Océ Gebruikershandleiding Océ CS250/CS240/CS231 Faxbewerkingen
Océ-Technologies B.V. Océ-Technologies B.V. Copyright ¤ 2007, Océ-Technologies B.V. Venlo, Nederland. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd, gekopieerd, aangepast of overgedragen in wat voor vorm of op wat voor manier dan ook zonder schriftelijke toestemming van Océ. Océ-Technologies B.V. geeft geen volledigheidsverklaring of garanties met betrekking tot de inhoud van deze Help. Océ-Technologies B.V.
Handelsmerken Handelsmerken Océ, Océ CS250/CS240/CS231, Océ CS250/CS240/CS231-printer, Océ Doc Exec£, Océ Image Logic£, Océ Scan Logic£, Océ Power Logic£, Océ Print Exec£ en Océ Remote Logic£ zijn geregistreerde handelsmerken van Océ-Technologies B.V. Adobe£ en PostScript£ 3¥ geregistreerde handelsmerken van Adobe£ Systems Incorporated. Macintosh£ is een geregistreerd handelsmerk van Apple£ Computer, Inc.
Handelsmerken
Inhoudsopgave 1 Inleiding Handelsmerken ................................................................................................................................. 1-3 Copyright........................................................................................................................................... 1-3 2 1.1 1.2 Aanvullende kennisgeving voor gebruiker.................................................................................... 1-4 Een fax verzenden (faxen) .................
3 2.6 Faxen ontvangen in een box......................................................................................................... 2-10 Soorten boxen ................................................................................................................................. 2-10 Gebruik van de functie PC-Fax RX.................................................................................................. 2-12 2.7 Verzending en ontvangst bij gebruik van een toestelnummer ..................
4 5 3.15 Verzending uit geheugen en snelle verzending uit geheugen................................................... Verzending uit geheugen................................................................................................................. Snelle verzending uit geheugen ...................................................................................................... Snelle verzending uit geheugen gebruiken ...............................................................................
7.9 7.10 7.11 7.12 7.13 7.14 7.15 7.16 7.17 7.18 7.19 7.20 7.21 7.22 7.23 8 9 Een origineel met meerdere pagina's van verschillende formaten verzenden (Gemengd origineel) ...................................................................................................................... Een origineel met vouwlijnen verzenden (Z-vouw origineel) ..................................................... Een lang origineel verzenden (Lang origineel).............................................................
10 11 Instellingen registreren en opgeven 10.1 Het faxregistratiescherm weergeven .......................................................................................... 10-3 Het scherm Scan/Faxadres registreren weergeven ........................................................................ 10-3 10.2 Het adresboek registreren ........................................................................................................... 10-4 Een faxnummer in het adresboek registreren .................
11.3 11.4 11.5 11.6 11.7 11.8 11.9 11.10 11.11 11.12 11.13 11.14 11.15 11.16 11.17 11.18 11.19 11.20 11.21 11.22 11.23 11.24 11.25 11.26 11.27 11.28 11.29 11.30 11.31 11.32 Inhoudsopgave-6 PBX verbindingsinstelling .............................................................................................................. Rapportinstellingen........................................................................................................................ Opdrachtinstellingenlijst .................
12 13 14 Rapporten en lijsten 12.1 Rapport- en lijstsoorten................................................................................................................ 12-3 Rapporten........................................................................................................................................ 12-3 Lijsten .............................................................................................................................................. 12-4 12.
Inhoudsopgave-8 CS250/CS240/CS231
1 Inleiding
Inleiding 1 1 Inleiding Gefeliciteerd met uw aanschaf van dit apparaat. In deze gebruikershandleiding worden de handelingen en voorzorgsmaatregelen gegeven die bij gebruik van de faxfuncties moeten worden gevolgd. Lees deze handleiding aandachtig door. Lees voor het juiste en veilige gebruik van dit apparaat het gedeelte "Voorzorgsmaatregelen voor installatie en gebruik" in de Handleiding – Kopieerbewerkingen goed door alvorens het apparaat in gebruik te nemen.
Inleiding 1 1.1 Aanvullende kennisgeving voor gebruiker Het faxapparaat is goedgekeurd in overeenstemming met de Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aansluiting van een enkele terminal op openbare geschakelde telefoonnetwerken (PSTN’s). Vanwege verschillen tussen PSTN’s in verschillende landen, biedt deze goedkeuring niet per definitie een onvoorwaardelijke verzekering van een probleemloze werking op elk PSTN-netwerkterminalpunt.
Inleiding 1.2 1 Een fax verzenden (faxen) Hier volgt de basisprocedure voor het verzenden van een fax. Een fax verzenden 0 Voor gebruik van de faxfuncties moet de optionele fax-kit geïnstalleerd zijn. 1 Schakel de faxmodus in door op de knop [Fax/Scan] op het bedieningspaneel te drukken. Het scherm Fax/Scan verschijnt. 2 Plaats het origineel dat u wilt faxen. – CS250/CS240/CS231 Zie "Het origineel plaatsen' op pagina 3-6 voor meer informatie over het plaatsen van originelen.
Inleiding 1 3 1-6 Geef indien nodig de gewenste functies op. – Scherm Scaninstellingen – – Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Scherm Origineel instellingen – – Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen. Scherm Communicatie-instelling – Zie "Communicatie-instelling' op pagina 7-6 voor meer informatie over communicatie-instellingen.
Inleiding 1 4 Voer het faxnummer van de ontvanger in via het toetsenbord. – – 5 Als er een fout nummer is ingetoetst, drukt u op [Wissen] en voert u vervolgens het juiste nummer in. Druk op [C] (wissen) als u het hele ingetoetste faxnummer wilt wissen. Druk op de toets [Start] op het bedieningspaneel. – CS250/CS240/CS231 Zie "Fax kan niet worden verzonden' op pagina 5-3 als u geen faxen kunt verzenden.
Inleiding 1 1.3 Beschikbare functies Informatie over het aantal pagina's invoegen en verzenden Wanneer Snelgeheugen TX wordt gebruikt, kan informatie over het totale aantal pagina's van het origineel dat wordt verzonden, in het origineel worden opgenomen. Zo kan worden gecontroleerd of het hele origineel goed is verzonden. Zie "De paginatelling weergeven in de verzonden fax (Aantal originelen)' op pagina 3-40 voor meer informatie. Van:012345678 2005/01/20 10:01 #12 P.
Inleiding 1 Schaduwen wissen Bij het faxen van bijvoorbeeld boekjes kunnen schaduwen langs de boven-, onder-, linker- of rechterkant van het origineel verschijnen. Deze kunnen worden gewist. Zie "Een fax verzenden nadat donkere schaduwranden zijn verwijderd (Kader wissen)' op pagina 7-12 voor meer informatie. Wisbreedte Standaardverzending Verzending met Kader wissen Een scangebied voor het origineel opgeven Het is mogelijk een scangebied op te geven voor originelen die moeten worden gefaxt.
Inleiding 1 Origineel met vouwlijnen verzenden Originelen met een formaat dat door vouwlijnen niet juist gedetecteerd kan worden, kunnen wel in het juiste formaat worden verzonden. Zie "Een origineel met vouwlijnen verzenden (Z-vouw origineel)' op pagina 7-27 voor meer informatie. Lang origineel verzenden Originelen langer dan 432 mm (17 inch) kunnen worden verzonden. Zie "Een lang origineel verzenden (Lang origineel)' op pagina 7-29 voor meer informatie.
Inleiding 1 De inbindpositie van tweezijdige originelen opgeven Het is mogelijk de inbindpositie voor een origineel op te geven en de positie van de achterzijde van het origineel aan te passen voordat een fax wordt verstuurd. Zie "De inbindpositie opgeven (Inbindpositie)' op pagina 7-31 voor meer informatie.
Inleiding 1 Modus Super G3 uitschakelen In situaties waar de modus Super G3 (V. 34) niet kan worden gebruikt door beperkingen in de eigen telefooncentrale (PBX), enz., kunnen faxen worden verzonden nadat de modus voor super G3-faxverzending (V. 34) is geannuleerd. Zie "Een fax verzenden nadat de Super G3-modus is geannuleerd (V.34 UIT)' op pagina 7-36 voor meer informatie.
Inleiding 1 De kleurdensiteit van de achtergrond instellen De kleurdichtheid van de achtergrond van originelen kan worden ingesteld. Zie "De densiteit van de achtergrondkleur van een fax instellen en de fax verzenden (Achtergrond verwijderen)' op pagina 7-8 voor meer informatie. Tekenranden versterken Gefaxte originelen kunnen worden bijgewerkt om bijvoorbeeld wazige tekens scherper te maken en het hele origineel duidelijker te maken.
Inleiding 1 1.4 Uitleg van conventies in de handleiding Hieronder worden de symbolen en tekstopmaak beschreven die in deze handleiding worden gehanteerd. Veiligheidswaarschuwingen 6 GEVAAR Als u de instructies die met dit symbool worden aangeduid niet volgt, kan dit leiden tot ernstig of zelfs fataal letsel door elektrische stroom. % Let goed op bij alle gevaaraanduidingen om ongelukken te voorkomen.
Inleiding 1 Speciale tekstmarkeringen Toets [Stop] De namen van de toetsen op het bedieningspaneel worden op deze manier weergegeven. APPARAATINSTELLING Schermteksten worden op deze manier weergegeven.
Inleiding 1 1.5 Beschrijvingen en symbolen voor originelen en papier Hier vindt u een uitleg van de beschrijvingen en symbolen, die in deze handleiding voor originelen en papier zijn gebruikt. "Breedte" en "Lengte" Wanneer papierafmetingen in deze handleiding worden vermeld, verwijst de eerste waarde altijd naar de breedte van het papier (weergegeven met "Y" in de afbeelding) en de tweede waarde naar de lengte (weergegeven met "X").
Inleiding 1.6 1 Handleidingen Dit apparaat wordt geleverd met gedrukte handleidingen en handleidingen in PDF-indeling op de handleidings-cd. Handleiding Deze handleiding bevat de bedieningsprocedures en beschrijvingen van de meestgebruikte functies. Kopieerbewerkingen Deze handleiding bevat beschrijvingen van de kopieerhandelingen en het onderhoud van dit apparaat.
