beheerdersmodus, verschijnt [LDAP zoeken] in het scherm van de fax/scanfunctie. ! Detail Als "Handmatig bestemming invoeren" (wordt weergegeven door op [Beveiligingsinstellingen] te drukken op het scherm Beheerderinstelling en vervolgens op [Beveiligingsdetails]) is ingesteld op "Beperken", verschijnt [LDAP zoeken] niet.
Netwerkscannerbewerkingen 5 – 4 5 5-20 Wanneer er meerdere LDAP-servers zijn Geef de zoekvoorwaarden op. – Als "Basis zoeken" is geselecteerd, typt u het trefwoord in dat u wilt zoeken en drukt u vervolgens op [Zoeken starten]. – Als "Geavanc. zoeken" is geselecteerd, kiest u de zoekvoorwaardetypes en typt u de tekst die u wilt zoeken. Druk vervolgens op [Zoeken starten]. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen 5.3 5 Gegevens verzenden naar een computer op het netwerk (Scan naar SMB) Scan naar SMB De scangegevens kunnen rechtstreeks naar een specifieke op het netwerk aangesloten computer worden verzonden. Om een bewerkte Scan naar SMB uit te voeren, moet u eerst de instellingen voor gedeelde bestanden in Windows opgeven op de computer die de gegevens ontvangt. U kunt bestemmingen selecteren voor Scan naar SMB-bewerkingen met een van de volgende methoden.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Een bestemming uit het adresboek selecteren Volg de hieronder beschreven procedure om gegevens te verzenden door een ontvanger te selecteren uit de reeds geregistreerde bestemmingen. Raadpleeg "Een adresboekbestemming registreren" op pagina 5-72 voor meer informatie over het registreren van bestemmingen. 1 Druk op het bedieningspaneel op de knop [Fax/Scan]. Het scherm voor de Fax/scanfunctie wordt weergegeven. 2 Druk op [Adresboek].
Netwerkscannerbewerkingen 3 5 Druk op een bestemmingsknop om het adres te selecteren. – Er kunnen meerdere bestemmingen tegelijk worden opgegeven. – Er kunnen extra bestemmingen worden toegevoegd door het adres rechtstreeks in te voeren. De knop wordt gemarkeerd weergegeven en de bestemming verschijnt onder "Adressenlijst uitzending". 4 Druk op [Scaninstellingen], [Origineel instellingen] of [Comm. instelling], en geef vervolgens de gewenste scaninstellingen op.
Netwerkscannerbewerkingen 5 1 Druk op het bedieningspaneel op de knop [Fax/Scan]. Het scherm voor de Fax/scanfunctie wordt weergegeven. 2 Druk op [PC (SMB)] op het scherm Directe invoer. Een scherm verschijnt waarin u de hostnaam voor de bestemming en het bestandspad kunt opgeven.
Netwerkscannerbewerkingen 4 5 Druk op [Scaninstellingen], [Origineel instellingen] of [Comm. instelling], en geef vervolgens de gewenste scaninstellingen op. – Raadpleeg "Scan- en verzendinstellingen opgeven (Scaninstellingen/Origineelinstellingen/Communicatie-instellingen)" op pagina 5-30 voor meer informatie over de scaninstellingen. 5 Plaats het document in de ADF of plaats het op de glasplaat. 6 Druk op het bedieningspaneel op de knop [Start].
Netwerkscannerbewerkingen 5 5.4 Gegevens verzenden naar een server (Scan naar FTP) Scan naar FTP De bewerking Scan naar FTP kan worden gebruikt in een netwerkomgeving met een FTP-server. De scangegevens kunnen worden verzonden naar een opgegeven map op een FTP-server op het netwerk. Dit is geschikt voor het verzenden van grote gegevens, zoals gegevens met een hoge resolutie. U kunt de volgende methoden gebruiken om bestemmingen te selecteren.
Netwerkscannerbewerkingen 2 5 Druk op [Adresboek]. – De index verschijnt als "Standaard adresboek" (wordt weergegeven door op [Aangepaste weergave inst.] te drukken in het scherm Gebruikersinstellingen en vervolgens op [Fax/Scaninstellingen] te drukken) is ingesteld op "Index". Als "Adrestype" is geselecteerd, wordt de index van de bestemmingstypes weergegeven. – Het overeenkomende adres verschijnt als de naam van de geregistreerde bestemming wanneer op een indexknop wordt gedrukt.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Adressen direct invoeren Het gebruik van het bedieningspaneel om het bestemmingsadres rechtstreeks in te voeren tijdens het scannen, wordt "Directe invoer" genoemd. U kunt de instellingen voor de volgende items definiëren. Parameter Omschrijving Hostnaam Geef de hostnaam of het IP-adres voor de bestemming op. Gebruik het toetsenbord dat verschijnt om te typen en druk vervolgens op [OK]. Bestandspad Geef het pad naar de bestemmingsmap op.
Netwerkscannerbewerkingen 3 5 Voer de bestemmingsinformatie in. – Druk op [Volg bestem.] om een extra adres op te geven en voer vervolgens de informatie in. De ingevoerde adressen verschijnen onder "Adressenlijst uitzending". 4 Om geavanceerde instellingen op te geven, drukt u op [Gedetaill. instellingen] en geeft u de instellingen op. 5 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. 6 Druk op [Scaninstellingen], [Origineel inst.] of [Comm.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5.5 Scan- en verzendinstellingen opgeven (Scaninstellingen/Origineelinstellingen/Communicatie-instellingen) Instellingen die kunnen worden opgegeven Druk in het scherm van de fax/scanfunctie op [Scaninstellingen], [Orig. instel.] of [Communicatie-instelling] om gedetailleerde instellingen op te geven voor het scannen en verzenden. U kunt de instellingen voor de volgende items definiëren.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Instellingen voor originelen Parameter Omschrijving Paginaverwijzing Gemengd origineel Selecteer deze instelling wanneer u een document plaatst dat verschillende paginaformaten bevat. p. 5-65 Z-vouw origineel Selecteer deze instelling wanneer u een zigzag-gevouwen document plaatst. p. 5-65 Lang origineel Selecteer deze instelling voor documenten die langer zijn dan het standaardformaat. p. 5-65 Origineelrichting Selecteer de richting van het geplaatste document.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Original Type Selecteer de geschikte instelling uit de volgende vijf instellingen voor de afbeeldingskwaliteit volgens het type document dat wordt gescand. Instelling Omschrijving Tekst Selecteer deze instelling voor documenten die alleen uit tekst bestaan. Tekst/foto Selecteer deze instelling voor documenten die zowel uit tekst als uit foto's bestaan (halftoon). Foto Selecteer deze instelling voor documenten die alleen uit foto's bestaan (halftoon).
Netwerkscannerbewerkingen 5 4 Als "Tekst/foto" of "Foto" is geselecteerd, selecteert u het fototype en drukt u vervolgens op [OK]. 5 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. Simplex/Duplex Selecteer of u een enkel- of dubbelzijdig document wilt scannen. Instelling Omschrijving 1-zijdig Selecteer deze instelling om een enkelzijdig document te scannen. 2-zijdig Selecteer deze instelling om een dubbelzijdig document te scannen.
Netwerkscannerbewerkingen 5 4 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. Resolutie Selecteer de resolutie voor het scannen. 5-34 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Resolutie]. 3 Selecteer de resolutie. 4 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Bestandstype Selecteer de bestandindeling voor het opslaan van de scangegevens. De volgende vier bestandsindelingen zijn beschikbaar. Bestandstype Instelling Omschrijving PDF Selecteer deze instelling om de gegevens in PDF-indeling op te slaan. Compact PDF Selecteer deze instelling om de gegevens in een sterk gecomprimeerde PDF-indeling op te slaan. TIFF Selecteer deze instelling om de gegevens in TIFF-indeling op te slaan.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Scaninstelling Instelling Omschrijving Iedere pagina Selecteer deze instelling om één bestand te maken voor elke pagina van het document. Meerdere pagina Selecteer deze instelling om één bestand te maken van het volledige gescande document. Deze instelling kan niet worden geselecteerd als de bestandstype-instelling "JPEG" is geselecteerd. ! Detail Raadpleeg "Kleur (kwaliteitsaanpassing)" op pagina 5-39 voor meer informatie over het opgeven van de kleurinstelling.
Netwerkscannerbewerkingen 4 Als "PDF" of "Compact PDF" is geselecteerd, drukt u op [Codering], indien nodig. 5 Geef de codeerinstellingen op. 6 Om de stempelcombinatiemethode op te geven, drukt u op [Stempel/compositie]. 7 Selecteer de gewenste stempelcompositie. 8 Druk op [OK]. 9 Selecteer de scaninstelling. 10 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Densiteit Pas de densiteit voor het scannen aan. 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Densiteit]. 3 Selecteer de densiteit. – – 4 5-38 Druk op [Licht] of [Donker] om de densiteit aan te passen. Om de standaardinstelling te selecteren, drukt u op [Standaard]. Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Afzonderlijk scannen De scanbewerking kan worden opgesplitst in meerdere sessies voor verschillende typen documenten, bijvoorbeeld wanneer niet alle pagina's van een document in de ADF kunnen worden geladen, wanneer u het document op de glasplaat legt of wanneer enkelzijdige documenten zijn gecombineerd met dubbelzijdige documenten. Druk op [Afzonderl. scan] in het scherm van de fax/scanfunctie. De instelling is geselecteerd wanneer de knop gemarkeerd wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5-40 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Afb. aanpassen]. 3 Selecteer het kleurtype. 4 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Achtergrond verwijderen (Afb. aanpassen) De scandensiteit van de documentachtergrond kan worden aangepast. Wanneer documenten die op gekleurd papier zijn gedrukt, in kleur worden gescand, kan de achtergrond zwart worden. In dat geval kan de densiteit van de achtergrond worden aangepast. 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Afb. aanpassen]. 3 Druk op [Achtergr. verwijd.]. 4 Pas de densiteit van de achtergrond aan.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Scherpte (kwaliteitsaanpassing) Omtreklijnen, zoals de randen van tekst, kunnen worden benadrukt bij het scannen. 5-42 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Afb. aanpassen]. 3 Druk op [Scherpte]. 4 Pas de scherpte aan. 5 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Kader wissen (Wissen) Een gebied rond de rand van het document kan worden gewist. U kunt afzonderlijke gebieden met een breedte tussen 0,1 en 50 mm opgeven voor de linker- en rechterzijde en voor de bovenkant en onderkant. 2 Opmerking Als een breedte die rond het document moet worden gewist, is opgegeven met "Kader wissen" met de functie "Boek scannen", worden dezelfde toepassingen ook toegepast op het scherm Kader wissen (weergegeven vanaf het scherm Wissen).
