Operation Manual
CS250/CS240/CS231 4-67
Beheerdersprogramma
4
LDAP Setting – LDAP Setting
Selecteer of LDAP moet worden gebruikt.
2
Let op
Als de LDAP-serverinstellingen niet correct zijn opgegeven, kan er een storing optreden in het netwerk.
Deze instelling moet worden opgegeven door de netwerkbeheerder.
LDAP Setting – Setting Up LDAP
U kunt een maximum aan 5 LDAP-servers registreren.
Item Omschrijving
Default Selecteer de LDAP-server die als standaardserver moet worden gebruikt.
LDAP Server Name Toont de naam van de LDAP-server.
De knop [Check Connection] Als de LDAP-instellingen zijn ingeschakeld, verschijnt een knop. Klik op deze knop
om de verbinding met de LDAP-server te controleren.
Knop [Edit] Klik op deze knop om een pagina weer te geven voor het registreren van
LDAP-servers.
Knop [Delete] Klik op deze knop om een pagina weer te geven voor het verwijderen van de gere-
gistreerde LDAP-server.