1 1-18 Inleiding CS250/CS240/CS231
2 Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2.1 Voorzorgsmaatregelen 2 Met dit apparaat kunnen geen kleurenfaxen worden verzonden of ontvangen.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 2.2 Gebruik van het bedieningspaneel Bedieningspaneel 1 2 3 4 22 5 21 20 19 6 18 17 7 16 8 15 14 Nr. 2-4 Naam 13 12 11 10 9 Beschrijving 1 Aanraakscherm In dit scherm worden diverse schermen en berichten weergegeven. 2 Netspanningslampje Brandt groen als de [Netspanning] AAN staat. 3 [Toets Spanning] (aan/uit-toets) Hiermee wordt de netspanning naar het bedieningspaneel AAN/UIT gezet.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 Nr. Naam Beschrijving 12 Toets [C] (wissen) Druk op deze toets om een via het toetsenbord ingevoerde waarde, of een teken dat via het schermtoetsenbord is ingevoerd, te wissen. 13 Toetsenbord Gebruik het toetsenbord om nummers in te voeren. De toetsen kunnen worden gebruikt om telefoonnummers in te voeren en waarden in te stellen. 14 Toets [Help] Druk op deze toets om het Help-scherm te openen.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 Schermen van de Fax-modus Wanneer op de toets [Fax/Scan] op het bedieningspaneel wordt gedrukt, verschijnt het gelijknamige scherm. De bestemming of functie die wordt weergegeven, wordt geselecteerd door licht met uw vinger op de op het scherm weergegeven toets te drukken. 2 3 4 5 6 7 1 8 16 9 15 14 Nr. 2-6 13 12 11 10 Naam Beschrijving 1 Toets [Functie Controle] Geeft een lijst met geselecteerde bestemmingen links in het scherm weer.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2.3 2 Basisinstellingen Na installatie van het apparaat moet het volgende worden ingesteld om de faxfuncties te kunnen gebruiken. Indien deze instellingen onjuist of niet worden uitgevoerd, kan het zijn dat faxcommunicatie niet mogelijk is. Zorg dat deze instellingen worden geregistreerd. Datum/Tijdinstellingen Datum/Tijdinstellingen Geef de huidige datum en tijd op.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 2.4 Handige functie-instellingen Nummers waarnaar vaak faxen worden gestuurd, kunnen worden opgeslagen in het Adresboek of in groepsbestemmingen. Ook scaninstellingen voor faxverzendingen kunnen worden opgeslagen. Deze gegevens kunnen dan met een druk op de geregistreerde toets worden binnengehaald. Adressen in het Adresboek Adressen waarnaar vaak faxen worden gestuurd, kunnen worden opgeslagen in het Adresboek.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2.5 2 Gebruikersauthenticatie en gebruikersregistratie Dit apparaat kan zodanig worden ingesteld dat een gebruikersnaam en wachtwoord moeten worden ingevoerd om het apparaat te kunnen gebruiken. Zodra de benodigde informatie op het weergegeven scherm is ingevoerd, verschijnt het normale scherm. Vraag uw beheerder om de juiste accountnaam of gebruikersnaam.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 2.6 Faxen ontvangen in een box Met gebruik van de functie PC-Fax RX of Geheugen RX op dit apparaat, kunnen ontvangen faxen in een box op de vaste schijf worden opgeslagen zonder te worden afgedrukt. Daarnaast worden vertrouwelijke documenten die worden ontvangen, automatisch opgeslagen in de vertrouwelijke box op de vaste schijf. Het document dat in de box is opgeslagen, kan op dit apparaat worden afgedrukt of naar een computer in het netwerk worden gedownload.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen Boxnaam Systeemgebruikersbox 2 Functie Bulletin Board gebruikersbox In deze boxen kunnen originelen worden opgeslagen om te bekijken. Originelen die in de Bulletin Board gebruikersbox zijn opgeslagen, kunnen na een polling-aanvraag van de ontvanger worden verzonden. ! Detail Zie "Het origineel opgeven en opvragen (Bulletin board)' op pagina 9-9 voor informatie over de Bulletin Board gebruikersbox.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 Gebruik van de functie PC-Fax RX Documenten die met de functie PC-Fax RX worden ontvangen, worden opgeslagen in een Geheugen RX gebruikersbox of een Openbare/Persoonlijke gebruikersbox (box nr.1 t/m 999999999) op de vaste schijf. De box waarin de ontvangen documenten worden opgeslagen, wordt ingesteld via [Fax RX instelling] in de modus Hulpprogramma. Raadpleeg de volgende tabel voor informatie over [Fax RX instelling] en ontvangstmethoden.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2.7 2 Verzending en ontvangst bij gebruik van een toestelnummer Voor verzending en ontvangst bij gebruik van 2 lijnen kan de fax-multilijn worden geïnstalleerd. 2 Opmerking Let op de volgende punten bij het installeren van een fax-multilijn: De functie Hoorn van haak kan alleen met lijn 1 (de standaardlijn) worden gebruikt. Ontvangst met lijn 2 (het toestelnummer) kan alleen via automatische ontvangst plaatsvinden.
Alvorens dit apparaat in gebruik te nemen 2 Gebruik als lijn voor alleen ontvangst Lijn 2 (extra toestelnummer) kan worden ingesteld om alleen te ontvangen. Als met lijn 2 alleen wordt ontvangen, wordt lijn 1 alleen gebruikt om te verzenden. Dit is bijvoorbeeld handig als u de lijnen voor verzenden en ontvangen gescheiden wilt houden. 2 Opmerking Lijn 1 wordt voor zowel verzenden als ontvangen gebruikt en kan niet worden ingesteld om alleen te ontvangen.
3 Een fax verzenden
Een fax verzenden 3 3 Een fax verzenden 3.1 Algemene faxbewerkingen In dit gedeelte wordt informatie gegeven over de algemene stappen voor het verzenden van een fax. ! Detail Kleurenfaxen kunnen niet worden verzonden of ontvangen. Gebruik de scanfuncties als u een kleurenfax wilt verzenden. Raadpleeg ‘Handleiding – Netwerkscannerbewerkingen’ voor meer informatie over scanfuncties.
Een fax verzenden 3 – – – – 4 Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen. Druk op [Communicatie instelling], geef de gewenste functie op en druk op [Sluit]. – 3-4 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 voor meer informatie over het opgeven van de basisinstellingen voor scannen. Voor informatie over [Kleur], [Wissen], [Boek scannen] en [Applicatie] raadpleegt u "Scaninstellingen' op pagina 7-3.
Een fax verzenden 6 3 Geef het faxnummer van de ontvanger op. – Zie "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 en "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)' op pagina 3-19 voor de procedures voor het invoeren van een faxnummer. – Voor het opgeven van het adres kan een van de volgende methoden worden gebruikt: Adresboek Directe invoer Groepsbestemmingen Programma-adres – Als u een geselecteerd adres wilt annuleren, selecteert u het betreffende adres opnieuw.
Een fax verzenden 3 3.2 Het origineel plaatsen Het origineel kan in de ADF worden geplaatst, of kan op de glasplaat van het apparaat worden gelegd. Als het origineel in de ADF is geplaatst, wordt dit automatisch vanuit de ADF gescand. Het origineel in de ADF plaatsen Vanuit de ADF kunnen originelen met meerdere pagina's automatisch worden gescand. Bovendien kunt u dubbelzijdige originelen faxen. 1 Sluit de ADF. 2 Leg het origineel in de juiste volgorde vanaf de eerste pagina.
Een fax verzenden 3 Een origineel met meerdere pagina's faxen via de glasplaat Alle pagina's van een origineel met meerdere pagina's dat niet kan worden geladen in de ADF kunnen samen worden gefaxt via de glasplaat. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het scherm Fax/Scan weer te geven. 2 Geef de bestemming op. 3 Geef zo nodig de gewenste functies op. 4 Plaats het origineel op de glasplaat en druk op [Scaninstellingen], [Afzonderl. scan], [OK] en druk dan op de toets [Start].
Een fax verzenden 3 Originelen verzenden via de ADF en de glasplaat Originelen kunnen via zowel de ADF als de glasplaat worden gescand. Grote hoeveelheden originelen kunnen in delen worden opgesplitst, in de ADF worden geplaatst en worden gescand. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het scherm Fax/Scan weer te geven. 2 Geef de bestemming op. 3 Geef zo nodig de gewenste functies op. 4 Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF en druk op [Scaninstellingen], [Afzonderl.
Een fax verzenden 3.3 3 Scaninstellingen opgeven Als op [Scaninstellingen] in het scherm Fax/Scan wordt gedrukt, worden [Origineeltype], [Enkelz./Dubbelz.], [Resolutie] en [Densiteit] weergegeven, zodat u de kunt instellen hoe het origineel moet worden gescand. 2 Opmerking [Bestandstype] is niet beschikbaar in faxmodus. Scaninstellingen opgeven 2 Opmerking Voor de verschillende pagina's van een origineel kunnen geen verschillende verzendinstellingen worden opgegeven.
Een fax verzenden 3 Het origineeltype is standaard ingesteld op [Tekst/Foto]. [Tekst]: Selecteer deze optie wanneer originelen met alleen tekst worden gescand. Als deze stand wordt geselecteerd voor originelen met foto's, worden geen van de tussenkleuren van de afbeelding gereproduceerd en wordt de afbeelding donkerder. [Tekst/Foto]: Selecteer deze optie wanneer originelen met tekst en foto's (halftoon) worden gescand.
Een fax verzenden 3 Resolutie Hiermee wordt de scanresolutie voor het origineel ingesteld. Er zijn vijf instellingen voor de resolutie. De resolutie is standaard ingesteld op [Fijn]. [200e100 (Std.)]: Selecteer deze optie om de verzendtijd te versnellen. [200e200 (Fijn)]: Selecteer deze optie om originelen op normale wijze te scannen. [300e300 dpi]: Selecteer deze optie om normale originelen met een hogere resolutie te scannen.
Een fax verzenden 3 Densiteit Stel de densiteit in overeenkomstig de inhoud van het origineel. De densiteit kan op negen niveaus worden ingesteld. De densiteit is standaard ingesteld op [Standaard]. [Licht]: Selecteer deze optie om een origineel met lichte densiteit te scannen. [Standaard]: Selecteer deze optie voor het scannen van een origineel met een normale densiteit. [Donker]: Selecteer deze optie om een origineel met donkerdere densiteit te scannen.
Een fax verzenden 3.4 3 Eén adres opgeven De volgende methoden zijn alleen geschikt als er een enkel adres wordt opgegeven. Een geregistreerd adres selecteren Opgeven via directe invoer Selecteren uit Opdr. historie (opdrachtlogboek) Selecteren uit programma-adressen ! Detail Raadpleeg "Selecteren uit geregistreerde adressen' op pagina 3-13 voor informatie over het selecteren van een adres uit geregistreerde adressen.
Een fax verzenden 3 Een geregistreerd adres zoeken (toets Index) Adressen kunnen worden opgezocht aan de hand van een indexteken, dat wordt opgegeven wanneer het adres wordt geregistreerd. ! Detail De standaardweergave van de index kan worden gewijzigd in Adresboek standaard index. Zie "De beginwaarden voor het scherm Fax/Scan instellen (Scan/Faxinstelling)' op pagina 11-15 voor meer informatie.
Een fax verzenden 3 2 Druk op [Adrestype]. 3 Selecteer het gewenste adrestype. – De instelling voor de standaardweergave van het tabblad [Adresboek] kan in een ander adrestype worden gewijzigd met gebruik van Standaard adresboek. Zie "De beginwaarden voor het scherm Fax/Scan instellen (Scan/Faxinstelling)' op pagina 11-15 voor meer informatie. De toets met het gewenste adres wordt weergegeven.
Een fax verzenden 3 2 Druk op [Detail zoeken]. – 3 Als er geen adres wordt gevonden dat overeenkomt met de ingevoerde informatie, verschijnt "Zoekresultaat: 0" en wordt er geen toets op het scherm weergegeven. Druk op [Naam] of [Adres]. – Voer de naam of het faxnummer in via het toetsenbord op het scherm en druk op [OK]. De toets met het gewenste adres wordt weergegeven.
Een fax verzenden 3 Opgeven via directe invoer Adressen kunnen direct worden ingevoerd, ook als het adres niet in het adresboek is geregistreerd. 2 Opmerking Als [Handmatige adresinvoer] niet is toegestaan, wordt het tabblad [Directe invoer] niet weergegeven. Zie "Directe invoer van faxnummers blokkeren (Handmatige adresinvoer)' op pagina 11-78 voor informatie over de instellingen in [Handmatige adresinvoer]. % Voer het faxnummer van de ontvanger in.
Een fax verzenden 3 Opgeven vanuit de recent gekozen nummers (opdrachtlogboek) Nummers kunnen worden geselecteerd uit het opdrachtlogboek, waarin de (laatste vijf) nummers waarnaar faxen zijn verstuurd worden bewaard. 1 Druk op [Opdr. historie] in het scherm Fax/Scan. 2 Selecteer het gewenste nummer in de lijst. – – – Als u een geselecteerd adres wilt annuleren, selecteert u het betreffende adres opnieuw. Het geselecteerde adres en de instellingen worden gewist door op de toets [Reset] te drukken.
Een fax verzenden 3.5 3 Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcastverzending) Een origineel kan met één handeling naar meerdere adressen worden gestuurd. Dit wordt een sequentiële verzending of broadcast-verzending genoemd. In de volgende procedure wordt beschreven hoe meerdere adressen worden opgegeven.
Een fax verzenden 3 2 Druk op [Adrestype]. 3 Druk op [Groep]. 4 Druk op de gewenste groepstoets. Uw bestemmingen zijn opgegeven. ! Detail De instelling voor de standaardweergave van het tabblad [Adresboek] kan in een ander adrestype worden gewijzigd met gebruik van Standaard adresboek. Zie "De beginwaarden voor het scherm Fax/Scan instellen (Scan/Faxinstelling)' op pagina 11-15 voor meer informatie.
Een fax verzenden 3.6 3 Fax verzenden via een programma-adres Als u een programma-adres hebt geregistreerd, kan een fax worden verzonden met gebruik van de toets van het geregistreerde programma-adres. Als verzendinstellingen in een programmatoets zijn geregistreerd (origineeltype, specificatie van origineel, enz.), kan met een druk op de betreffende toets een fax worden verzonden zonder dat de instellingen iedere keer opnieuw moeten worden opgegeven.