Netwerkscannerbewerkingen 5 4 Selecteer de breedte van het gebied dat moet worden gewist. – – – 5 Om een kader te wissen, drukt u op [Ja]. Om dezelfde breedte aan alle zijden te wissen, drukt u op [Kader] en geeft u vervolgens een waarde op. Om verschillende breedten op te geven voor boven, links, rechts en onder, drukt u op de knop voor de gewenste locatie en geeft u vervolgens een waarde op. Om het wissen van een kader te annuleren, drukt u op [Geen].
Netwerkscannerbewerkingen 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Boek scannen]. 3 Druk op [Boek kopie]. 4 Geef de instellingen op voor de functie "Boek kopie".
Netwerkscannerbewerkingen 5 – 5 Als "Separeren", "Voor + Rugblad" of "Voorblad" is geselecteerd, drukt u op [Inbindpositie] en selecteer de inbindpositie. Druk op [OK] en druk vervolgens opnieuw op [OK] op de twee schermen die worden weergegeven. Scanformaat (Toepassing) Selecteer het formaat van het papier dat moet worden gescand. De volgende Scanformaat-instellingen zijn beschikbaar.
Netwerkscannerbewerkingen 3 Druk op [Scanformaat]. 4 Selecteer het formaat en de richting. – – – CS250/CS240/CS231 5 Selecteer de richting en het formaat van het papier dat moet worden gescand. Wanneer u op [Aangepasst formaat] drukt, wordt het scherm Aangepast formaat weergegeven. Gebruik de cijfertoetsen om het formaat in te voeren en druk vervolgens op [OK]. De waarden kunnen worden opgegeven in stappen van 0,1 mm.
Netwerkscannerbewerkingen 5 – 5 Wanneer u op [Fotoformaat] drukt, wordt het scherm Fotoformaat weergegeven. Selecteer de richting en het formaat van de foto die moet worden gescand en druk vervolgens op [OK]. Druk op [OK] en druk vervolgens opnieuw op [OK] op de twee schermen die worden weergegeven. Notitie (toepassing) Eerder opgegeven tekst, een nummer of de datum/tijd kan worden toegevoegd aan een document wanneer het wordt gescand en in een gebruikersbox wordt opgeslagen.
Netwerkscannerbewerkingen 5 3 Druk op [Stempel/compositie]. 4 Druk op [Datum/tijd]. 5 Om de datum en tijd op te geven, drukt u op [Ja] en geeft u vervolgens de datum- en tijdinstellingen op.
Netwerkscannerbewerkingen 5 – Wanneer u op [Tekstkleur] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van de kleur. Druk op de knop voor de gewenste kleur en druk vervolgens op [OK]. – Wanneer u op [Tekstformaat] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van het tekstformaat. Druk op de knop voor het gewenste formaat en druk vervolgens op [OK]. – Wanneer u op [Afdrukpositie] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van de afdrukpositie.
Netwerkscannerbewerkingen 6 5 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in de volgende 3 schermen die worden weergegeven. Paginanummer (Toepassing) De paginanummers kunnen aan alle pagina's van het document worden toegevoegd. U kunt de instellingen voor de volgende items definiëren. Parameter Omschrijving Startpaginanummer Geef het startpaginanummer op. Starthoofdstuknr. Geef het starthoofdstuknummer op. Paginanummertype Selecteer de notatie voor het paginanummer.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5-52 3 Druk op [Stempel/compositie]. 4 Druk op [Paginanummer]. 5 Druk op [Ja] om paginanummers op te geven en geef vervolgens de instellingen voor de paginanummers op.
Netwerkscannerbewerkingen 5 – Wanneer u op [Tekstkleur] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van de kleur. Druk op de knop voor de gewenste kleur en druk vervolgens op [OK]. – Wanneer u op [Tekstformaat] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van het tekstformaat. Druk op de knop voor het gewenste formaat en druk vervolgens op [OK]. – Wanneer u op [Afdrukpositie] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van de afdrukpositie.
Netwerkscannerbewerkingen 5 – 6 Om fijne aanpassingen uit te voeren, drukt u op [Positie aanpassen]. De positie kan worden aangepast tussen 0,1 en 50 mm naar links/rechts en omhoog/omlaag. Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in de volgende 3 schermen die worden weergegeven. Stempel (Applicatie) Vooraf ingesteld tekst, zoals "DRINGEND", kan worden toegevoegd aan alle pagina's van een document.
Netwerkscannerbewerkingen 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Toepassing]. 3 Druk op [Stempel/compositie]. 4 Druk op [Stempel].
Netwerkscannerbewerkingen 5 5 5-56 Druk op [Ja] om een stempel op te geven en geef vervolgens de stempelinstellingen op. – Wanneer u op [Tekstkleur] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van de kleur. Druk op de knop voor de gewenste kleur en druk vervolgens op [OK]. – Wanneer u op [Tekstformaat] drukt, wordt een scherm weergegeven voor het opgeven van het tekstformaat. Druk op de knop voor het gewenste formaat en druk vervolgens op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen – 6 5 Om fijne aanpassingen te maken, drukt u op [Positie aanpassen]. De positie kan worden aangepast tussen 0,1 en 50 mm naar links/rechts en omhoog/omlaag. Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in de volgende 3 schermen die worden weergegeven. Koptekst/voettekst (Toepassing) Kopteksten of voetteksten kunnen op alle pagina's worden ingevoegd. De inhoud van de koptekst/voettekst moet vooraf zijn geregistreerd in de beheerdersmodus.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5-58 1 Druk op [Scaninstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [Toepassing]. 3 Druk op [Stempel/compositie]. 4 Druk op [Koptekst/voettekst].
Netwerkscannerbewerkingen 5 5 Druk op touch [Ja] om een koptekst/voettekst af te drukken en selecteer vervolgens het type koptekst/voettekst dat moet worden opgeroepen. 6 Om de geselecteerde items te controleren of tijdelijk te wijzigen, drukt u op [Controle/Tijd. wijzigen]. Het scherm Controle/Tijdelijk wijzigen word weergegeven. 7 Druk op "Koptekstinstellingen" of "Voettekstinstellingen" en geef vervolgens de instellingen voor de koptekst/voettekst op.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5-60 – Tekst – Datum/tijd – Overige CS250/CS240/CS231
Netwerkscannerbewerkingen 8 5 Definieer de instellingen voor de pagina's waarop moet worden afgedrukt, de tekstkleur en het tekstformaat. – Tekstkleur – Tekstformaat – Druk op [Reset] om de tijdelijk gewijzigde instellingen te annuleren. 9 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. 10 Druk op [Sluit] en druk vervolgens op [Sluit] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Verzenden & afdrukken (Toepassing) De instellingen kunnen worden opgegeven om af te drukken tijdens het scannen. Er kunnen verschillende afdrukinstellingen worden opgegeven. U kunt de instellingen voor de volgende items definiëren. 5-62 Parameter Omschrijving Kopieën Gebruik de cijfertoetsen om het aantal af te drukken kopieën in te voeren. Er kan een aantal tussen 1 en 9999 worden opgegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 4 Druk op [Ja] om af te drukken tijdens het scannen en geef vervolgens de gewenste instellingen op. 5 Om de nietpositie te selecteren, drukt u op [Hoek] of [2 positie] en drukt u vervolgens op [Positieinstelling]. 6 Druk op de knop voor de gewenste positie en druk vervolgens op [OK]. 7 Druk op [OK] en druk vervolgens opnieuw op [OK] op de twee schermen die worden weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Documentnaam Geef de naam op van de scangegevens. Als er geen documentnaam is opgegeven, wordt de naam automatisch ingesteld op basis van de volgende informatie. Als voorbeeld wordt de naam "SKMBT_C55006102315230" hieronder toegelicht. Sectie Omschrijving S Deze letter geeft de functie aan op het ogenblik dat het document werd opgeslagen.
Netwerkscannerbewerkingen 3 Gebruik het toetsenbord dat op het tiptoetsscherm verschijnt om de documentnaam in te voeren. – – – 4 5 De documentnaam kan maximaal 30 tekens bevatten. Om het registreren van de documentnaam te stoppen, drukt u op de toets [Reset]. Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. Druk op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen 5 5-66 1 Druk op [Origineelinstellingen] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Selecteer de instellingen voor de functies Origineel instellingen. – Wanneer u op [Origineelrichting] drukt, wordt het scherm Origineel richting weergegeven. Druk op de knop voor de gewenste richting en druk vervolgens op [OK]. – Wanneer u op [Inbindpositie] drukt, wordt het scherm Inbindmarge weergegeven. Druk op de knop voor de inbindpositie en druk vervolgens op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen – 3 5 Om de instelling "Ontvlekken" toe te passen, drukt u op [Ontvlekken] om de optie te selecteren. Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven. ! Detail De scansnelheid zal afnemen als de instelling "Ontvlekken" is geselecteerd. Reinig het linkergedeelte van de glasplaat wanneer deze bijzonder vuil wordt.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5-68 1 Druk op [Comm. instelling] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [E-mailinstelling]. 3 Geef de e-mailverzendinstellingen op. 4 Druk op [Sluit] en druk vervolgens op [Sluit] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 URL-notificatie-instelling Geef het e-mailadres op waarnaar de notificaties over het voltooien van de opdracht moeten worden verzonden. ! Detail De bestemmingen die kunnen worden opgegeven voor "URL-notificatie-adresinstelling" omvatten FTP-servers, SMB-servers of gebruikersboxen. Deze functie werkt niet tijdens de e-mailverzendingen, zelfs als een instelling is opgegeven. 1 Druk op [Comm. instelling] in het scherm van de fax/scanfunctie.