Een fax verzenden 3 5 Druk op de toets van de pagina waar het gewenste programma-adres is ondergebracht en druk dan op [OK]. – 6 Druk op of om het vorige of volgende scherm met indextoetsen weer te geven. Druk op de gewenste programmatoets en vervolgens op [OK]. – – Er kan slechts één programma-adres worden opgegeven. Druk op of om het vorige of volgende scherm met programmatoetsen weer te geven. De instellingen en adressen worden binnengehaald. 7 Druk op [Start].
Een fax verzenden 3.7 3 De instellingen controleren De opgegeven bestemming kan worden gecontroleerd in de lijst broadcast-adressen links in het scherm, en de instellingsgegevens kunnen in het scherm met instellingsdetails worden gecontroleerd. Instellingen controleren De opgegeven bestemming kan worden gecontroleerd in de lijst broadcast-adressen links in het scherm. Volg de onderstaande procedure om de bestemming en instellingsgegevens te controleren. 1 Druk op [Functie controle] links in het scherm.
Een fax verzenden 3 – [E-mailinstellingen controleren] kan niet worden gebruikt in faxmodus. – [Scaninstellingen controleren]: De scaninstellingen kunnen worden gecontroleerd. Druk op iedere instelling op het scherm om de bijbehorende scaninstellingen weer te geven en, indien nodig, te wijzigen. Druk op [Doorst ] om het volgende scherm weer te geven en op [ Achter] om het vorige scherm weer te geven.
Een fax verzenden – 4 3 Zie "Communicatie-instelling' op pagina 7-6 voor meer informatie over communicatie-instellingen. Als u alle instellingen hebt gecontroleerd, drukt u op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven. – CS250/CS240/CS231 Wanneer instellingen in Scaninstellingen, Origineel instelling of Communicatie-instelling worden gewijzigd, verschijnt het scherm Scaninstellingen, Origineelinstelling of Communicatie-instelling.
Een fax verzenden 3 3.8 Bewerkingen tijdens het scannen Als het origineelformaat niet kan worden gedetecteerd Als het origineelformaat niet kan worden gedetecteerd, verschijnt het scherm Scanformaat. Stel hier het formaat van het origineel in. 1 Druk op de toets Origineelform. en druk dan op [OK]. 2 Druk op [Sluit] en druk dan op [OK]. Het scherm Fax/Scan verschijnt. 3 Druk op de toets [Start]. De fax wordt verzonden.
Een fax verzenden 3.9 3 Problemen met verzenden Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, kunt u de fax nogmaals verzenden met de functie Opnieuw kiezen. Met de functie voor opnieuw kiezen op dit apparaat kan automatisch en handmatig opnieuw worden gekozen en opnieuw worden verzonden. 2 Opmerking De bestemming kan niet worden gewijzigd voor automatisch opnieuw kiezen of handmatig opnieuw kiezen in de lijst Actieve opdrachten.
Een fax verzenden 3 Handmatig opnieuw kiezen (lijst Huidige opdrachten) Met deze handeling kunt u faxnummers die opnieuw moeten worden gekozen, handmatig opnieuw laten kiezen. 1 Druk op [Opdr. lijst] en vervolgens op [Opdrachtdetails]. 2 Druk op [Verzenden]. 3 Selecteer een opdracht met de status [Wachten opn. kiezen] en selecteer dan [Opnieuw kiezen]. – Als er geen fax multi-lijn is geïnstalleerd – Als fax multi-lijn is geïnstalleerd Het scherm voor opnieuw kiezen wordt weergegeven.
Een fax verzenden 3 Handmatig opnieuw kiezen (gebruikersbox Fax opnieuw verzenden) Als opdrachten die automatisch opnieuw worden verzonden, na het aantal keer opnieuw kiezen dat is in gesteld in Telefoonlijninstellingen nog steeds niet kunnen worden verzonden, worden ze opgeslagen in de gebruikersbox Fax opnieuw verzenden. Opdrachten in de gebruikersbox Fax opnieuw verzenden kunnen handmatig opnieuw worden gekozen. ! Detail De instelling voor Inst.
Een fax verzenden 3 3.10 Verzending reserveren Als het apparaat bezig is met een communicatie of met afdrukken, kan de volgende verzending worden 'gereserveerd'. Dit wordt een gereserveerde verzending genoemd. 2 Opmerking U kunt [Hoorn van haak] niet gebruiken voor gereserveerde verzending. 1 Druk op [Wachtrij scan/fax]. – – – 2 Plaats het origineel dat u wilt faxen. – – 3 Zie "Het origineel plaatsen' op pagina 3-6 voor meer informatie over het plaatsen van originelen. Druk op [Opdr.
Een fax verzenden 3.11 3 Een fax verzenden en de status van het apparaat van de ontvanger controleren (handmatige verzending) Met deze functie wordt tijdens de verzending van documenten de status van het ontvangende apparaat gecontroleerd. Dit wordt een handmatige verzending genoemd. Snel geheugen TX kan niet worden gebruikt met handmatige verzending. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het scherm Fax/Scan weer te geven. 2 Plaats het origineel dat u wilt faxen.
Een fax verzenden 3 3.12 Verzending afbreken De bewerkingen voor het afbreken van een verzending wanneer de opdracht reeds wordt uitgevoerd (inclusief gereserveerde opdrachten) is anders dan wanneer de verzending via een timer is gereserveerd. 2 Opmerking Opdrachten die verzonden moeten worden en in het apparaat zijn opgeslagen, worden gereserveerde opdrachten genoemd.
Een fax verzenden 3 Timer-verzending van gereserveerde opdrachten annuleren Een verzending kan worden geannuleerd door de timer-verzending van gereserveerde opdrachten te verwijderen. 1 Druk op [Opdr. lijst]. 2 Druk op [Opdrachtdetails]. 3 Druk op [Verzenden]. 4 Controleer dat [Huidige opdrachten] is geselecteerd en druk op [Timer TX-opdr.]. 5 Selecteer de opdracht die u wilt afbreken en druk op [Verwdr.]. – 6 Druk op of om het volgende of vorige scherm weer te geven.
Een fax verzenden 3 3.13 Gereserveerde opdrachten voor verzending controleren De status van verzendreservering die in het geheugen is opgeslagen, kan worden gecontroleerd via de opdrachtlijst die op het scherm wordt weergegeven. 1 Druk op [Opdr. lijst]. 2 Druk op [Opdrachtdetails]. 3 Druk op [Verzenden]. 4 Druk op [Huidige opdracht]. – 5 Druk op [Timer TX opdracht] om de timer-verzendopdrachten te controleren.
Een fax verzenden 3.14 3 Verzendresultaten controleren Via de opdrachtweergave kunnen de verzendresultaten van opdrachten worden bekeken. De volgende onderdelen kunnen in het scherm Opdr. historie worden bekeken. Opdr. historie (Verzenden) Onderdelen Beschrijving Adrestype Het adrestype (fax, e-mailadres, FTP-bestand, SMB-bestand, TWAIN, overige) wordt weergegeven. Adres Het faxnummer, e-mailadres, boxnummer, enz. van de ontvanger wordt weergegeven. Tijd opgesl.
Een fax verzenden 3 Resultaat van overdracht controleren ! Detail Druk op [Comm.lijst] als u de resultaten van communicatie wilt weergeven in de vorm van Scan TX lijst, Fax TX lijst en Fax RX lijst. Druk op [Activiteitenrapport], [TX rapport], of [RX rapport] en druk dan op de toets [Start] om het afgedrukte rapport te controleren. Druk op [Details] als u gedetailleerde informatie over de opdracht wilt bekijken. Voor rondzendingen wordt "Broadcast" weergegeven als de bestemming.
Een fax verzenden – 5 6 3 Als er een fax multi-lijn is geïnstalleerd Controleer het resultaat van de overdracht. – Opdr. hist. (Verzenden) – Opdr. hist. (Ontvangen) Druk op [Sluit] als u alles hebt gecontroleerd. Het scherm keert weer terug naar het scherm Fax/Scan.
Een fax verzenden 3 3.15 Verzending uit geheugen en snelle verzending uit geheugen Documenten kunnen met dit apparaat op twee manieren worden verzonden: snelle verzending uit geheugen en verzending uit geheugen. Verzending uit geheugen Met deze functie wordt het hele origineel vooraf gescand en in het geheugen opgeslagen voordat de fax wordt verzonden.
Een fax verzenden 8 Geef de bestemming op. – 9 3 Zie "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 voor informatie over het opgeven van adressen. Druk op de toets [Start]. – – Als een lijn in gesprek is, wordt de verzending gestart als de lijn weer beschikbaar is. Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, wordt het nummer opnieuw gekozen. Zie "Problemen met verzenden' op pagina 3-27 voor meer informatie over opnieuw kiezen.
Een fax verzenden 3 3.16 De paginatelling weergeven in de verzonden fax (Aantal originelen) Bij een snelle geheugenverzending kan met gebruik van de tellerfunctie voor pagina's het totaal aantal pagina's dat via de bron is verzonden, aan de paginanummering van de verzonden fax worden toegevoegd. 2 Opmerking De volgende functies kunnen niet tegelijk met deze functie worden gebruikt. Geheugenverzending, Enkelz./Dubbelz.
Een fax verzenden 3 8 Druk op [# originelen]. 9 Voer het aantal pagina's in via het toetsenbord en druk op [OK]. – 10 Druk op [Nee] om de instelling te annuleren. Druk op [OK]. De paginatelling is nu ingeschakeld en het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 11 Geef zo nodig andere functies op. – – – 12 Geef de bestemming op. – 13 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
Een fax verzenden 3 3.17 Faxen verzenden op een ingesteld tijdstip (Timer TX) Timer TX is een functie waarmee de verzendtijd voor een fax kan worden ingesteld. Het is voordeliger om faxen te verzenden op tijden met een laag tarief, bijvoorbeeld 's nachts of vroeg 's ochtends. 2 Opmerking De volgende functies kunnen niet tegelijk met deze functie worden gebruikt: #originelen, Opvragen TX, Bulletin Board en Snel Geheugen TX. ! Detail Alleen de tijd kan worden opgegeven.
Een fax verzenden 6 Voer de verzendtijd in via het toetsenbord. – – 7 3 Voer de begintijd van de verzending in en gebruik hiervoor de 24-uurs klok. Voorbeeld: Voer "21" en "07" in als de verzending om 21.07 uur moet beginnen. Druk op [Nee] om de instelling van de timer te annuleren. Druk twee keer op [OK] en druk vervolgens op [Sluit]. Timer TX is nu ingesteld en het scherm keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Geef zo nodig andere functies op. – – – 9 Geef de bestemming op.
Een fax verzenden 3 3.18 Faxen naar het buitenland (Overzee TX) Overzee TX is een functie die gebruikt wordt als een fax wordt verzonden naar een gebied met slechte lijnkwaliteit en verzendt de informatie op een langzamere verzendsnelheid. Hier vindt u een beschrijving van de procedure voor verzendingen naar het buitenland. 2 Opmerking De volgende functies kunnen niet tegelijk met deze functie worden gebruikt: Opvragen TX, Opvragen RX, Bulletin board. Vraag de telefoonbedrijven (KDDI, enz.
Een fax verzenden 6 Druk op [OK] en vervolgens op [Sluit] in het volgende scherm. Overzee TX is nu ingesteld en het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. – 7 – – Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen. Zie "Communicatie-instelling' op pagina 7-6 voor meer informatie over communicatie-instellingen.
Een fax verzenden 3 3.19 Instellingen voor de faxkoptekst Positie voor faxkoptekst ingesteld Het origineel dat wordt verzonden, wordt als volgt aan de kant van de ontvanger geregistreerd. Als de positie van de faxkoptekst is ingesteld op [Binnen tekst]. Van: MFP 01 Aan:123456789 05/25/2006 #138 P001/001 Als de positie van de faxkoptekst is ingesteld op [Buiten tekst]. Van: MFP 01 Aan:123456789 05/25/2006 #138 P001/001 Als de positie van de faxkoptekst is ingesteld op [UIT].
Een fax verzenden 3 Instelling voor het afdrukken van de naam van de ontvanger U kunt instellen of de naam van de ontvanger wel dan niet in de faxkoptekst moet worden afgedrukt. Als [Afdrukken naam ontvanger] AAN staat, worden de namen van de afzender en de ontvanger afgedrukt. Van: MFP 01 Aan:12345678905/25/2006 13:22 #138 P001/001 Als [Afdrukken naam ontvanger] UIT staat, worden de naam en het faxnummer van de afzender afgedrukt.
3 3-48 Een fax verzenden CS250/CS240/CS231
4 Ontvangst
Ontvangst 4 4 Ontvangst 4.1 Ontvangstmodi Dit apparaat heeft de volgende ontvangstmodi. Selecteer de instelling die geschikt is voor de gebruikte telefoonlijn. Automatische ontvangst (modus voor alleen-faxen) Selecteer deze stand als de telefoonlijn alleen voor faxen wordt gebruikt. Zie "Automatische ontvangst (modus voor alleen-faxen)' op pagina 4-4.
Ontvangst 4 4.2 Automatische ontvangst (modus voor alleen-faxen) Selecteer deze stand als de telefoonlijn alleen voor faxen wordt gebruikt. Faxen worden automatisch ontvangen nadat de telefoon een ingesteld aantal keer is overgegaan. Tijdens de ontvangst wordt "Ontvangen" weergegeven in het berichtveld op het scherm. 2 Opmerking Het bericht wordt niet weergegeven als [RX weergave] is ingesteld op [Nee].
Ontvangst 4.3 4 Handmatige ontvangst (modus voor alleen-telefoneren) Deze stand wordt geselecteerd als er een externe telefoon is aangesloten, waarop veel gesprekken binnenkomen. Deze modus werkt wanneer de [Ontvangstmethode] is ingesteld op [Handmatig RX] in de [Telefoonlijninstellingen] van Hulpprogramma's. Raadpleeg "De verzend- en ontvangstmodus instellen (Telefoonlijninstellingen)' op pagina 11-41 voor informatie over de instellingen in de ontvangstmodus.
Ontvangst 4 4.4 Als er geen faxen kunnen worden ontvangen Als een fax niet kan worden ontvangen, verschijnt er een foutbericht. Raadpleeg "Fax kan niet worden verzonden' op pagina 5-3 en voer de vermelde handeling uit. De weergave van het foutbericht verdwijnt als op de toets [Stop] wordt gedrukt. ! Detail Als de externe telefoon blijft overgaan, kan het zijn dat [Ontvangstmodus] is ingesteld op [Handmatige RX] in de [Telefoonlijninstellingen] van Hulpprogramma.
Ontvangst 4.5 4 Tijdelijke geheugenontvangst Tijdelijke geheugenontvangst Als een ontvangen document niet kan worden afgedrukt, bijvoorbeeld omdat het papier is vastgelopen, wordt het document in het geheugen opgeslagen totdat dit kan worden afgedrukt. Dit wordt ook wel een 'tijdelijke geheugenontvangst' genoemd. Zodra de problemen, zoals het vastgelopen papier, zijn opgelost, wordt het ontvangen document afgedrukt. Als het geheugen vol is, is tijdelijke geheugenontvangst niet mogelijk.
Ontvangst 4 4.6 Een record bijhouden tijdens ontvangst Wanneer de ontvangen fax wordt afgedrukt, wordt het paginaformaat van het ontvangen document vergeleken met het papierformaat in de papierlade. De fax wordt afgedrukt door het formaat met het opgegeven percentage te verkleinen, of door het formaat te verkleinen zodat het op het papier in de papierlade past.
Ontvangst 4 Stap 1 Het juiste papier selecteren Het juiste papierformaat wordt bepaald op basis van de breedte en de lengte van het ontvangen document. Breedte van ontvangen document Positie voor opnemen van ontvangstgegevens Lengte van ontvangen document A4 [UIT] of [Binnen tekst] 0 - 150 [Buiten tekst] 151 - 305 306 - 390 391 of meer 0 - 141 142 - 296 297 - 381 382 of meer Geselecteerd papierformaat 5.5 e 8.5 v *1 8.5 e 11 w 8.
Ontvangst 4 Stap 2 Het papier voor de afdruk selecteren Het apparaat bevestigt of het juiste papier, dat in stap 1 is bepaald, aanwezig is. Juiste formaat is aanwezig: Apparaat begint af te drukken. Juiste formaat is niet aanwezig, of [Auto cass. wisselen AAN/UIT] (de functie voor het automatisch wisselen van papierlade) voor de betreffende papierlade is ingesteld op [Beperkt]: Het papier wordt vervolgens op volgorde vanaf boven geselecteerd.
Ontvangst 4 Als [Afzonderlijke faxpagina’s afdrukken] is ingesteld op [AAN]: Het afdrukpapier wordt op volgorde geselecteerd van de bovenste rij. Geschikt papier 5.5 e 8.5 v 8.5 e 11 w 8.5 e 11 v 8.5 e 14 w 11 e 17 w Papiervolgorde (van boven naar beneden) 5.5 e 8.5 v 8.5 e 11 w 8.5 e 11 v 8.5 e 14 w 11 e 17 w 5.5 e 8.5 w A4 w 8.5 e 11 w 11 e 17 w A3 w A5 v 8.5 e 14 w A4 v B4 w 8.5 e 11 v A5 w 11 e 17 w A4 w A3 w 8.5 e 11 w 8.5 e 11 w B4 w 8.5 e 14 w 8.5 e 11 v A4 v 8.
Ontvangst 4 Als het benodigde papierformaat is ingesteld voor alleen de handinvoer, wordt alleen vanuit de handmatige papierlade afgedrukt. Als de handmatige papierlade echter niet is ingesteld op "Auto cassetteselectie" in [Auto cass.selectie instellen], wordt het papier niet vanuit de handmatige lade aangevoerd.
Ontvangst 4 Als er geen papier van het juiste formaat is geplaatst, verschijnt er een bericht totdat het papier is geplaatst. Afdrukken tijdens ontvangst De relatie tussen het afdrukken van de fax en het papierformaat van het ontvangen document, is als volgt: ! Detail Als [Duplex afdruk (RX)] is ingesteld op [AAN], kan de fax op beide zijden van het papier worden afgedrukt. Zie "Verzend- en ontvangstmethoden instellen (TX/RX instelling)' op pagina 11-43 voor meer informatie.
Ontvangst 4 4.7 Voettekstinstelling Als [Voettekst positie] is ingesteld op [Binnen tekst] of [Buiten tekst] in [Koptekst/Voettekst positie] in Hulpprogramma, wordt ontvangstinformatie (datum, tijd, ontvangst, paginanummer) als voettekst op het ontvangen document afgedrukt. ! Detail Raadpleeg "De positie van de koptekst en voettekst opgeven (Koptekst/Voettekst positie)' op pagina 11-39 voor informatie over de instellingen voor [Voettekst positie].
5 Problemen oplossen
Problemen oplossen 5 5 Problemen oplossen 5.1 Fax kan niet worden verzonden Raadpleeg de onderstaande tabel en voer de aangegeven handelingen uit als een fax niet kan worden verzonden. Als alle instructies zijn uitgevoerd en u kunt de fax nog steeds niet verzenden, dient u contact op te nemen met uw technische vertegenwoordiger. ! Detail Als de fax niet kan worden verzonden, wordt een TX rapport afgedrukt. Zie "TX resultaten rapport' op pagina 12-9 voor meer informatie.
Problemen oplossen 5 5.2 Fax kan niet worden ontvangen Raadpleeg de onderstaande tabel en voer de aangegeven handelingen uit als een fax niet kan worden ontvangen. Als alle instructies zijn uitgevoerd en u kunt de fax nog steeds niet ontvangen, dient u contact op te nemen met uw technische vertegenwoordiger. ! Detail Als de fax niet kan worden verzonden, wordt een rapport afgedrukt. Zie "TX resultaten rapport' op pagina 12-9 voor meer informatie.
Problemen oplossen 5.3 5 Foutberichten Als er een storing in het apparaat optreedt, verschijnt het foutberichtscherm met een van de volgende foutberichten. Raadpleeg de onderstaande tabel en voer de vermelde handeling uit. Als alle instructies zijn uitgevoerd en de verzending of ontvangst kan nog steeds niet worden uitgevoerd, dient u contact op te nemen met uw technische vertegenwoordiger. Foutbericht Oplossing TX mislukt vanwege fout.
Problemen oplossen 5 5.4 Als "Contact opnemen met uw leverancier" wordt weergegeven (Service-oproep) Als er een probleem optreedt dat niet door de klant kan worden opgelost, verschijnt het bericht "Contact opnemen met uw leverancier" op het scherm. (Scherm Service-oproep) Gewoonlijk worden het telefoon- en faxnummer van de technische vertegenwoordiger van de klant in het midden van het service-oproepscherm weergegeven.
6 Specificaties
Specificaties 6 6 Specificaties Hier volgt een overzicht van de specificaties van de hoofdonderdelen van de fax. De onderdelen worden regelmatig verbeterd en de productspecificaties kunnen zonder verdere kennisgeving worden gewijzigd. Item Specificaties Geheugencapaciteit afbeeldingen CS231: 768 MB (standaard) CS250/CS240: 1024 MB (standaard) Aantal opgeslagen pagina's 10.
6 6-4 Specificaties CS250/CS240/CS231
7 Nuttige verzendfuncties
Nuttige verzendfuncties 7 7 Nuttige verzendfuncties 7.1 Lijst functies van het instellingenscherm De schermen Scaninstellingen, Origineelinstellingen en Communicatie-instellingen bevatten de volgende opties. Scaninstellingen ! Detail Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 voor meer informatie over basisinstellingen. Zie "Een origineel met meerdere pagina's faxen via de glasplaat' op pagina 3-7 voor informatie over [Afzonderlijk scannen].
Nuttige verzendfuncties 7 Schermweergave [Toepassing] Beschrijving [Scanformaat] De fax wordt verzonden nadat het scanformaat is opgegeven. Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt als u slechts een deel van het origineel wilt faxen. Zie pagina 7-18 voor meer informatie. [Annotatie] Wanneer een fax wordt verzonden, kan het origineel tegelijkertijd in de gebruikersbox worden opgeslagen met een datum en tijd en bestandsnummer.
Nuttige verzendfuncties 7 Origineelinstelling 2 Opmerking In de faxmodus zijn de volgende toetsen uitgeschakeld: [Origineelrichting] in Geef richting op. Schermweergave "Speciaal origineel" "Geef richting op" Beschrijving [Gemengd orig.] Als een document met meerdere pagina's van verschillende formaten wordt geplaatst, wordt met deze functie het formaat gedetecteerd en wordt het origineel verzonden. Zie pagina 7-25 voor meer informatie.
Nuttige verzendfuncties 7 Communicatie-instelling 2 Opmerking In de faxmodus zijn de volgende toetsen uitgeschakeld: [E-mailinst.] [URL-notificatie adresinstelling] 7-6 Schermweergave Beschrijving [Lijninstellingen] [Overzee TX] Functie die gebruikt wordt als een fax wordt verzonden naar een gebied met slecht lijnkwaliteit, om de informatie op een langzamere verzendsnelheid te verzenden. Zie pagina 3-44 voor meer informatie.
Nuttige verzendfuncties 7 Schermweergave Beschrijving [Communicatie/ontvangstmethode-instellingen] [Snel Geheugen TX] Functie waarmee alle pagina's stuk voor stuk worden gescand en verzonden. Zie pagina 3-38 voor meer informatie. [Opvragen RX] Functie waarmee een origineel dat in het faxapparaat van de afzender is geplaatst, of een origineel dat voor pollingverzending is gereserveerd, worden verzonden wanneer een ontvanger dit opvraagt. Zie pagina 9-7 voor meer informatie.
Nuttige verzendfuncties 7 7.2 De densiteit van de achtergrondkleur van een fax instellen en de fax verzenden (Achtergrond verwijderen) Met Achtergrond verwijderen kan de kleurdensiteit van de achtergrond van het origineel worden aangepast. Als het origineel een gekleurde achtergrond heeft, krijgt dit na het scannen een zwarte achtergrond. In dit geval kan het origineel worden verzonden nadat de kleurdensiteit van de achtergrond van verzendgegevens is aangepast.
Nuttige verzendfuncties 5 Druk op de toets [Donker] om de achtergrondkleur van het origineel donkerder te maken, of op [Licht] om de achtergrond lichter te maken. – 6 7 Als [Auto] is geselecteerd verloopt het scannen langzamer, omdat de achtergrond van iedere pagina van het origineel wordt aangepast. Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Afbeelding aanpassen. 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Scaninstellingen. 8 Druk op [OK].