Netwerkscannerbewerkingen 5 E-mailcodering U kunt een instelling opgeven voor deze parameter wanneer "S/MIME Communicatie-instellingen" is ingesteld op "AAN". Selecteer of de e-mailberichten die worden verzonden al dan niet moeten worden gecodeerd. 1 Druk op [Comm. instelling] in het scherm van de fax/scanfunctie. 2 Druk op [E-mailcodering]. 3 Druk op [Sluiten] en druk vervolgens op [Sluiten] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5.6 5 De instellingen kunnen worden opgegeven via de functie Hulpprogramma Via de functie Gebruikersprogramma kunt u verschillende basisinstellingen en geavanceerde parameters opgeven voor het gebruik van deze machine. In dit hoofdstuk worden de procedures beschreven voor het instellen van de parameters van de functie Hulpprogramma voor de scanfuncties en de schermen.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5.7 Een adresboekbestemming registreren Er kunnen maximaal 2.000 bestemmingen worden geregistreerd. E-mailbestemming U kunt de volgende instellingen opgeven voor de e-mailbestemming die moet worden geregistreerd. Parameter Omschrijving Nr. Voer het registratienummer (tussen 1 en 2000) in voor de adres-boekbestemming. Wanneer het scherm verschijnt, is het weergegeven nummer het laagst beschikbare nummer.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5 Druk op [Naam] en typ vervolgens de registratienaam met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. – Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. 6 Druk op [OK]. 7 Druk op [Index] en selecteer vervolgens de indextekens. 8 Druk op [OK]. 9 Druk op [E-mail] en typ vervolgens het e-mailadres met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt.
Netwerkscannerbewerkingen 5 Gebruikersbox U kunt de volgende instellingen opgeven voor de gebruikersboxbestemming die moet worden geregistreerd. Parameter Omschrijving Nr. Voer het registratienummer (tussen 1 en 2000) in voor de adres-boekbestemming. Wanneer het scherm verschijnt, is het weergegeven nummer het laagst beschikbare nummer. Naam Voer een naam in van maximum 24 tekens voor de geregistreerde bestemming. Index Selecteer de indextekens.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5 Druk op [Naam] en typ vervolgens de registratienaam met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. – Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. 6 Druk op [OK]. 7 Druk op [Index] en selecteer vervolgens de indextekens. 8 Druk op [OK]. 9 Druk op [Opslaan in gebr. box] en selecteer vervolgens een gebruikersbox. 10 Druk op [OK] en druk vervolgens op [OK] in het volgende scherm dat wordt weergegeven.
Netwerkscannerbewerkingen 5 PC (SMB) U kunt de volgende instellingen opgeven voor de SMB-bestemming die moet worden geregistreerd. Parameter Omschrijving Nr. Voer het registratienummer (tussen 1 en 2000) in voor de adres-boekbestemming. Wanneer het scherm verschijnt, is het weergegeven nummer het laagst beschikbare nummer. Naam Voer een naam in van maximum 24 tekens voor de geregistreerde bestemming. Index Selecteer de indextekens.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5 Druk op [Naam] en typ vervolgens de registratienaam met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. – Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. 6 Druk op [OK]. 7 Druk op [Index] en selecteer vervolgens de indextekens. 8 Druk op [OK]. 9 Druk op [Gebr.-ID] en typ vervolgens de gebruikers-ID met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. 10 Druk op [OK].
Netwerkscannerbewerkingen 5 14 Druk op [Hostadres] en typ vervolgens het IP-adres of de hostnaam. – – – – – Om een hostnaam in te voeren, drukt u op [Hostnaam invoer] en typt u vervolgens de hostnaam met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. Om een IP-adres in te voeren, drukt u op [IPv4-adresinvoer] of [IPv6-adresinvoer]. Voer vervolgens het adres in met de cijfertoetsen of het toetsenbord dat verschijnt.
Netwerkscannerbewerkingen 5 FTP U kunt de volgende instellingen opgeven voor de FTP-bestemming die moet worden geregistreerd. Parameter Omschrijving Nr. Voer het registratienummer (tussen 1 en 2000) in voor de adres-boekbestemming. Wanneer het scherm verschijnt, is het weergegeven nummer het laagst beschikbare nummer. Naam Voer een naam in van maximum 24 tekens voor de geregistreerde bestemming. Index Selecteer de indextekens.
Netwerkscannerbewerkingen 5 5 Druk op [Naam] en typ vervolgens de registratienaam met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. – Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst. 6 Druk op [OK]. 7 Druk op [Index] en selecteer vervolgens de indextekens. 8 Druk op [OK]. 9 Druk op [Hostadres] en typ vervolgens het IP-adres of de hostnaam.
Netwerkscannerbewerkingen 14 5 Druk op [Gebr.-ID] en typ vervolgens de gebruikers-ID met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. – Om de registratie van de gebruikers-ID te annuleren, drukt u op [AAN] naast "Anoniem". 15 Druk op [OK]. 16 Druk op [Wachtwoord] en typ vervolgens het wachtwoord met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt. 17 Druk op [OK]. 18 Geef, indien nodig, de instellingen op voor "Anoniem", "PASV modus", "Proxy" en "Poortnummer".
Netwerkscannerbewerkingen 5 5.8 Een groepsbestemming registreren Een groepsbestemming kan worden geregistreerd. ! Detail U kunt tot 100 groepen registreren en er kunnen tot 500 bestemmingen in één groep worden geregistreerd. 1 Druk op [2 Groep] in het scherm Scan/Faxadres registreren. Het scherm Groep wordt weergegeven. 2 Druk op [Nieuw]. Het scherm Nieuw wordt weergegeven. 3 Druk op [Naam] en typ vervolgens de registratienaam met behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt.
Netwerkscannerbewerkingen 6 Selecteer een bestemmingstype en selecteer vervolgens de bestemming die moet worden geregistreerd. 7 Druk op [OK]. 8 Druk op [Sluit]. 9 Druk op [OK]. 5 De groepsbestemming wordt geregistreerd. ! Detail Om een geregistreerde bestemming te controleren, selecteert u de bestemming en drukt u vervolgens op [Opdrachtinstellingen controleren]. Om de instellingen voor een geregistreerde bestemming te wijzigen, selecteert u de bestemming en drukt u vervolgens op [Bewerken].
5 5-84 Netwerkscannerbewerkingen CS250/CS240/CS231
6 Bewerkingen Web Connection
Bewerkingen Web Connection 6 6 Bewerkingen Web Connection De gebruikersmodus biedt functies voor het controleren en bedienen van de machine op gebruikersniveau. U kunt vijf tabbladen selecteren (Information, Job, Box, Direct Print en Store Address). Deze sectie bevat beschrijvingen van de items in het menu dat verschijnt aan de linkerzijde van de pagina wanneer op elk tabblad van de gebruikersmodus wordt geklikt. 6.
Bewerkingen Web Connection 6 Device Information – Option U kunt de grootte van het machinegeheugen, de status van de harde schijf en de installatiestatus van de opties weergeven. Item Omschrijving RAM, HDD, Network Toont informatie over het geheugen, de harde schijf en het netwerk. De geïnstalleerde opties worden weergegeven.
Bewerkingen Web Connection 6 Device Information – Consumables Informatie over de verbruiksartikelen voor de machine wordt weergegeven. Item Omschrijving Toner (Yellow/Magenta/Cyan/Black) Imaging Unit (Yellow/Magenta/Cyan/Black) Waste Toner Box Ozone Filter Hole-Punch Scrap Box Staple Cartrige (1, 2) Saddle Staple Cartrige (1, 2) Fusing Unit Image Transfer Belt Unit Transfer Roller Unit Color Toner Filter Toont informatie over elk van deze items.
Bewerkingen Web Connection 6 Device Information – Meter Count De tellers die door de machine worden beheerd, kunnen worden weergegeven. Item Omschrijving Total Counter Toont de totalen voor de uitvoertellers (Copy, Print, Scan/Fax). Copy Counter Toont de verschillende tellers. Print Counter Scan Counter (verschijnt als Scan/Fax Counter als de optionele faxkit is geïnstalleerd.) Total (Copy + Print) 6-6 Toont de tellers voor de kleurinstellingen.
Bewerkingen Web Connection 6 Online Assistance De ondersteuningsinformatie voor de machine kan worden weergegeven. Item Omschrijving Product name Toont de naam van het product. Contact Name Toont de informatie die is ingevoerd op de pagina die verschijnt nadat u op "Online Assistance" hebt geklikt in het menu op het tabblad Maintenance in de beheerdersmodus.
Bewerkingen Web Connection 6 ! Detail Als de gebruikersauthenticatie-instellingen werden opgegeven in de machine, verschijnt "Change User Password" in het menu. Het gebruikerswachtwoord kan worden gewijzigd wanneer "User Authentication" is ingesteld op "ON (MFP)". 2 Let op Als "Password Rules" is ingesteld op "Enable", kan alleen een wachtwoord van 8 tekens worden opgegeven.
Bewerkingen Web Connection 6 Network Setting Information De netwerkinstellingen voor de machine kunnen worden weergegeven. Item Omschrijving Protocol Information Toont de gebruiksstatus voor elk protocol. Network Information Toont informatie over het netwerk. Print Setting Information De instellingen voor de printercontroller van de machine kunnen worden weergegeven. Een afdrukopdracht die wordt verzonden zonder dat er instellingen zijn opgegeven, wordt met deze instellingen afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 De volgende informatie kan in het submenu worden geselecteerd. Item Omschrijving Default Setting Toont informatie over elk van deze items. Font Information Macro List ICC Profile List PCL Setting PS Setting Print Information % De informatie over het lettertype en de instellingen kan worden afgedrukt. Selecteer het rapport dat moet worden afgedrukt, selecteer een papierlade in de lijst "Paper Tray" en klik vervolgens op de knop [OK].
Bewerkingen Web Connection 6.2 6 Tabblad Job Op het tabblad Job worden de opdrachten weergegeven die door de machine worden beheerd. De weergave van het tabblad Job verschilt afhankelijk van het weergaveformaat dat tijdens het aanmelden werd geselecteerd. Huidige opdrachten % De opdrachten die worden uitgevoerd en de opdrachten die in wachtrij zijn geplaatst om te worden uitgevoerd, kunnen worden weergegeven. Selecteer een opdrachttype en klik vervolgens op de knop [Go].
Bewerkingen Web Connection 6 Opdrachthistorie De voltooide opdrachten kunnen worden weergegeven. Selecteer een opdrachttype en klik vervolgens op de knop [Go]. Maak uw keuze uit de volgende opdrachttypen. * Item Omschrijving Print Toont een lijst van de afdrukopdrachten en hun details. TX Toont een lijst van de verzendopdrachten en hun details. RX* Toont een lijst van de faxontvangstopdrachten en hun details. Opslaan Toont een lijst van de gebruikersboxopdrachten en hun details.
Bewerkingen Web Connection 6 Communication List De voltooide verzend- en ontvangstopdrachten kunnen worden weergegeven. Selecteer een opdrachttype en klik vervolgens op de knop [Go]. Maak uw keuze uit de volgende opdrachttypen. * Item Omschrijving Scan to E-mail Toont een lijst van scanverzendopdrachten (e-mail, FTP en SMB) en hun details. Fax TX* Toont een lijst van de faxverzendopdrachten en hun details. Fax RX* Toont een lijst van de faxontvangstopdrachten en hun details.
Bewerkingen Web Connection 6 6.3 Tabblad Box Vanaf het tabblad Box kunt u gebruikersboxen maken en documenten in gebruikersboxen kunnen worden weergegeven en gedownload. 2 Opmerking Als een beheerder of een gebruikersboxbeheerder is aangemeld, kunnen de instellingen voor gebruikersboxen worden gewijzigd of verwijderd zonder dat hiervoor een wachtwoord moet worden ingevoerd.
Bewerkingen Web Connection 6 2 Let op Als "Functies verbieden bij authenticatiefout" in de Beheerdermodus is ingesteld op "Modus 2" en als een gebruiker een bepaald aantal keer een verkeerd gebruikersboxwachtwoord gebruikt, wordt deze box geblokkeerd en kan deze niet langer worden gebruikt Neem contact op met de beheerder om de gebruiksbeperkingen te annuleren.
Bewerkingen Web Connection 6 Documentbewerkingen Maak uw keuze uit de volgende documentbewerkingen. Display All Print Send to other device Download to PC Move/Copy Delete ! Detail "Send to other device" and "Download to PC" kunnen worden gebruikt met documenten die zijn opgeslagen in de Fax/Scanmodus.
Bewerkingen Web Connection 2 6 Schakel het selectievakje in naast de documenten waarmee de bewerking moet worden uitgevoerd en klik vervolgens op de knop voor de instellingen. De pagina die overeenkomt met de instellingen, wordt weergegeven. 3 Geef de gewenste instellingen op en klik vervolgens op de knop [OK]. Wanneer u op de knop [Print Setting] klikt – CS250/CS240/CS231 Klik op de knop [Cancel] om terug te keren naar de pagina File List.
Bewerkingen Web Connection 6 Instellingen die beschikbaar zijn met de knop [Print Setting] Item Omschrijving Combine Deze instelling verschijnt wanneer meerdere documenten zijn geselecteerd. Schakel dit selectievakje in om meerdere documenten samen af te drukken. Deze instelling is niet beschikbaar als er 11 of meer documenten zijn geselecteerd. Number of sets Voer het aantal exemplaren in dat moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Instellingen die beschikbaar zijn met de knop [Move/Copy Setting] Item Omschrijving User Box Number Om een bestemming te selecteren in de lijst gebruikersboxen, klikt u op de knop [Search from List]. U kunt een bestemming ook zoeken volgens het paginanummer of de indextekens. Kopie Schakel dit selectievakje in om het document te kopiëren. Document Selection Dit verschijnt wanneer meerdere documenten zijn geselecteerd. Toont de namen van de geselecteerde documenten.
Bewerkingen Web Connection 6 Changing user box settings % 6-20 Klik op de pagina File List op de knop [User Box Setting]. Item Omschrijving User Box Number Toont het gebruikersboxnummer. Dit kan niet worden gewijzigd. User Box Name Voer een naam van maximaal 20 tekens in voor de gebruikersbox. Index Selecteer de tekens voor de index.
Bewerkingen Web Connection 6 Gebruikersbox Er kunnen nieuwe gebruikersboxen worden gemaakt. Item Omschrijving User Box Number Selecteer hoe het registratienummer moet worden opgegeven ("Use opening number" of "Input directly"). Voer het nummer in als "Input directly" geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. (Bereik: 1 tot 999999999) User Box Name Typ de gebruikersboxnaam (tot 20 tekens).
Bewerkingen Web Connection 6 Open System User Box "Open System User Box" verschijnt wanneer de optionele faxkit is geïnstalleerd. Systeemgebruikersboxen (Bulletin Board User Box, Polling TX User Box, Memory RX User Box, Relay User Box) kunnen worden geopend en basisinformatie over de gebruikersbox en de lijst van documenten die in de gebruikersbox zijn opgeslagen, kunnen worden weergegeven.
Bewerkingen Web Connection 6 2 Opmerking Afhankelijk van het gebruikersboxtype zullen sommige weergaven en bewerkingen mogelijk niet beschikbaar zijn. Raadpleeg "Documentbewerkingen" op pagina 6-16 voor meer informatie over documentbewerkingen. % Klik voor Bulletin Board gebruikersboxen en Relay gebruikersboxen, klikt u op de knop [User Box Setting] om de gebruikersboxinstellingen te wijzigen.
Bewerkingen Web Connection 6 Create System User Box "Create System User Box" verschijnt wanneer de optionele faxkit is geïnstalleerd. Er kunnen nieuwe bulletin board gebruikersboxen en relay gebruikersboxen worden gemaakt. % Selecteer het gebruikersboxtype en klik vervolgens op [OK]. 2 Opmerking Als een beheerder is aangemeld, worden systeemgebruikersboxen op dezelfde manier gemaakt als in de beheerdersmodus.
Bewerkingen Web Connection 6 Item Omschrijving User Box Number Selecteer hoe het registratienummer moet worden opgegeven ("Use opening number" of "Input directly"). Voer het nummer in als "Input directly" geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. (Bereik: 1 tot 999999999). User Box Name Typ de gebruikersboxnaam (tot 20 tekens).
Bewerkingen Web Connection 6 6.4 Tabblad Direct Print Vanaf het tabblad Direct Print kunt u bestanden opgeven en afdrukken. Direct Print % Klik op de knop [Browse] om het bestand te selecteren en klik vervolgens op de knop [Print]. 2 Opmerking Als er authenticatie-instellingen zijn opgegeven en "Print without Authentication" is ingesteld op "Allow", kan directe afdruk worden gebruikt. Geef de instelling op voor "Print without Authentication" via het bedieningspaneel.
Bewerkingen Web Connection 6.5 6 Tabblad Store Address Vanaf het tabblad Store Address kunnen de verzendbestemmingen en gebruikersboxbewerkingen voor het opslaan van gegevens worden geregistreerd en kunnen hun instellingen worden gewijzigd. ! Detail Dit menu verschijnt als de gebruiker de toestemming heeft om geregistreerde bestemmingen te wijzigen. Als een geregistreerde gebruiker is aangemeld, kunnen geen nieuwe bestemmingen worden gemaakt tenzij de gebruiker toegang krijgt tot de bestemmingen.
Bewerkingen Web Connection 6 Item Omschrijving Knop [Edit] Klik op deze knop om een pagina weer te geven voor het wijzigen van de instellingen en het bewerken van de geregistreerde bestemming. De instellingen zijn dezelfde die beschikbaar zijn tijdens de registratie. Kan het registratienummer niet wijzigen. Knop [Delete] Klik op deze knop om een pagina weer te geven voor het verwijderen van de geregistreerde bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "E-mail" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Als "Direct Input" is geselecteerd, voert u het nummer in. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikersbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van de bestemming (tot 24 tekens). Index Selecteer de indextekens voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "SMB" is geselecteerd. Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Als "Direct Input" is geselecteerd, voert u het nummer in. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikersbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van de bestemming (tot 24 tekens). Index Selecteer de indextekens voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "Abbr. Dial" is geselecteerd 2 Opmerking "Abbr. Dial" verschijnt als de optionele faxkit is geïnstalleerd. Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Als "Direct Input" is geselecteerd, voert u het nummer in. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikersbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van de bestemming (tot 24 tekens).
Bewerkingen Web Connection 6 Als "Internet Fax" is geselecteerd 2 Opmerking "Internet Fax" verschijnt als de bewerking IP-internetfax beschikbaar is. Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Als "Direct Input" is geselecteerd, voert u het nummer in. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikersbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van de bestemming (tot 24 tekens).
Bewerkingen Web Connection 6 Een groepsbestemming registreren % Klik op de pagina Group List op de knop [New Registration]. Een pagina voor het registreren van een bestemming wordt weergegeven. Item Omschrijving Name Geef de naam op van de bestemming (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 Program De lijst van de geprogrammeerde bestemmingen die momenteel is geregistreerd, kan worden weergegeven. Daarnaast kunnen bestemmingen worden geregistreerd of kunnen hun instellingen worden gewijzigd. 6-34 Item Omschrijving Knop [New Registration] Klik op deze knop om een nieuwe bestemming te registreren. Raadpleeg "Een programmabestemming registreren" op pagina 6-35 voor meer informatie.