Nuttige verzendfuncties 7 7.3 De tekenranden van een fax versterken en de fax verzenden (Scherpte) Met Scherpte wordt de intensiteit van randen aangepast. De duidelijkheid van originelen met vage tekst kan worden verbeterd door de scherpte aan te passen met "+". De scherpte kan eveneens worden verzwakt met "-". 2 Opmerking Geschikt voor gebruik met glasplaat en ADF. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het scherm Fax/Scan weer te geven. 2 Plaats het origineel.
Nuttige verzendfuncties 6 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Afbeelding aanpassen. 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Scaninstellingen. 8 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 9 Stel desgewenst overige functies in. – – – 10 Geef de bestemming op. – 11 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7 7.4 Een fax verzenden nadat donkere schaduwranden zijn verwijderd (Kader wissen) Als een origineel wordt gescand terwijl de ADF open staat, bijvoorbeeld als een boekje wordt gescand, kan er een donkere schaduwrand zichtbaar zijn op de fax. Met de functie Kader wissen kunnen donkere schaduwranden aan de bovenkant, onderkant en linker- en rechterkant worden gewist wanneer een boekje wordt gescand.
Nuttige verzendfuncties 5 Selecteer Kader [Top], [Links], [Rechts], of [Onder] en stel de gewenste waarden in voor de wisbreedte. – – – 6 7 Als een van de kaders niet hoeft te worden gewist, drukt u op de toets voor het betreffende kader en vervolgens op [Geen]. Als u [Geen] wilt annuleren, drukt u op het toetsenbord of op de toets [+] en geeft u de te wissen breedte op. Druk op [Nee] als u de instellingen voor kader wissen wilt annuleren. Druk op het toetsenbord of op het aanraakscherm [-] en [+].
Nuttige verzendfuncties 7 7.5 Dubbelzijdig origineel verzenden per pagina, van rechts naar links (Boek kopie) Als een boek, of catalogus, enz. wordt gefaxt, wordt het origineel verdeeld in rechter- en linkerpagina's en per pagina verzonden. Boek kopie heeft de volgende mogelijkheden: Functienaam Beschrijving [Boek open] Een dubbelzijdig origineel wordt als een gedeelte van een pagina verzonden. [Separeren] Een dubbelzijdig origineel wordt verdeeld in linkerpagina's en rechterpagina's en verzonden.
Nuttige verzendfuncties 4 Druk op [Boek kopie]. 5 Selecteer de gewenste instellingen en druk op [OK]. – – – – 7 Druk op [Nee] als u de functie Boek kopie wilt annuleren. Als [Separeren], [Voorblad] of [Voor + Rugblad] is geselecteerd, verschijnt [Inbindpositie]. Selecteer de overeenkomstige inbindrichting van het origineel en druk op [OK]. Geef zo nodig "Boek wissen" op. Selecteer de wismethode, geef de wisbreedte op via het toetsenbord of met [-] en [+] en druk op [OK].
Nuttige verzendfuncties 7 6 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Boek scannen. 7 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Scaninstellingen. 8 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 9 Stel desgewenst overige functies in. – – – 10 Geef de bestemming op. – – – 11 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
Nuttige verzendfuncties 13 7 Druk op de toets [Start]. – Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, wordt het nummer opnieuw gekozen. Zie "Problemen met verzenden' op pagina 3-27 voor meer informatie over opnieuw kiezen. – Zie "Verzending afbreken' op pagina 3-32 voor informatie over het stoppen van een verzending. – Zie "Fax kan niet worden verzonden' op pagina 5-3 als de fax niet kan worden verzonden.
Nuttige verzendfuncties 7 7.6 Het scanformaat van een origineel opgeven en de fax verzenden (Scanformaat) De functie Scanformaat wordt gebruikt om het scanformaat van het origineel op te geven voordat de fax wordt verzonden. Als de breedte van het papier aan de kant van de ontvanger smaller is dan die van het origineel, wordt het document eerst verkleind voordat het wordt afgedrukt.
Nuttige verzendfuncties 5 7 Druk op de toets voor het opgeven van het formaat overeenkomstig het origineel. – – – Druk op of om het volgende of vorige vaste formaat weer te geven. Het scherm voor aangepaste formaten wordt weergegeven door te drukken op [Afwijk. formaat]. Selecteer [X] of [Y] en voer de waarden in via het toetsenbord. (Als er reeds een cijferwaarde in het scherm is ingevoerd, drukt u op de toets [C] (wissen) en voert u de waarde in via het toetsenbord.
Nuttige verzendfuncties 7 6 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Toepassing. 7 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Scaninstellingen. 8 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 9 Stel desgewenst overige functies in. – – – 10 Geef de bestemming op. – 11 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7.7 7 Een origineel kopiëren en de fax verzenden (Pagina afdrukken) Met deze functie wordt tijdens een faxverzending tevens een kopie afgedrukt. Het aantal afdrukken kan worden ingesteld, en ook de functies voor 2-zijdig afdrukken en nietmarge kunnen worden ingesteld. 2 Opmerking Voor gebruik van de nietfunctie moet de optionele afwerkeenheid geïnstalleerd zijn.
Nuttige verzendfuncties 7 6 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Scaninstellingen. 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Stel desgewenst overige functies in. – – – 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7.8 7 Bevestigen dat een origineel is gescand (TX stempel) Als een fax via de ADF wordt verzonden, kan een stempel aan het gescande origineel worden toegevoegd zodat kan worden gecontroleerd dat iedere pagina van het origineel is gescand. Op iedere pagina wordt een 4 mm (1/4 inch) roze-gekleurd - stempel aan de onderkant van de voorzijde toegevoegd. Als een dubbelzijdig origineel wordt verzonden, wordt het stempel op de voorzijde geplaatst.
Nuttige verzendfuncties 7 5 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Scaninstellingen. 6 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 7 Stel desgewenst overige functies in. – – – 8 Geef de bestemming op. – 9 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7.9 7 Een origineel met meerdere pagina's van verschillende formaten verzenden (Gemengd origineel) Met de functie Gemengd origineel wordt het formaat van iedere pagina van een document automatisch gedetecteerd. Verzonden en op de bestemming gereproduceerd in hetzelfde formaat als de originelen. U plaatst originelen met verschillende formaten op de ADF.
Nuttige verzendfuncties 7 4 Plaats de te verzenden zijden van het origineel naar boven en plaats het origineel in de papierinvoer. Schuif de laterale papiergeleiders tegen de randen van het origineel. – Plaats de pagina's van het origineel in de ADF zodat de bovenrand van de pagina's tegen de linkerachterzijde van het apparaat liggen. laterale papiergeleider 5 Druk op [Origineelinstellingen]. 6 Druk op [Gemengd orig.]. – 7 Druk normaals op [Gemengd orig.] om de instellingen te annuleren.
Nuttige verzendfuncties 7.10 7 Een origineel met vouwlijnen verzenden (Z-vouw origineel) Deze functie wordt gebruikt voor het faxen van een origineel waarvan het formaat niet kan worden gedetecteerd vanwege vouwlijnen. 2 Opmerking Gebruik de ADF. Z-vouw originelen kunnen niet via de glasplaat worden gefaxt. Het hele origineel wordt verzonden in hetzelfde formaat als de eerste pagina van het origineel. Als de paginaformaten van het origineel verschillen, dient u [Gemengd orig.
Nuttige verzendfuncties 7 7 Geef de bestemming op. – 8 Zie "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 en "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)' op pagina 3-19 voor meer informatie over bestemmingen. Druk op de toets [Start]. – Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, wordt het nummer opnieuw gekozen. Zie "Problemen met verzenden' op pagina 3-27 voor meer informatie over opnieuw kiezen.
Nuttige verzendfuncties 7.11 7 Een lang origineel verzenden (Lang origineel) Met deze functie kunnen pagina's met een lengte van meer dan 432mm (17 inch) worden verzonden. Met gebruik van Lang origineel kunnen pagina's met een lengte tot maximaal 1000mm (39-1/4 inch) worden verzonden. 2 Opmerking Gebruik de ADF. Lange originelen kunnen niet via de glasplaat worden gefaxt. De functie Lang origineel werkt niet met originelen van meerdere pagina's.
Nuttige verzendfuncties 7 7 Geef de bestemming op. – 8 Zie "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 en "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)' op pagina 3-19 voor meer informatie over bestemmingen. Druk op de toets [Start]. – Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, wordt het nummer opnieuw gekozen. Zie "Problemen met verzenden' op pagina 3-27 voor meer informatie over opnieuw kiezen.
Nuttige verzendfuncties 7.12 7 De inbindpositie opgeven (Inbindpositie) Deze functie wordt gebruikt om een inbindmarge op te geven voor dubbelzijdige originelen, die via de ADF worden verzonden. De inbindmarge voor dubbelzijdige originelen kan boven of links worden ingesteld. De inbindmarge voor de achterzijde van de pagina's verschilt van de voorzijde. Boven/onder inbinden 1 2 Verzending 3 2 3 1 1 2 3 Bestemmingsfax Links/rechts inbinden 2 Opmerking Gebruik de ADF.
Nuttige verzendfuncties 7 5 Druk op [Top], [Links] of [Auto] om de marges voor het dubbelzijdig origineel te selecteren. 6 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Origineelinstellingen. 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Stel desgewenst overige functies in. – – – 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7.13 7 Het effect van stofdeeltjes op de glasplaat links verminderen op een fax (Ontvlekken) Met deze functie wordt het effect van stof op de glasplaat links op de scan verminderd wanneer een origineel via de ADF wordt gescand. ! Detail Het scannen duurt hierdoor iets langer. Raadpleeg ‘Handleiding – Kopieerbewerkingen’ voor informatie over het reinigen van de glasplaat links. 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het scherm Fax/Scan weer te geven.
Nuttige verzendfuncties 7 7.14 De ECM-mode annuleren en de fax verzenden (ECM UIT) ECM UIT is een functie waarmee een fax wordt verzonden nadat de ECM-modus is geannuleerd, zodat de communicatie sneller verloopt. Het ECM-protocol is een communicatiemodus voor opnieuw verzenden bij fouten, zoals bepaald door de ITU-T (International Telecommunication Union).
Nuttige verzendfuncties 6 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 7 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Stel desgewenst overige functies in. – – – 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7 7.15 Een fax verzenden nadat de Super G3-modus is geannuleerd (V.34 UIT) V. 34 is de communicatiemethode die voor faxcommunicatie via Super G3 wordt gebruikt. Als het faxapparaat van de ontvanger, of dit faxapparaat, op een privé-centrale is aangesloten, kan afhankelijk van de instelling van de telefoonlijn niet via Super G3 worden gecommuniceerd. In deze gevallen wordt de fax pas verzonden als de modus Super G3 is uitgeschakeld door [V. 34 UIT] te selecteren. De V.
Nuttige verzendfuncties 6 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 7 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Stel desgewenst overige functies in. – – – 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7 7.16 Een origineel vanuit de gebruikersbox openbaar/persoonlijk/groep per fax verzenden Originelen die in de gebruikersbox openbaar, persoonlijk of groep zijn opgeslagen, kunnen per fax worden verzonden. Meerdere originelen die in een box zijn opgeslagen, kunnen worden gekoppeld en als een enkele opdracht worden verzonden.
Nuttige verzendfuncties 4 Selecteer het document dat u wilt faxen en druk op [Verzenden]. 5 Geef de bestemming op. – 6 7 Zie "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)' op pagina 3-19 en "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 voor meer informatie over bestemmingen. Druk op [Toepassen]. – Als de fax niet kan worden verzonden omdat de lijn van de ontvanger in gesprek is, wordt het nummer opnieuw gekozen.
Nuttige verzendfuncties 7 Een origineel in de gebruikersbox openbaar/persoonlijk/groep koppelen en verzenden (alleen CS250) 1 Druk op de toets [Gebruikersbox]. 2 Druk op [Document]. 3 Selecteer het tabblad [Openbaar], [Persoonlijk], [Groep] en selecteer dan de gebruikersbox met het origineel dat u wilt verzenden. Druk vervolgens op [OK]. – – – 4 7-40 Als er een wachtwoord is ingesteld voor toegang tot de box, voert u het wachtwoord in en drukt u op [OK].