Bewerkingen Web Connection 6 Een programmabestemming registreren 1 Klik op de pagina Program List op de knop [New Registration]. 2 Selecteer het type verzending en klik vervolgens op [OK]. Een pagina voor het registreren van een bestemming wordt weergegeven.
Bewerkingen Web Connection 6 Voor een e-mailadres ! Detail Om een geregistreerde programmabestemming van de machine te selecteren, drukt u op de toets [Mode Memory] op het bedieningspaneel.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "E-mail" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-38 Item Omschrijving Compose (Date/Time) Selecteer of de datum/tijd moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geeft u de instellingen op voor het volgende: • Date Type • Time Type • Print Position • Fine-Tune (voor het maken van fijne aanpassingen aan de afdrukpositie) • Color • Pages • Size Compose (Page) Selecteer of het paginanummer moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "FTP" is geselecteerd. Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-40 Item Omschrijving Erase Selecteer of de functie voor midden wissen al dan niet moet worden ingeschakeld. Als "ON" is geselecteerd, geef dan de breedte op die moet worden gewist aan alle zijden van het document ("Top", "Bottom", "Left" en "Right"). Compose (Date/Time) Selecteer of de datum/tijd moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "SMB" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-42 Item Omschrijving Compose (Date/Time) Selecteer of de datum/tijd moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geeft u de instellingen op voor het volgende: • Date Type • Time Type • Print Position • Fine-Tune (voor het maken van fijne aanpassingen aan de afdrukpositie) • Color • Pages • Size Compose (Page) Selecteer of het paginanummer moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "User Box" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-44 Item Omschrijving Compose (Date/Time) Selecteer of de datum/tijd moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geeft u de instellingen op voor het volgende: • Date Type • Time Type • Print Position • Fine-Tune (voor het maken van fijne aanpassingen aan de afdrukpositie) • Color • Pages • Size Compose (Page) Selecteer of het paginanummer moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "Abbr. Dial" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-46 Item Omschrijving Compose (Page) Selecteer of het paginanummer moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geeft u de instellingen op voor het volgende: • Page Number (Bereik: -99999 tot 99999) • Chapter (Bereik: -100 tot 100) • Page Number Type • Print Position • Fine-Tune (voor het maken van fijne aanpassingen aan de afdrukpositie) • Color • Size Compose (Header/Footer) Selecteer of de koptekst/voettekst moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "IP Address Fax" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-48 Item Omschrijving Compose (Page) Selecteer of het paginanummer moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geeft u de instellingen op voor het volgende: • Page Number (Bereik: -99999 tot 99999) • Chapter (Bereik: -100 tot 100) • Page Number Type • Print Position • Fine-Tune (voor het maken van fijne aanpassingen aan de afdrukpositie) • Color • Size Compose (Header/Footer) Selecteer of de koptekst/voettekst moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "Internet Fax" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-50 Item Omschrijving Compose (Header/Footer) Selecteer of de koptekst/voettekst moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geef dan het registratienummer op van de koptekst/voettekst. Om de geregistreerde koptekst/voettekst te controleren, klikt u op de knop [Confirm Registered Contents]. Compose (Stamp) Selecteer of de stempel moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "Group" is geselecteerd Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-52 Item Omschrijving Erase Selecteer of de functie voor midden wissen al dan niet moet worden ingeschakeld. Als "ON" is geselecteerd, geef dan de breedte op die moet worden gewist aan alle zijden van het document ("Top", "Bottom", "Left" en "Right"). Compose (Date/Time) Selecteer of de datum/tijd moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Als "No Destination" is geselecteerd. Item Omschrijving No. Geef het registratienummer op. Selecteer "Use opening number" of "Direct Input". Voer het nummer in als "Direct Input" is geselecteerd. Als "0" is opgegeven, wordt de gebruikerbox automatisch geregistreerd met het volgende beschikbare nummer. Name Geef de naam op van het programma (tot 24 tekens). Limiting Access to Destinations Selecteer het weergaveniveau voor de bestemming.
Bewerkingen Web Connection 6 6-54 Item Omschrijving Compose (Date/Time) Selecteer of de datum/tijd moet worden afgedrukt. Als "ON" is geselecteerd, geeft u de instellingen op voor het volgende: • Date Type • Time Type • Print Position • Fine-Tune (voor het maken van fijne aanpassingen aan de afdrukpositie) • Color • Pages • Size Compose (Page) Selecteer of het paginanummer moet worden afgedrukt.
Bewerkingen Web Connection 6 Temporary One Touch U kunt bestemmingen registreren die tijdelijk zullen worden gebruikt. De lijst van de tijdelijke programma's die momenteel is geregistreerd, kan worden weergegeven. Daarnaast kunnen nieuwe bestemmingen worden geregistreerd of kunnen hun instellingen worden gewijzigd. 2 Opmerking "Temporary One-Touch" verschijnt wanneer "Manual Destination Input" in de beheerdersmodus is ingesteld op "Allow".
Bewerkingen Web Connection 6 Subject U kunt maximaal 10 onderwerpen registreren voor het verzenden van e-mailberichten. Item Omschrijving E-mail Default Selecteer het onderwerp dat moet worden gebruikt als er geen onderwerp wordt opgegeven bij het verzenden van de e-mail. Subject Toont het geregistreerde e-mailonderwerp. Knop [Edit] Klik op deze knop om een pagina weer te geven voor het registreren en bewerken van e-mailonderwerpen.
Bewerkingen Web Connection 6 Text U kunt maximaal 10 teksten registreren voor het verzenden van e-mailberichten. Item Omschrijving E-mail Default Selecteer de tekst die moet worden gebruikt als er geen onderwerp wordt opgegeven bij het verzenden van de e-mail. Text Toont de geregistreerde e-mailtekst. Knop [Edit] Klik op deze knop om een pagina weer te geven voor het registreren en bewerken van teksten.
6 6-58 Bewerkingen Web Connection CS250/CS240/CS231
7 Faxbewerkingen (optioneel)
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Faxbewerkingen (optioneel) 7.1 Algemene faxbediening 7 In dit gedeelte wordt informatie gegeven over de algemene stappen voor het verzenden van een fax. ! Detail Kleurenfaxen kunnen niet worden verzonden of ontvangen. Gebruik de scanfuncties als u een kleurenfax wilt verzenden. Een fax verzenden ! Detail Hier wordt uitgelegd hoe u een enkelzijdig origineel verzendt volgens de basisprocedure.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 – – – 7-4 Scanfuncties zijn bij aanschaf als volgt ingesteld: [Origineeltype]: Tekst/Foto (Gedrukte foto) [Enkelz./dubbelz.]: 1-zijdig [Resolutie]: 200e200dpi (fijn) [Densiteit]: Standaard [Bestandstype] is niet beschikbaar in faxmodus. Zie "Scaninstellingen opgeven" op pagina 7-9 voor meer informatie over het opgeven van de basisinstellingen voor scannen. 4 Druk op [Origineel inst.], geef de gewenste functie op en druk op [OK]. 5 Druk op [Comm.
Faxbewerkingen (optioneel) 6 7 Geef het faxnummer van de ontvanger op. – Zie "Slechts één adres opgeven" op pagina 7-14 en "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)" op pagina 7-19 voor de procedures voor het invoeren van een faxnummer.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 7.2 Het origineel plaatsen Het origineel kan in de ADF worden geplaatst, of kan op de glasplaat van het apparaat worden gelegd. Als het origineel in de ADF is geplaatst, wordt dit automatisch vanuit de ADF gescand. Het origineel in de ADF plaatsen Vanuit de ADF kunnen originelen met meerdere pagina's automatisch worden gescand. Bovendien kunt u dubbelzijdige originelen faxen. 1 Sluit de ADF. 2 Leg het origineel in de juiste volgorde vanaf de eerste pagina.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Een origineel van meerdere pagina's faxen via de glasplaat Alle pagina's van een origineel met meerdere pagina's die niet in de ADF kunnen worden geplaatst, kunnen tezamen via de glasplaat worden gefaxt. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het fax/scanscherm weer te geven. 2 Geef het adres op. 3 Geef de benodigde functies op. 4 Plaats het origineel op de glasplaat en druk op [Scaninstellingen], [Afzonderl. scan], [OK] en druk dan op de toets [Start].
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Originelen verzenden via de ADF en de glasplaat Originelen kunnen via zowel de ADF als de glasplaat worden gescand. Grote hoeveelheden originelen kunnen in delen worden opgesplitst, in de ADF worden geplaatst en worden gescand. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het fax/scanscherm weer te geven. 2 Geef het adres op. 3 Geef de benodigde functies op. 4 Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF en druk op [Scaninstellingen], [Afzonderl.
Faxbewerkingen (optioneel) 7.3 7 Scaninstellingen opgeven Als op [Scaninstellingen] in het scherm Fax/Scan wordt gedrukt, worden [Origineeltype], [Enkelz./Dubbelz.], [Resolutie] en [Densiteit] weergegeven, zodat u de kunt instellen hoe het origineel moet worden gescand. 2 Opmerking [Bestandstype] is niet beschikbaar in faxmodus. Scaninstellingen opgeven 2 Opmerking Voor de verschillende pagina's van een origineel kunnen geen verschillende verzendinstellingen worden opgegeven.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Origineeltype Stel het origineeltype in overeenkomstig de inhoud van het origineel. Er zijn vijf instellingen voor origineeltype. Het origineeltype is standaard ingesteld op [Tekst/Foto]. [Tekst]: Selecteer deze optie wanneer originelen met alleen tekst worden gescand. Als deze optie wordt geselecteerd voor originelen met foto's, worden geen van de tussenkleuren van de afbeelding gereproduceerd en wordt de afbeelding donkerder.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Enkelzijdig/dubbelzijdig Selecteer een scanmethode voor de ADF die overeenkomt met het origineel. Er zijn drie verschillende scaninstellingen. Het apparaat is standaard ingesteld op [1-zijdig]. [1-zijdig]: Selecteer deze optie voor enkelzijdige originelen. [2-zijdig]: Selecteer deze optie voor dubbelzijdige originelen. [Omslag + 2-zijdig]: Selecteer deze optie om dubbelzijdige originelen met een omslag te scannen.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Resolutie Hiermee wordt de scanresolutie voor het origineel ingesteld. Er zijn vijf instellingen voor de resolutie. De resolutie is standaard ingesteld op [Fijn]. [200e100 (Std.)]: Selecteer deze optie om de verzendtijd te versnellen. [200e200 (fijn)]: Selecteer deze optie om originelen op normale wijze te scannen. [300e300 dpi]: Selecteer deze optie om normale originelen met een hogere resolutie te scannen.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Densiteit Stel de densiteit in overeenkomstig de inhoud van het origineel. De densiteit kan op negen niveaus worden ingesteld. De densiteit is standaard ingesteld op [Standaard]. [Licht]: Selecteer deze optie om een origineel met lichte densiteit te scannen. [Standaard]: Selecteer deze optie voor het scannen van een origineel met een normale densiteit. [Donker]: Selecteer deze optie om een origineel met donkerdere densiteit te scannen.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 7.4 Slechts één adres opgeven De volgende methoden zijn alleen geschikt als er een enkel adres wordt opgegeven. Geregistreerde adressen selecteren Opgeven via directe invoer Selecteren uit Recent gekozen nr. (opdrachtlogboek) Selecteren uit programma-adressen ! Detail Raadpleeg "Selecteren uit geregistreerde adressen" op pagina 7-14 voor informatie over het selecteren van een adres uit geregistreerde adressen.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Een geregistreerd adres zoeken (toets Index) Adressen kunnen worden opgezocht aan de hand van een indexteken, dat wordt opgegeven wanneer het adres wordt geregistreerd. ! Detail De standaardweergave van de index kan worden gewijzigd in Adresboek standaard index. % Druk op de indextoetsen ([Hfd. (vaak gebruikte adressen)], [ABC] - [WXYZ], [etc]) die in het tabblad [Adresboek] worden weergegeven. De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 3 Selecteer het gewenste adrestype. – De instelling voor de standaardweergave van het tabblad [Adresboek] kan in een ander adrestype worden gewijzigd met gebruik van Standaard adresboek. De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven. Zoeken naar een geregistreerd adres (Detail zoeken) U kunt een adres zoeken door een deel van de naam of het faxnummer van het adres in te voeren. 1 Druk op [Gedetail zoeken] in het tabblad [Adresboek]. 2 Druk op [Detail zoeken].
Faxbewerkingen (optioneel) 3 7 Druk op [Naam] of [Adres]. – Voer de naam of het faxnummer in via het toetsenbord op het scherm en druk op [OK]. De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven. Opgeven door directe invoer Adressen kunnen direct worden ingevoerd, ook als het adres niet in het adresboek is geregistreerd. 2 Opmerking Als [Handmatige adresinvoer] niet is toegestaan, wordt het tabblad [Directe invoer] niet weergegeven. % Voer het faxnummer van de ontvanger in.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 ! Detail Als een PBX (privé-telefooncentrale) is geactiveerd en u wilt een fax sturen van een interne lijn naar een buitenlijn, drukt u op [Pauze] nadat "0" of het nummer van de externe lijn is gekozen, om te zorgen dat het nummer goed wordt gekozen. "P" verschijnt op het scherm. Opgeven vanuit de recent gekozen nummers (opdrachtlogboek) Nummers kunnen worden geselecteerd uit het opdrachtlogboek, waarin de (laatste vijf) nummers waarnaar faxen zijn verstuurd worden bewaard.
Faxbewerkingen (optioneel) 7.5 7 Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcastverzending) Een origineel kan met één handeling naar meerdere adressen worden gestuurd. Dit wordt een sequentiële verzending of broadcast-verzending genoemd. Hieronder wordt beschreven hoe u meerdere adressen opgeeft.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 2 Druk op [Adrestype]. 3 Druk op [Groep]. 4 Druk op de gewenste groepstoets. U hebt meerdere adressen opgegeven. ! Detail De instelling voor de standaardweergave van het tabblad [Adresboek] kan in een ander adrestype worden gewijzigd met gebruik van Standaard adresboek. Er kunnen maximaal 605 bestemmingen (500 adressen uit het adresboek, 100 adressen via directe invoer en 5 e-mailadressen via directe invoer) worden opgegeven.
Faxbewerkingen (optioneel) 7.6 7 Fax verzenden via een programma-adres Als u een programma-adres hebt geregistreerd, kan een fax worden verzonden met gebruik van de toets van het geregistreerde programma-adres. Als verzendinstellingen in een programmatoets zijn geregistreerd (origineeltype, specificatie van origineel, enz.), kan met een druk op de betreffende toets een fax worden verzonden zonder dat de instellingen iedere keer opnieuw moeten worden opgegeven.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 5 Druk op de toets van de pagina waar het gewenste programma-adres is ondergebracht en druk dan op [OK]. – 6 Druk op of om het vorige of volgende scherm met indextoetsen weer te geven. Druk op de gewenste programmatoets en vervolgens op [OK]. – – Er kan slechts één programma-adres worden opgegeven. Druk op of om het vorige of volgende scherm met programmatoetsen weer te geven. De instellingen en adressen worden binnengehaald. 7 Druk op de toets [Start].
Faxbewerkingen (optioneel) 7.7 7 Bewerkingen tijdens het scannen Als het origineelformaat niet kan worden gedetecteerd Als het origineelformaat niet kan worden gedetecteerd, verschijnt het scherm Scanformaat. Stel hier het formaat van het origineel in. 1 Druk op de toets Origineelform. en druk dan op [OK]. 2 Druk op [Sluit] en druk dan op [OK]. Het fax/scanscherm verschijnt. 3 Druk op de toets [Start]. De fax wordt verzonden.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 7.8 Problemen met verzenden Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, kunt u de fax nogmaals verzenden met de functie Opnieuw kiezen. Met de functie voor opnieuw kiezen op dit apparaat kan automatisch en handmatig opnieuw worden gekozen en opnieuw worden verzonden. 2 Opmerking Als automatisch of handmatig opnieuw wordt gekozen, kan de bestemming niet in de lijst Huidige opdrachten worden gewijzigd.
Faxbewerkingen (optioneel) – 7 Als fax multi-lijn is geïnstalleerd Het scherm voor opnieuw kiezen wordt weergegeven. 4 Druk op [OK]. Het nummer van de geselecteerde opdracht wordt opnieuw gekozen. Handmatig opnieuw kiezen (gebruikersbox Fax opnieuw verzenden) Als opdrachten die automatisch opnieuw worden verzonden, na het aantal keer opnieuw kiezen dat is in gesteld in Telefoonlijninstellingen nog steeds niet kunnen worden verzonden, worden ze opgeslagen in de gebruikersbox Fax opnieuw verzenden.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 5 Selecteer de opdracht die u opnieuw wilt verzenden en druk op [Fax TX]. 6 Controleer de bestemming die wordt weergegeven in de broadcast-adressen en druk op [Start], of druk op de toets [Start]. De opdracht wordt opnieuw verzonden. 2 Opmerking Het is ook mogelijk de bestemming te wijzigen. Na verzending wordt de opdracht automatisch verwijderd uit de gebruikersbox Fax opnieuw verzenden.
Faxbewerkingen (optioneel) 7.9 7 Verzending reserveren Als het apparaat bezig is met een communicatie of met afdrukken, kan de volgende verzending worden 'gereserveerd'. Dit wordt een gereserveerde verzending genoemd. 2 Opmerking U kunt [Hoorn van haak] niet gebruiken voor gereserveerde verzending. 1 Druk op [Wachtrij scan/fax]. – 2 Als [TX weergave] of [Kopieerbedieningsscherm] niet is ingesteld op [Ja], verschijnt het scherm [Wachtrij scan/fax] niet. Plaats het origineel dat u wilt faxen.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 7.10 Verzending afbreken De bewerkingen voor het afbreken van een verzending wanneer de opdracht reeds wordt uitgevoerd (inclusief gereserveerde opdrachten) is anders dan wanneer de verzending via een timer is gereserveerd. 2 Opmerking Opdrachten die verzonden moeten worden en in het apparaat zijn opgeslagen, worden gereserveerde opdrachten genoemd.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 Timer-verzending van gereserveerde opdrachten annuleren Een verzending kan worden geannuleerd door de timer-verzending van gereserveerde opdrachten te verwijderen. 1 Druk op [Opdr.lijst]. 2 Druk op [Opdrachtdetails]. 3 Druk op [Verzenden]. 4 Controleer dat [Huidige opdrachten] is geselecteerd en druk op [Timer TX-opdracht]. 5 Selecteer de opdracht die u wilt afbreken en druk op [Verwijderen]. – 6 Druk op of om het volgende of vorige scherm weer te geven.
Faxbewerkingen (optioneel) 7 7.11 Faxen verzenden op een ingesteld tijdstip (Timer TX) Timer TX is een functie waarmee de verzendtijd voor een fax kan worden ingesteld. Het is voordeliger om faxen te verzenden op tijden met een laag tarief, bijvoorbeeld 's nachts of vroeg 's ochtends. 2 Opmerking De volgende functies kunnen niet tegelijk met deze functie worden gebruikt: Aantal originelen, Polling TX, Bulletin Board en Snel Geheugen TX. ! Detail Alleen de tijd kan worden opgegeven.
Faxbewerkingen (optioneel) 6 Voer de verzendtijd in via het toetsenbord. – – 7 7 Voer de begintijd van de verzending in en gebruik hiervoor de 24-uurs klok. Voorbeeld: Voer "21" en "07" in als de verzending om 21.07 uur moet beginnen. Druk op [Nee] om de instelling van de timer te annuleren. Druk twee keer op [OK] en druk vervolgens op [Sluit]. Timer TX is nu ingesteld en het scherm keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Geef zo nodig andere functies op. – 9 Geef het adres op.