Nuttige verzendfuncties 5 Controleer de volgorde van de gekoppelde documenten en druk op [OK]. – 6 Als de volgorde moet worden gewijzigd, drukt u op de toets van het origineel dat u wilt wijzigen en op de toets van het origineel op de bestemming waar u het origineel wilt plaatsen. Geef de bestemming op. – 7 7 Zie "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)' op pagina 3-19 en "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 voor meer informatie over bestemmingen.
Nuttige verzendfuncties 7 7.17 Het ontvangende apparaat controleren en de fax verzenden (Contr. best. & Verzend.) Het opgegeven faxnummer wordt vergeleken met de faxnummerinformatie van de ontvanger (CSI) en de fax wordt alleen verzonden als de informatie overeenkomt. Als de nummers niet overeenkomen, treedt er een communicatiefout op en wordt verzending naar een onjuiste bestemming geblokkeerd.
Nuttige verzendfuncties 6 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 7 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Stel desgewenst overige functies in. – – – 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7 7.18 De bestemming van een fax controleren alvorens de fax te verzenden (Bestem. controle weergavefunctie) Wanneer de bestemming is opgegeven en op [Start] is gedrukt, verschijnt het scherm met de bestemmingenlijst. De bestemming kan zodoende worden gecontroleerd voordat de fax naar een verkeerd nummer kan worden verzonden. ! Detail Voor gebruik van de controlefunctie voor bestemmingen, dient [Bestemming controle weergavefunctie] te zijn ingesteld op [AAN].
Nuttige verzendfuncties 7.19 7 De telefoonlijn opgeven voordat de fax wordt verzonden (Lijninstellingen selecteren) Als de fax multi-lijn is geïnstalleerd, kunnen faxen worden verzonden wanneer [Lijn 1] of [Lijn 2] is opgegeven. 2 Opmerking Fax multi-lijn moet zijn geïnstalleerd. Er kan geen Lijn worden opgegeven als "Lijn 2 Instelling" of [Multi-lijn instelling] is ingesteld op [Alleen RX].
Nuttige verzendfuncties 7 6 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 7 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 8 Stel desgewenst overige functies in. – – – 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen. Zie "Origineelinstelling' op pagina 7-5 voor meer informatie over origineelinstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7.20 7 De fax met een wachtwoord verzenden (Wachtwoord TX) Met de functie Wachtwoord TX kan een fax met een wachtwoord worden verzonden. Als het faxapparaat van de ontvanger is ingesteld voor gesloten netwerkontvangsten, moet de fax worden verzonden met hetzelfde wachtwoord als het wachtwoord van het gesloten netwerk van de ontvanger.
Nuttige verzendfuncties 7 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatiemethode-instellingen. 8 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 9 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 10 Stel desgewenst overige functies in. – – – 11 Geef de bestemming op. – 12 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
Nuttige verzendfuncties 7.21 7 Vertrouwelijke verzendingen (F-code TX) Met de functie voor vertrouwelijke verzendingen kunnen originelen aan specifieke personen worden verzonden via de vertrouwelijke gebruikersbox. Met vertrouwelijke verzending wordt het verzenden van een fax naar een vertrouwelijke gebruikersbox van een ontvanger bedoeld, en ontvangst van een document in de vertrouwelijke gebruikersbox op uw faxapparaat wordt een vertrouwelijke ontvangst genoemd.
Nuttige verzendfuncties 7 6 Druk op [SUB-adres] en voer het nummer van de vertrouwelijke gebruikersbox van het ontvangende apparaat in via het toetsenbord. – – – – – – 7 Als een communicatiewachtwoord vereist is, drukt u op [Wachtwoord] en voert u het wachtwoord in. Voor SUB-adres en Wachtwoord kunnen maximaal 20 cijfers worden ingevoerd. Als het ontvangende apparaat een FK-502 is, voert u een uit maximaal 9 cijfers bestaand nummer in voor de vertrouwelijke box en een wachtwoord van maximaal 8 cijfers.
Nuttige verzendfuncties 7.22 7 Een relay-bestemming instellen en de fax verzenden (F-code TX) Met de functie voor relay-aanvraag wordt een origineel één keer verzonden naar een distributiestation, van waaruit het document naar de bestemmingen wordt verstuurd. Als u veelvuldig rondzendingen naar externe bestemmingen uitvoert, kunt u per gebied een relay-bestemmingsstation en relay-distributiebestemming opzetten om communicatiekosten te besparen.
Nuttige verzendfuncties 7 1 Druk op de toets [Fax/Scan] om het scherm Fax/Scan weer te geven. 2 Plaats het origineel. – 3 Druk op [Communicatie-instellingen]. 4 Druk op [Communicatiemethode-instellingen]. 5 Druk op [F-code TX]. 6 Voer het relay-gebruikersboxnummer van het relay-station in [SUB-adres] in met gebruik van het toetsenbord. – – – – – 7-52 Zie "Het origineel plaatsen' op pagina 3-6 voor informatie over het plaatsen van originelen.
Nuttige verzendfuncties 7 Druk op [Wachtwoord] en voer het relay-wachtwoord in. 8 Druk op [OK]. 7 Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatiemethode-instellingen. 9 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 10 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 11 Stel desgewenst overige functies in. – – – 12 Geef het adres van het relay-tussenstation op.
Nuttige verzendfuncties 7 7.23 De methode voor het toevoegen van de verzendinformatie opgeven (Instellingen faxkoptekst) Voor iedere fax kan koptekst (broninformatie over de verzending) worden ingesteld, die dan bij de verzending aan de fax wordt toegevoegd. De informatie die aan het origineel wordt toegevoegd in de vorm van faxkoptekst, is ingevoerd in [Koptekstinformatie] in Hulpprogramma. De methode waarop de faxkop wordt toegevoegd, wordt ingesteld in [Koptekst/Voettekst positie] in Hulpprogramma.
Nuttige verzendfuncties 6 Selecteer de gewenste afzender uit de lijst als u de naam van de afzender wilt veranderen. 7 Druk op [OK]. 7 Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 8 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 9 Stel desgewenst overige functies in. – – – 10 Geef de bestemming op. – 11 Zie "Scaninstellingen opgeven' op pagina 3-9 of "Scaninstellingen' op pagina 7-3 voor meer informatie over scaninstellingen.
7 7-56 Nuttige verzendfuncties CS250/CS240/CS231
8 Nuttige ontvangstfuncties
Nuttige ontvangstfuncties 8 8 Nuttige ontvangstfuncties 8.1 Een vertrouwelijk ontvangen document gebruiken Vertrouwelijke ontvangst Met de functie voor vertrouwelijke communicatie kunnen originelen tussen specifieke personen worden verzonden en ontvangen via de vertrouwelijke gebruikersbox.
Nuttige ontvangstfuncties 8 Vertrouwelijk ontvangen documenten verwijderen Volg de onderstaande procedure om de documenten in de vertrouwelijke gebruikersbox te verwijderen. 1 Druk op de toets [Gebruikersbox] om het scherm voor gebruikersboxen weer te geven. 2 Druk op [Document opnieuw ordenen]. 3 Selecteer de box die is opgegeven als de "vertrouwelijke gebruikersbox" en druk op [OK]. – 4 Selecteer de vertrouwelijk ontvangen documenten die u wilt verwijderen en druk op [Verwijderen].
Nuttige ontvangstfuncties 8.2 8 Documenten gebruiken die in het geheugen zijn ontvangen Het ontvangen document is opgeslagen in het geheugen en kan indien gewenst worden afgedrukt. Deze functie wordt Geheugen RX genoemd. Hier volgt een beschrijving van de procedure voor het afdrukken en verwijderen van documenten, die zijn ontvangen met de functie Geheugen RX.
Nuttige ontvangstfuncties 8 Ontvangen documenten verwijderen Volg de onderstaande procedure om documenten, die in het geheugen zijn ontvangen, te verwijderen. 1 Druk op [Document opnieuw ordenen]. 2 Druk op [Systeem]. – Bij aanmelding met gebruikersauthenticatie wordt het tabblad [Persoonlijk] weergegeven. Bij aanmelding met accountauthenticatie wordt het tabblad [Groep] weergegeven. 3 Druk op [Geheugen RX Gebruikersbox] en druk dan op [OK]. 4 Voer het wachtwoord in en druk op [OK].
Nuttige ontvangstfuncties 8.3 8 Afdrukken tijdens ontvangst Wanneer [Duplex afdruk (RX)] op [AAN] is ingesteld Als [Duplex afdruk (RX)] in Hulpprogramma is ingesteld op [AAN], kan de fax op beide zijden van het papier worden afgedrukt. ! Detail Zie "Verzend- en ontvangstmethoden instellen (TX/RX instelling)' op pagina 11-43 voor meer informatie.
8 8-8 Nuttige ontvangstfuncties CS250/CS240/CS231
9 Polling (of opvragen)
Polling (of opvragen) 9 9 Polling (of opvragen) 9.1 Een fax verzenden op aanvraag van de ontvanger (Opvragen TX) Met de functie voor opvraagverzending of -ontvangst kunnen originelen, die in het geheugen van het apparaat zijn opgeslagen, op aanvraag van een ontvanger worden verzonden. Het origineel dat voor opvraagverzending is opgegeven, wordt opgeslagen in de Opvragen TX Gebruikersbox of in de gebruikersbox Systeem, en wordt verzonden als een ontvanger een aanvraag voor verzending stuurt.
Polling (of opvragen) 9 6 Druk op [Normaal]. – 7 Druk op [Nee] om de instelling te annuleren. Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatiemethode-instellingen. 8 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 9 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 10 Stel desgewenst overige functies in.
Polling (of opvragen) 9 Documenten in de Opvragen TX Gebruikersbox afdrukken U kunt documenten in de Opvragen TX Gebruikersbox afdrukken. 1 Druk op de toets [Gebruikersbox] om het scherm voor gebruikersboxen weer te geven. 2 Druk op [Document]. 3 Druk op [Systeem]. 4 Druk op [Opvragen TX Gebruikersbox ] en vervolgens op [OK]. 5 Druk op [Start] of op de toets [Start]. – Druk op [Annuleren] als u de handeling wilt afbreken. De documenten in de Opvragen TX Gebruikersbox worden nu afgedrukt.
Polling (of opvragen) 9 Documenten in de Opvragen TX Gebruikersbox verwijderen Volg de onderstaande procedure om de documenten in de Opvragen TX Gebruikersbox te verwijderen. 1 Druk op de toets [Gebruikersbox] om het scherm voor gebruikersboxen weer te geven. 2 Druk op [Document opnieuw ordenen]. 3 Druk op [Systeem]. 4 Druk op [Opvragen TX Gebruikersbox ] en vervolgens op [OK]. 5 Druk op [Verwijderen]. 6 Druk op [Ja] in het bevestigingsscherm en druk vervolgens op [OK].
Polling (of opvragen) 9.2 9 Op aanvraag van uw apparaat een document van een afzender ontvangen (opvraagontvangst of polling-ontvangst) Polling-ontvangst Polling-ontvangst is een functie waarmee een origineel dat in het faxapparaat van de afzender is geplaatst, of een origineel dat voor opvraagverzending is gereserveerd, wordt verzonden wanneer een ontvanger dit opvraagt. Deze functie is bijvoorbeeld nuttig als de ontvangst op kosten van de ontvanger komt.
Polling (of opvragen) 9 5 Druk op [Normaal]. – 6 Druk op [Nee] om de instelling te annuleren. Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatiemethode-instellingen. 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 8 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 9 Geef de bestemming op.
Polling (of opvragen) 9.3 9 Het origineel opgeven en opvragen (Bulletin board) Met dit apparaat kan een origineel naar een bulletin board worden gepost, zodat anderen dit kunnen bekijken. Een origineel kan tevens voor opvraagverzending in de bulletin board worden geregistreerd. Hier worden de procedures beschreven voor het registreren van originelen in een bulletin board en voor het opvragen van originelen die in een bulletin board van een afzender zijn geplaatst.
Polling (of opvragen) 9 6 Druk op [Bulletin] en voer het nummer van de Bulletin Board gebruikersbox in waar het origineel moet worden geregistreerd. Gebruik hiervoor het toetsenbord. – – – – 7 Voer een uit 9 cijfers bestaand nummer in voor de box, van 1 - 999999999. Voer ‘5’ in als het boxnummer "000000005" is. Als er een fout nummer is ingetoetst, drukt u op [Wissen] en voert u vervolgens het juiste nummer in. Druk op [C] (wissen) als u alle ingetoetste informatie wilt wissen.