7 7-32 Faxbewerkingen (optioneel) CS250/CS240/CS231
8 Netwerkfaxbediening (optie)
Netwerkfaxbediening (optie) 8 Netwerkfaxbediening (optie) 8.1 Algemene faxbediening (internetfax) 8 In dit gedeelte wordt informatie gegeven over de algemene stappen voor het verzenden van een fax. Een internetfax verzenden ! Detail Hier wordt uitgelegd hoe u een enkelzijdig origineel verzendt volgens de basisprocedure. Dit apparaat biedt diverse functies om het faxen makkelijker te maken. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het fax/scanscherm weer te geven. 2 Plaats het origineel.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 3 Druk op [Scaninstellingen], geef de gewenste functie op en druk op [OK]. – – – 4 8-4 De functies van Scaninstellingen zijn bij aanschaf als volgt ingesteld: [Origineeltype]: Tekst/Foto (Gedrukte foto) [Enkelz./dubbelz.]: 1-zijdig [Resolutie]: 200e200dpi (fijn) [Densiteit]: Standaard [Bestandstype] is niet beschikbaar in internetfaxmodus. Zie "De scaninstellingen opgeven" op pagina 8-11 voor informatie over het opgeven van basisscaninstellingen.
Netwerkfaxbediening (optie) 5 Druk op [Communicatiemethode instellingen], geef de gewenste functie op en druk op [Sluit] 6 Geef het e-mailadres van de geadresseerde op. 8 – Adresboek Directe invoer Groep Programma-adres – Ga verder met stap 10 om een bestemming op te geven via adresboek, groep of programma-adres. – Ga verder met stap 7 om een bestemming op te geven via Directe invoer.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 10 Druk op de toets [Start]. – Het volgende scherm wordt weergegeven wanneer het scherm Contr. TX result.rapport is ingesteld als weergave. Het TX resultaatrapport wordt afgedrukt wanneer u op [Ja] drukt. – Wanneer de Bestem. controle weergavefunctie is ingesteld, wordt het scherm Controleer adres weergegeven. Controleer of het adres juist is en druk dan op [Verzenden]. – Druk op de toets [Stop] wanneer het verzenden van de fax is afgebroken.
Netwerkfaxbediening (optie) 8.2 8 Algemene faxbediening (IP-adresfax) Dit gedeelte bevat informatie over de algemene bewerkingen voor het verzenden van een IP-adresfax. Een IP-adresfax verzenden 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het fax/scanscherm weer te geven. 2 Plaats het origineel. – CS250/CS240/CS231 Zie "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor informatie over het plaatsen van originelen.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 3 Druk op [Scaninstellingen], geef de gewenste functies op en druk op [OK]. – – – 4 8-8 De functies van Scaninstellingen zijn bij aanschaf als volgt ingesteld: [Origineeltype]: Tekst/Foto (Gedrukte foto) [Enkelz./dubbelz.]: 1-zijdig [Resolutie]: 200e200dpi (fijn) [Densiteit]: Standaard [Bestandstype] is bij verzending van IP-adresfaxen als volgt.
Netwerkfaxbediening (optie) 5 Druk op [Communicatiemethode instellingen], geef de gewenste functie op en druk op [Sluit]. 6 Geef het IP-adres van de geadresseerde op. 8 – Adresoek Directe invoer Groep Programma-adres – Voor bijzonderheden over het opgeven van het IP-adres, zie "Slechts één adres opgeven" op pagina 8-14 en "Meerdere bestemmingen opgeven (rondsturen)" op pagina 8-19. – Als u een geselecteerd adres wilt annuleren, selecteert u dit opnieuw.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 8.3 Kleurinstellingen voor verzenden opgeven (IP-adresfax) Hier stelt u in of het origineel wordt verzonden in kleur of zwart-wit. 2 Let op Alleen wanneer IP-adresfax wordt gebruikt, kunnen kleurenfaxen worden verzonden en ontvangen. In Internetfax kunnen geen kleurenfaxen worden verzonden of ontvangen. IP-adresfax dient overeen te komen met het faxapparaat van de ontvanger.
Netwerkfaxbediening (optie) 8.4 8 De scaninstellingen opgeven Wanneer u op [Scaninstellingen] drukt, verschijnen de opties [Origineeltype], [Enkelz./dubbelz.], [Resolutie], [Bestandstype], [Densiteit] weergeven en kunt u verzendkleuren opgeven conform het te verzenden origineel. Scaninstellingen opgeven 1 Druk op [Scaninstellingen] in het fax/scanscherm. 2 Druk op toets die u wilt opgeven. 2 Opmerking U kunt de verzendinstellingen niet voor elke pagina afzonderlijk opgeven.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 Enkelzijdig/dubbelzijdig Stel de scanmodus op de ADF in conform het origineel. Er zijn drie soorten scanmodi. Bij aanschaf is de modus ingesteld op [1-zijdig]. [1-zijdig]: Druk hierop in een enkelzijdig origineel te scannen. [2-zijdig]: Druk hierop om een dubbelzijdig origineel te scannen. [Omslag + 2-zijdig]: Druk hierop om een omslag plus tweezijdig origineel te scannen. Van de omslag wordt alleen de voorkant gescand, vanaf de tweede pagina wordt ook de achterkant gescand.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 2 Opmerking Wanneer [300 e 300dpi] is geselecteerd, wordt dit omgezet in 400 e 400dpi en verzonden. Maar wanneer Compact PDF is geselecteerd bij het verzenden van een IP-adresfax, wordt deze verzonden op 300 e 300dpi. De communicatie duurt langer, naarmate u fijner scant en meer informatie moet worden verzonden. Densiteit Stel de densiteit in naargelang de inhoud van het origineel. U kunt de densiteit instellen in 9 gradaties.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 8.5 Slechts één adres opgeven Eén adres kunt u in internetfax op de volgende manieren opgeven. Opgeven vanuit een geregistreerd adres Opgeven via directe invoer Opgeven vanuit een programma-adres ! Detail Voor bijzonderheden over het opgeven vanuit een geregistreerd adres, zie "Opgeven vanuit een geregistreerd adres" op pagina 8-14. Zie "Opgeven door directe invoer" op pagina 8-17 voor het opgeven via directe invoer.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 Het geregistreerde adres zoeken (knop Zoeken) U kunt een adres zoeken aan de hand van de opgegeven zoektekst, wanneer het adres is geregistreerd. % Indexknoppen ([Hfd.], [ABC] - [WXYZ], [etc]) weergegeven op het tabblad [Adresboek]. De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven. Zoeken naar het gewenste adres (Adrestype) De bestemming kan worden gezocht vanaf het adrestype (Internetfax, IP-adres fax, enz.). 1 Druk op [Gedetail zoeken] in het tabblad [Adresboek].
Netwerkfaxbediening (optie) 8 3 Selecteer het type adres. – – Wanneer de SMTP-servercapaciteit ingesteld in de E-Mail TX (SMTP)-instellingen van de gebruikersfunctie, zal er een fout optreden als het formaat groter is dan het ingestelde formaat en zal het verzenden niet mogelijk zijn. De weergave van standaardinstellingen van het tabblad [Adresboek] kan worden gewijzigd in adrestype door de instelling Standaard adresboek. De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven.
Netwerkfaxbediening (optie) 3 8 Druk op [Naam] of op [Adres]. – Geef de naam of het e-mailadres, IP-adres op via het schermtoetsenbord en druk op [OK]. De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven. Opgeven door directe invoer U kunt het adres opgeven via directe invoer, als het adres niet is geregistreerd in het adresboek. 2 Opmerking Wanneer [Handmatige adresinvoer] is verboden, wordt de tab [Directe invoer] niet weergegeven. 1 Druk op [Directe invoer] in het fax/scanscherm.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 3 Voer het adres in en klik op [OK]. – Bij internetfax geeft u e-mailadressen van de geadresseerde op met het schermtoetsenbord. – Bij IP-adresfax drukt u op [IP-adres] en geeft u het IP-adres of de hostnaam op met het toetsenbord of het schermtoetsenbord. Vervolgens druk u op [OK]. Als u het poortnummer wilt wijzigen, drukt u op de toets [C] (wissen) om het nummer te wissen. Vervolgens geeft u het gewenste poortnummer op met het toetsenbord.
Netwerkfaxbediening (optie) 8.6 8 Meerdere bestemmingen opgeven (rondsturen) U kunt een fax naar meerdere adressen tegelijk verzenden. Deze functie heet rondsturen. Methode Beschrijving Rondsturen alleen van internetfax Totaal 505 faxen, waarvan 500 geregistreerde adressen en 5 via directe invoer. Gecombineerd rondsturen van internetfax/ G3-fax Totaal 605 faxen waarvan 500 geregistreerde adressen en 105 via directe invoer (internetfaxadressen 5, G3-faxadressen 100).
Netwerkfaxbediening (optie) 8 Meerdere bestemmingen opgeven (met de groepknop) 1 Druk op [Gedetail zoeken] in het tabblad [Adresboek]. 2 Druk op [Adrestype]. 3 Druk op [Groep]. 4 Druk op de betreffende groepknop. U hebt meerdere adressen opgegeven. ! Detail De weergave van standaardinstellingen van het tabblad [Adresboek] kan worden gewijzigd in adrestype door de instelling Standaard adresboek.
Netwerkfaxbediening (optie) 8.7 8 Fax verzenden met een programma-adres Wanneer u een programma-adres hebt geregistreerd, kunt u een fax zenden door op de knop voor het geregistreerde programma te drukken. Als verzendinstellingen (Origineel type en origineel specificatie) zijn geregistreerd in een programmatoets, kunt u een fax sturen door op die knop te drukken. U hoeft de functie-instellingen niet elke keer op te geven. Verzending is mogelijk nadat u de groepknop hebt geregistreerd in 1 programmaknop.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 6 Druk op de betreffende programmaknop en vervolgens op [OK]. – – De programmaknop wordt weergegeven wanneer u drukt op U kunt slechts één programma-adres opgeven. en . De instellingen en het adres worden opgeroepen. 7 Druk op de toets [Start]. Het origineel wordt gescand en vervolgens verzonden.
Netwerkfaxbediening (optie) 8.8 8 Problemen met verzenden Wanneer u IP-adresfax gebruikt, en de lijn van de geadresseerde bezet was, kunt u de fax opnieuw verzenden met de functie opnieuw kiezen. Deze functie opnieuw kiezen heeft de mogelijkheden automatisch en handmatig. 2 Opmerking Bij automatisch of handmatig opnieuw kiezen kunt u het adres niet wijzigen. Internetfax heeft geen functie om e-mail opnieuw te verzenden. Opnieuw kiezen Hetzelfde adres nogmaals kiezen heet opnieuw kiezen.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 2 Druk op [OK]. De resultaten van opdrachten die zijn verzonden, kunnen worden bekeken door op [Opdrachtlogboek] te drukken. Handmatig opnieuw kiezen (lijst Huidige opdrachten) De opnieuw te kiezen opdracht wordt handmatig opnieuw gekozen. 1 Druk op [Opdr.lijst] en vervolgens op de toets [Opdrachtdetails]. 2 Druk op [Verzenden]. 3 Selecteer [Wachten opn.kiezen] en selecteer vervolgens de toets [Opnieuw kiezen]. Het scherm voor opnieuw kiezen verschijnt.
Netwerkfaxbediening (optie) 8.9 8 Verzending reserveren Met deze functie wordt de volgende verzending in de wachtrij geplaatst terwijl een fax wordt afgedrukt of verzonden. Dit wordt een gereserveerde verzending genoemd. 1 Druk op [Wachtrij scan/fax]. – 2 3 Alleen wanneer [TX weergave] of [RX weergave] niet is ingesteld op "Ja", wordt [Volg. scan/faxopd] niet weergegeven. Plaats het origineel. – Zie "Het document invoeren" op pagina 2-27 voor informatie over het plaatsen van originelen.
Netwerkfaxbediening (optie) 8 8.10 De verzending stoppen Stoppen tijdens de verzending Hebt u tijdens een verzending een andere opdracht, dan kunt u de verzending stoppen vanuit de volgende bewerking. 2 Opmerking De betreffende fax wordt in de wachtrij van het apparaat geplaatst. 1 Druk op [Opdr.lijst]. 2 Druk op [Opdrachtdetails]. 3 Druk op [Verzenden]. 4 Controleer of [Huidige opdrachten] geselecteerd is. 5 Druk op [Verwdr.] om de te annuleren opdracht te verwijderen.
9 Bijlage
Bijlage 9 9 Bijlage 9.1 Tekst invoeren In de volgende procedure wordt beschreven hoe u het toetsenbord dat op het tiptoetsscherm verschijnt, kunt gebruiken voor het typen van namen voor geregistreerde accounts en aangepaste papierformaten. U kunt het numerieke toetsenblok ook gebruiken voor het invoeren van getallen. Een van de volgende toetsenborden wordt mogelijk weergegeven.
Bijlage 9 Wanneer u drukt op [Shift], schakelt de weergave van het toetsenbord tussen kleine letters (cijfers) en hoofdletters (symbolen). Het toetsenbord vergroten Het toetsenbord kan groter worden weergegeven zodat het beter leesbaar is. 1 Druk, terwijl het toetsenbord wordt weergegeven, op [Vergr. AAN]. Het toetsenbord wordt vergroot weergegeven. 2 Om het vergroot display te annuleren en het toetsenbord opnieuw op normaal formaat weer te geven, drukt u op [Vergr.
Bijlage 9 Tekst typen % Druk op de knop voor het gewenste teken van het toetsenbord dat is weergegeven. – Druk op [Shift] om hoofdletters of symbolen te typen. – U kunt ook getallen typen met de cijfertoetsen. De ingevoerde tekens worden weergegeven in het tekstvak. 2 Opmerking Om de instellingen ongedaan te maken wanneer het toetsenbord wordt weergegeven, drukt u op [Annuleren]. Druk op de toets [C] (wissen) om alle ingevoerde tekst te wissen.
9 9-6 Bijlage CS250/CS240/CS231
10 Index
Index 10 10 Index 2-in-1 2-44 3-vouw 2-62, 2-68 4-in-1 2-44 8-in-1 2-44 A Algemene faxbediening 7-3, 8-3, 8-7 Afbeelding aanpassing 2-134 Afbeelding herhalen 2-124 Afbeelding invoegen 2-110 Afbeeldingen verschuiven 3-16, 3-63 Afbeeldingscompressie 3-31 Aangepaste paginaformaten 3-8 Afbreken 7-28 Achterblad 3-19 Achtergrond verwijderen 5-41 Afdrukken en opslaan 4-13 Afdrukinstellingen 4-37 Afdruktype 3-15, 3-45, 3-62 Accountspoor 3-59 Adres opgeven 8-14 Adresinstellingen 7-14 Adresboek 5-72, 6-27 Adresty
Index 10 G K General settings 3-44, 3-54 Geheugenfunctie 2-72 Geheugenoverloop 7-23 Glansmodus 3-31, 3-45, 3-78 Gecombineerd afdrukken 4-44 Gecombineerde pagina's 2-44 Glasplaat 2-28, 2-100, 7-6 Gekopieerde documenten opslaan 4-4 Gebruikersbox 5-74 Gebruikersbox gecodeerde PDF 4-17, 4-57 Gebruikersauthenticatie 2-12, 3-12, 3-57 Gebruikersboxbestemmingen 4-7 Gebruikersregistratie 2-15, 3-13 Gescande gegevens opslaan 4-7 Geregistreerd adres 7-14, 8-14 Geregistreerde bestemming 5-12, 5-22, 5-26 Gereserveerd
Index 10 P Page Attributes 3-41, 3-52 Page Setup 3-38, 3-41, 3-48, 3-52 Pagina's 3-44, 3-54 Paginanummer 3-30, 3-75, 5-51 Pictogrammen 2-7 Papier 3-41 Papier met aangepast formaat 2-89 Papier plaatsen 2-18, 2-20, 2-21, 2-22, 2-23 Papierlade 3-8, 3-66 Papiercapaciteit 2-83 Papierinstellingen 2-86 Papierbron 3-44 Papierformaat 2-82, 3-7, 3-8, 3-52 Papiersoort 2-83, 3-66 Paper arrangement 3-18, 3-62 Patroon 3-31 Printing 3-39, 3-44, 3-48, 3-54 Printerspecifieke opties 3-45 Programma 6-34 Programma-adressen 7-
10 Index 10-6 CS250/CS240/CS231
Commentaarformulier voor de lezer Commentaarformulier voor de lezer Vragen Vindt u deze handleiding nauwkeurig? O Ja O Nee Kon u na het lezen van deze handleiding het product bedienen? O Ja O Nee Geeft deze handleiding voldoende achtergrondinformatie? O Ja O Nee Is deze handleiding geschikt wat het formaat, de leesbaarheid en de structuur (layout, volgorde van de hoofdstukken, enzovoort) betreft? O Ja O Nee Kon u de informatie vinden die u nodig had? O Altijd O Meestal O Soms O Nooit Wat hebt u gebruikt om
Commentaarformulier voor de lezer Datum: Dit commentaarformulier is ingevuld door: (Indien u anoniem wenst te blijven, vul dan wel graag uw beroep in.) Naam: Beroep: Bedrijf: Telefoonnummer: Adres: Plaats: Land: Stuur dit formulier op naar: Océ-Technologies B.V. Ter attentie van ITC-gebruikersdocumentatie. Postbus 101 5900 MA Venlo Nederland E-mailadres: itc-userdoc@oce.com Kijk voor adressen van lokale Océ-organisaties op: http://www.oce.
Adressen van Océ-vestigingen Adressen van Océ-vestigingen [80] Océ-Australia Ltd. P.O. Box 363 Ferntree Gully MDC Vic 3165 Australia http://www.oce.com.au/ Océ-Österreich GmbH Postfach 95 1233 Wenen Austria http://www.oce.at/ Océ-Belgium N.V./S.A. J. Bordetlaan 32 1140 Brussel Belgium http://www.oce.be/ Océ-Brasil Comércio e Indústria Ltda. Av. das Nações Unidas, 11.857 Brooklin Novo São Paulo-SP 04578-000 Brasil http://www.oce-brasil.com.br/ Océ-Canada Inc.
Adressen van Océ-vestigingen Océ-Hungaria Kft. 1241 Budapest Pf.: 237 Hungary http://www.oce.hu/ Océ Ireland Ltd. 3006 Lake Drive Citywest Business Campus Saggart Co. Dublin Ireland http://www.oce.ie/ Océ-Italia S.p.A. Strada Padana Superiore 2/B 20063 Cernusco sul Naviglio (MI) Italia http://www.oce.it/ Océ Japan Corporation 3-25-1, Nishi Shinbashi Minato-Ku Tokio 105-0003 Japan http://www.ocejapan.co.jp/ Océ-Belgium S.A. Rue Astrid 2/A 1143 Luxembourg-Belair http://www.oce.lu/ Océ Malaysia Sdn. Bhd.
Adressen van Océ-vestigingen Océ España SA Business Park Mas Blau Osona, 2 08820 El Prat de Llobregat Barcelona Spain http://www.oce.es/ Océ-Svenska AB Sollentunavägen 84 191 27 Sollentuna Sweden http://www.oce.se/ Océ-Schweiz AG Sägereistrasse 10 CH8152 Glattbrugg Schweiz http://www.oce.ch/ Océ (Thailand) Ltd. B.B. Building 16/Floor 54 Asoke Road Sukhumvit 21 Bangkok 10110 Thailand Océ-Nederland B.V. Postbus 800 5201 AV 's-Hertogenbosch The Netherlands http://www.oce.