Polling (of opvragen) 9 Een origineel op de bulletin board afdrukken Een origineel op de bulletin board kan worden afgedrukt. 1 Druk op de toets [Gebruikersbox] om het scherm voor gebruikersboxen weer te geven. 2 Druk op [Document]. 3 Druk op [Systeem]. 4 Druk op [Bulletin Gebruikersbox] en druk vervolgens op [OK]. 5 Selecteer het document dat u wilt afdrukken en druk dan op [OK]. 6 Druk op [Start] of druk op de toets [Start]. Het origineel op de bulletin board wordt afgedrukt.
Polling (of opvragen) 9 Een origineel van de bulletin board verwijderen Volg de onderstaande procedure om originelen, die in de Bulletin Board gebruikersbox zijn geregistreerd, te verwijderen. 1 Druk op de toets [Gebruikersbox] om het scherm voor gebruikersboxen weer te geven. 2 Druk op [Document opnieuw ordenen]. 3 Druk op [Systeem]. 4 Druk op [Bulletin Gebruikersbox] en druk vervolgens op [OK]. 5 Selecteer het origineel dat u wilt verwijderen en druk dan op [OK]. 6 Druk op [Verwijderen].
Polling (of opvragen) 9 Een document bij een bulletin board opvragen Een document dat in de bulletin board van het faxapparaat van een afzender is geregistreerd, kan op uw apparaat worden opgevraagd. Volg de onderstaande procedure voor het uitvoeren van een pollingontvangst.
Polling (of opvragen) 9 6 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatiemethode-instellingen. 7 Druk op [OK]. Het apparaat keert terug naar het scherm Communicatie-instellingen. 8 Druk op [Sluit]. Het apparaat keert terug naar het scherm Fax/Scan. 9 Geef de bestemming op. – 10 Zie "Meerdere adressen opgeven (sequentiële verzending of broadcast-verzending)' op pagina 3-19 en "Eén adres opgeven' op pagina 3-13 voor meer informatie over bestemmingen. Druk op de toets [Start].
10 Instellingen registreren en opgeven
Instellingen registreren en opgeven 10 Instellingen registreren en opgeven 10.1 Het faxregistratiescherm weergeven 10 Het scherm Scan/Faxadres registreren weergeven Volg de onderstaande procedure om het scherm Scan/Faxadres registreren weer te geven. ! Detail De fax kan worden geregistreerd in Web Connection. Web Connection is een hulpprogramma voor apparaatbeheer dat wordt geleverd door de HTTP-server, die in het apparaat is ingebouwd.
Instellingen registreren en opgeven 10 10.2 Het adresboek registreren E-mailadressen, faxnummers van bestemmingen waar vaak faxen naar worden verzonden, en geregistreerde gebruikersboxen kunnen in het adresboek worden opgenomen. Het geregistreerde adresboek wordt geopend via het tabblad [Adresboek] in het scherm Fax/Scan. Er kunnen maximaal 2000 bestemmingen (0001 - 2000) in het adresboek worden opgenomen, inclusief scannerbestemmingen en bestemmingen van andere functies op dit apparaat.
Instellingen registreren en opgeven 3 Druk op [Fax]. 4 Druk op [Nieuw]. 5 Druk op [Naam], voer de bestemmingsnaam in en druk op [OK]. – – – CS250/CS240/CS231 10 De naam kan uit maximaal 24 tekens bestaan. Zie "Tekst invoeren' op pagina 13-3 voor informatie over het invoeren van tekens. U kunt het registratienummer wijzigen door [Nr.] aan te raken en vervolgens het toetsenblok te gebruiken om een nummer in te voeren.
Instellingen registreren en opgeven 10 6 Druk op [Index] en voer het zoekteken in. – – – 7 Druk op de zoektoets van het zoekteken dat geregistreerd moet worden in [Hoofd] - [(vaak gebruikte adressen)]. Als het zoekteken wordt opgegeven voor bestemmingen die veelvuldig worden gebruikt, wordt dit weergegeven boven aan het tabblad [Adresboek] wanneer [Hoofd] wordt geselecteerd. Gewoonlijk wordt automatisch het eerste teken van een geregistreerde naam gebruikt als zoekteken.
Instellingen registreren en opgeven 10 Faxnummers in het adresboek registreren vanuit het scherm Adres controleren/registreren Bestemmingen die direct zijn ingevoerd, of die in het verzendlogboek van direct ingevoerde adressen zijn opgenomen, kunnen in het adresboek worden geregistreerd. 1 Geef de bestemming op via directe invoer of vanuit het opdrachtlogboek.
Instellingen registreren en opgeven 10 5 Voer de naam van de bestemming in en druk op [OK]. – – 6 Registreer het zoekteken (indexteken) en druk op [OK]. – – – 7 De naam kan uit maximaal 24 tekens bestaan. Zie "Tekst invoeren' op pagina 13-3 voor informatie over het invoeren van tekens. Druk op de indextoets van het zoekteken dat geregistreerd moet worden in [Hoofd] - [(vaak gebruikte adressen)].
Instellingen registreren en opgeven 8 10 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven. – Ingeval het adres is geregistreerd via directe invoer, wordt het tabblad [Directe invoer] van het scherm Fax/Scan weergegeven. Als het adres via het opdrachtlogboek is geregistreerd, wordt het tabblad [Opdr. historie] van het scherm Fax/Scan weergegeven. Het adresboek wijzigen Volg de onderstaande procedure als u het adresboek wilt wijzigen. 1 Open het scherm Scan/Faxadres registreren.
Instellingen registreren en opgeven 10 Adressen uit het adresboek verwijderen Volg de onderstaande procedure als u een adres uit het adresboek wilt verwijderen. 0 Als een adres wordt verwijderd, wordt dit adres ook verwijderd uit Meerdere adressen en Programmaadressen, indien dit adres hierin ook wordt gebruikt. 1 Open het scherm Scan/Faxadres registreren. – 2 Druk op [Adresboek].
Instellingen registreren en opgeven 10.3 10 Groepsbestemmingen registreren Meerdere adressen kunnen worden gegroepeerd en als een groepsbestemming worden geregistreerd. Groepsbestemmingen zijn vooral nuttig voor verzending van dezelfde informatie in rondzendingen of voor polling-ontvangst. U kunt maximaal 100 groepen registreren (01 t/m 99, 00), waaronder de groepen die worden gebruikt met de scanfuncties. In het adresboek kunnen maximaal 500 adressen in één groepsbestemming worden opgenomen.
Instellingen registreren en opgeven 10 3 Druk op [Nieuw]. 4 Druk op [Naam], voer de naam van de groepsbestemming in en druk op [OK]. – – 5 Druk op [Groep instellen]. – 6 10-12 De naam kan uit maximaal 24 tekens bestaan. Zie "Tekst invoeren' op pagina 13-3 voor informatie over het invoeren van tekst. Er kunnen 500 adressen in één groep worden opgenomen. Selecteer de categorie van de bestemming die in de groepsbestemming moet worden geregistreerd.
Instellingen registreren en opgeven 7 Selecteer de geregistreerde bestemming voor de groepsbestemming. – – [Index]: Selecteer deze toets om de bestemming in het adresboek weer te geven door op de toets met het indexteken te drukken. [Zoeken vanaf nummer]: De nummers die voor registratie worden gebruikt, worden na iedere 100 registraties weergegeven. De bestemmingen in het adresboek worden weergegeven door op de cijfertoets van de betreffende geregistreerde bestemming te drukken.
Instellingen registreren en opgeven 10 3 Selecteer de groepsbestemming die u wilt wijzigen en druk dan op [Bewerken]. – – 4 Selecteer het onderdeel dat u wilt wijzigen, breng de wijzigingen aan en druk op [OK] of op [Sluit]. – 5 Druk op [Annuleren] als u de handeling wilt afbreken. Raak [Sluit] aan. – 7 Zie "Groepsbestemmingen registreren' op pagina 10-11 voor informatie over de respectievelijke onderdelen. Controleer de gewijzigde inhoud en druk dan op [OK].
Instellingen registreren en opgeven 10.4 10 Programma-adressen registreren Scaninstellingen, Origineelinstellingen en Communicatie-instellingen kunnen worden gecombineerd met veelgebruikte verzendbestemmingen en als een programma-adres worden geregistreerd. De functies voor scaninstellingen, origineelinstellingen en communicatie-instellingen die in een programma-adres zijn opgenomen, kunnen dan met een enkele druk op de programmatoets worden opgeroepen, opgegeven en verzonden.
Instellingen registreren en opgeven 10 4 Druk op [Paginalijst]. – – 5 Selecteer de indextoets waarvoor het programma-adres moet worden geregistreerd en druk op [OK]. – 6 Druk op of om naar de volgende of vorige indexlijst te gaan. Druk op een nog niet geregistreerde toets en druk dan op [Kopieerprogr. reg.]. – 10-16 Programma-adressen kunnen pagina-gewijs worden gegroepeerd. Druk op [Paginalijst] om de weergave van het programma-adres op te geven in indexeenheden.
Instellingen registreren en opgeven 7 10 Druk op [Naam], voer een naam in voor het programma-adres en druk op [OK]. – – De naam kan uit maximaal 24 tekens bestaan. Zie "Tekst invoeren' op pagina 13-3 voor informatie over het invoeren van tekst. 8 Druk op [Adres]. 9 Druk op [Geregistrerde adres] of [Directe invoer] en voer een bestemming in. – – Als op [Geregistrerde adres] wordt gedrukt, selecteert u een bestemming uit het adresboek of uit de groepsadressen. Ga door naar stap 10.
Instellingen registreren en opgeven 10 – – [Index]: Selecteer deze toets om de bestemming in het adresboek weer te geven door op de toets met het indexteken te drukken. [Zoeken vanaf nummer]: De nummers die voor registratie worden gebruikt, worden na iedere 100 registraties weergegeven. De bestemmingen in het adresboek worden weergegeven door op de cijfertoets van de betreffende geregistreerde bestemming te drukken. Druk op of om naar de getoonde nummertoets te gaan. 12 Druk op [Sluit].
Instellingen registreren en opgeven 10 4 Druk op de toets van de pagina met het programma-adres dat moet worden verwijderd en druk dan op [OK]. 5 Selecteer de toets van het programma dat u wilt verwijderen en druk dan op [Verwijderen]. – – 6 Druk op [Ja] in het scherm met het bevestigingsbericht en druk vervolgens op [OK]. – 7 Druk op of om naar het volgende of vorige programma-adres op de pagina te gaan.
Instellingen registreren en opgeven 10 10.5 Het adresniveau wijzigen (Adresniveau-instelling) Adresniveau-instelling Deze functie wordt gebruikt voor de beveiliging van informatie en stelt de gebruiker in staat bepaalde bestemmingsinformatie op te geven, zodat alleen de aangewezen persoon toegang krijgt tot deze informatie. Dit kan in combinatie met gebruikersauthenticatie worden gebruikt. Alleen informatie op het adresniveau overeenkomstig het opgegeven gebruikersniveau kan worden geopend.
Instellingen registreren en opgeven 3 Druk op [Toegang tot adressen beperken]. 4 Druk op [Adresniveau-instelling]. 5 Druk op de adrestoets van het adres waarvan het niveau moet worden gewijzigd. 6 Selecteer het adres waarvan het niveau moet worden gewijzigd in de lijst en druk op [Niveau toepassen.]. – CS250/CS240/CS231 10 Druk op de indextoets van het zoekteken in het scherm Adresboek, om het geregistreerde adres weer te geven.
Instellingen registreren en opgeven 10 7 Wijzig het niveau en druk op [OK]. – Druk op [Annuleren] als u de handeling wilt afbreken. Het adresniveau is nu gewijzigd. 8 10-22 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
Instellingen registreren en opgeven 10.6 10 Instellingen van de Vertrouwelijke gebruikersbox Op dit apparaat kan vertrouwelijke communicatie worden uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van de F-code. Voor deze handeling dient de vertrouwelijke gebruikersbox reeds te zijn geregistreerd voor vertrouwelijke ontvangst. Er kunnen maximaal 20 vertrouwelijke gebruikersboxen worden geregistreerd.
Instellingen registreren en opgeven 10 10-24 3 Druk op [Gebruikersbox]. 4 Druk op [Openbare/persoonl. gebr. box]. 5 Druk op [Nieuw].
Instellingen registreren en opgeven 6 Geef de waarden op voor [Gebruikersboxnr.], [Gebr. boxnaam] en [Wachtwoord]. – – 7 10 Zie de 'Handleiding - Mapbewerkingen voor informatie over [Index] en "Type". U kunt het gebruikersboxnummer wijzigen door op [Gebruikersboxnr.] te drukken en vervolgens het toetsenblok te gebruiken om een nummer in te voeren.
Instellingen registreren en opgeven 10 11 Voer het wachtwoord nogmaals in ter bevestiging en druk op [OK]. 12 Druk op [OK]. – Druk op [Annuleren] als u de registratie wilt afbreken. De gebruikersbox is nu geregistreerd. 13 Druk op [Sluit]. – 14 Ga terug naar stap 5 als u nog een gebruikersbox wilt registreren. Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
Instellingen registreren en opgeven 10.7 10 Bulletin board-instellingen opgeven Dit apparaat ondersteunt verzending/ontvangst via bulletin board-polling met gebruik van de F-code. Voor gebruik van een bulletin board moet de Bulletin Board gebruikersbox zijn ingesteld. Er kunnen maximaal 10 Bulletin Board gebruikersboxen worden geregistreerd. 2 Opmerking Geef de instellingsgegevens door aan de ontvanger van de bulletin board box.
Instellingen registreren en opgeven 10 4 Druk op [Bulletin Board gebruikersbox]. 5 Druk op [Nieuw]. 6 Geef de waarden op voor [Gebruikersboxnr.], [Gebr. boxnaam], [Wachtwoord] en druk dan op [Verder]. – – – – 10-28 De naam kan uit maximaal 20 tekens bestaan. Wachtwoorden van maximaal 8 alfanumerieke tekens kunnen worden geregistreerd. Raadpleeg ‘Handleiding – Mapbewerkingen’ voor meer informatie over gebruikersboxen. U kunt het gebruikersboxnummer wijzigen door op [Gebruikersboxnr.
Instellingen registreren en opgeven 7 Stel de "Tijd automatisch verwijderen document" in. 8 Druk op [OK]. 10 – Druk op [Annuleren] als u de registratie wilt afbreken. De gebruikersbox is nu geregistreerd. 9 Druk op [Sluit]. – 10 Ga terug naar stap 5 als u nog een gebruikersbox wilt registreren. Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
Instellingen registreren en opgeven 10 10.8 Instellingen voor relay-gebruikersbox opgeven Op dit apparaat kan relay-rondzending worden uitgevoerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van de F-code. De optie [Relay RX] in Hulpprogramma moet zijn ingesteld op [AAN] en de relay-gebruikersbox moet zijn geregistreerd om dit apparaat als relay-tussenstation te kunnen gebruiken. Er kunnen maximaal 5 relaygebruikersboxen worden geregistreerd.
Instellingen registreren en opgeven 4 Druk op [Relay gebr. box]. 5 Druk op [Nieuw]. – – – 6 10 Zie "Instelling AAN/UIT opgeven voor de functie (Instelling Functie AAN/UIT)' op pagina 11-46 voor meer informatie over de instellingen voor Relay RX. Zie "Een relay-bestemming instellen en de fax verzenden (F-code TX)' op pagina 7-51 voor informatie over het verzenden van een fax door een relay-bestemming op te geven.
Instellingen registreren en opgeven 10 7 Druk op [OK]. De gebruikersbox is nu geregistreerd. 8 Druk op [Sluit]. – 9 Ga terug naar stap 5 als u nog een gebruikersbox wilt registreren. Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven. Werking van relay-distributie Tijdens relay-distributie functioneren de faxapparaten als volgt: Bronstation Voer een relay-verzoek uit. Stel het relay-boxnummer en relay-wachtwoord in en stuur de fax naar een relay-tussenstation.
11 De modus Hulpprogramma
De modus Hulpprogramma 11 De modus Hulpprogramma 11.1 Werking van de modus Hulpprogramma 11 De modus Hulpprogramma biedt de instellingen voor beheer van dit apparaat. Het wordt aanbevolen de beheertaken te laten uitvoeren door een hiervoor aangewezen beheerder, zodat hierover geen verwarring kan ontstaan. Hier wordt beschreven hoe de schermen [Gebruikersinstelling] en [Beheerderinstelling] in Hulpprogramma worden weergegeven en afgesloten.
De modus Hulpprogramma 11 Scherm Beheerderinstelling weergeven 1 Druk op de toets [Hulpprogramma] om het scherm Hulpprogramma weer te geven. 2 Druk op [Beheerderinstelling]. 3 Voer het beheerderswachtwoord in en druk op [OK]. – U kunt het wachtwoord voor de beheerder wijzigen in [Beveiligingsinstellingen]. Beheerders dienen het wachtwoord op verantwoorde wijze te onderhouden. Scherm Beheerderinstelling afsluiten % 11-4 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.2 11 Overzicht van de modus Hulpprogramma In de modus Hulpprogramma zijn de onderstaande instellingen beschikbaar voor de fax. * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. Scan/Faxinstelling Gebruikersinstelling > Aangepaste weergave instelling > Scan/Faxinstelling Hier worden de standaardinstellingen voor het scherm Fax/Scan opgegeven.
De modus Hulpprogramma 11 Energiespaarinstelling Beheerderinstelling > Systeeminst. > Energiespaarinstelling Hiermee worden de functies voor de energiespaarstand ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 Toegang tot adressen beperken Beheerderinstellingen > Gebruikersauthenticatie/gebruikersregistratie > Toegang tot adressen beperken Hiermee wordt het beveiligingsniveau van adresinformatie ingesteld. (pagina 11-31) Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Groep registreren Hiermee worden groepen voor gebruik in adresniveau-instellingen geregistreerd. 1-20 Adresboek Hiermee worden de adresniveaus voor het adresboek ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 Telefoonlijninstellingen Beheerderinstelling > Fax instelling > Telefoonlijninstellingen hiermee worden de functies voor binnenkomende en uitgaande gesprekken ingesteld. (pagina 11-41) Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Kiesmethode Hiermee wordt de kiesmethode ingesteld. PB Ontvangstmethode Selecteer de instelling Auto RX voor automatische ontvangst, en selecteer de instelling Handmatige RX voor een lijn die veel wordt gebruikt en vaak in gesprek is.
De modus Hulpprogramma 11 Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Cassette selectie voor RX afdruk *2 Hiermee wordt de papierlade opgegeven als ontvangen documenten moeten worden afgedrukt op papier uit een vaste lade. Auto* / Cassette 1 / Cassette 2 / Cassette 3 / Cassette 4 Min. verkleining Hiermee wordt de verkleining van ontvangen documenten ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 Gesloten netwerk RX Beheerderinstelling > Fax instelling > Functie-instelling > Gesloten netwerk RX Hiermee wordt ingesteld of de functie voor gesloten netwerkontvangst wel dan niet wordt gebruikt. (pagina 11-51) Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Gesl. netwerk RX Hiermee wordt ingesteld of de functie voor gesloten netwerkontvangst wel dan niet wordt gebruikt.
De modus Hulpprogramma 11 PC-Fax RX instelling Beheerderinstelling > Fax instelling > Functie-instelling > PC-Fax RX instelling Hiermee wordt ingesteld of de functie PC-Fax RX wel dan niet wordt gebruikt. (pagina 11-58) Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Fax RX instelling Hiermee wordt ingesteld of de functie PCFax RX wel dan niet wordt gebruikt. Indien dit wordt ingsteld op [Toestaan], moet de bestemming voor ontvangstuitvoer worden ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 Rapportinstellingen Beheerderinstelling > Fax instelling > Rapportinstellingen Hiermee wordt de afdrukmethode van rapporten ingesteld (pagina 11-67). Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Activiteitenrapport Hiermee wordt ingesteld of het rapport wel dan niet wordt afgedrukt en wanneer. AAN*/UIT Als de functie [AAN] is gezet, kunnen de volgende instellingen worden opgegeven: Uitvoerinstelling: Dagelijks/ Elke 100 comm.
De modus Hulpprogramma 11 Multi-lijn instelling Beheerderinstelling > Fax instelling > Multi-lijn instelling > Multi-lijn instelling Hiermee wordt de communicatiefunctie van lijn 2 (toestelnummer) ingesteld. (pagina 11-74) Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Multi-lijn instelling Hiermee wordt de communicatiefunctie van lijn 2 (toestelnummer) ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 Activiteitenlogboek weergeven Beheerderinstelling > Beveiligingsinstellingen > Beveiligingsdetails > Activiteitenlogboek weerg. Hiermee wordt ingesteld of het activiteitenlogboek wordt weergegeven. (pagina 11-84) 11-14 Item Beschrijving Waarden die kunnen worden ingesteld Activiteitenlogboek weergeven Hiermee wordt ingesteld of het activiteitenlogboek wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.3 11 De beginwaarden voor het scherm Fax/Scan instellen (Scan/Faxinstelling) Hier worden de beginwaarden voor het scherm Fax/Scan opgegeven. De geselecteerde optie wordt hier weergegeven als de beginwaarde. Tabblad Standaard: LDAP zoeken/Opdrachtogboek/Adresboek*/Directe invoer Hiermee worden de beginwaarden van de adreskolomweergave in het scherm Fax/Scan ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 3 Druk op [Scan/Faxinstelling]. 4 Selecteer de opties die u wilt instellen. 5 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. – 6 Er kunnen twee sneltoetsen worden geprogrammeerd. Als de optionele afbeeldingscontroller IC-409 is geïnstalleerd, kan slechts één sneltoets worden geprogrammeerd. Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-16 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.4 11 Het scherm voor gebruik van de fax instellen (Fax actief scherm) Stel in of het bericht "Verzenden" of "Ontvangen" op het scherm moet worden weergegeven. TX weergave: AAN/UIT* Stel in of het bericht "Verzenden" op het scherm moet worden weergegeven. RX weergave: AAN/UIT* Stel in of het bericht "Ontvangen" op het scherm moet worden weergegeven. * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek.
De modus Hulpprogramma 11 4 Selecteer [TX weergave] of [RX weergave]. 5 Druk op [Ja] of [Nee]. 6 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-18 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.5 11 De beginwaarde voor de faxfunctie instellen (Standaard Scan/Fax instelling) U kunt de beginwaarden voor het scherm Fax/Scan instellen. U kunt instellen welke fax/scanfunctie is geselecteerd wanneer u de netspanningsschakelaar aan zet of wanneer u op de toets [Reset] drukt.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Huidige instelling] of op [Fabrieksstandaard] en druk dan op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 11-20 5 Druk op [OK]. 6 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.6 11 De condities voor overschakelen naar de energiespaarstand opgeven (Modus Energiespaarfunctie openen) Hiermee worden de instellingen voor het inschakelen van de energiespaarstand ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 5 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 6 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-22 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.7 11 De afdrukmethode voor ontvangen documenten instellen (Print/Fax uitvoerinstellingen) Hiermee wordt de afdrukmethode van het ontvangen document ingesteld. Fax: Batch afdrukken*/Pagina afdrukken Hiermee wordt de afdrukmethode van het ontvangen document ingesteld. * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Systeeminst.].
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Afdruk/Faxuitvoerinst.]. 5 Druk op [Fax]. 6 Selecteer de gewenste afdrukmethode. – – – 7 [Batch afdrukken] De afdruk wordt gestart als alle documenten zijn ontvangen. [Pagina afdrukken] De afdruk wordt gestart zodra de eerste pagina is ontvangen. Als [Duplex afdruk (RX)] is ingesteld op [AAN], wordt met afdrukken gestart als beide zijden van de eerste pagina (opgesplitst in 2 pagina's) zijn ontvangen. Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd.
De modus Hulpprogramma 11.8 11 Instellen onder welke voorwaarden adreswijzigingen kunnen worden ingevoerd (Adressen registreren en wijzigen) Hiermee wordt ingesteld of wijziging van geregistreerde adressen in de fax wel dan niet is toegestaan. Adressen registreren en wijzigen: Toestaan*/Beperk * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen.
De modus Hulpprogramma 11 5 Druk op [Adressen registreren en wijzigen] en druk dan op [Beperk]. 6 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-26 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.9 11 Verzending van faxen naar meerdere adressen beperken (Verzendadres beperken) Hiermee wordt ingesteld of het verzenden van een fax naar meerdere adressen wel dan niet is toegestaan. Verzendadres beperken: AAN/UIT* * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Sommige opties worden mogelijk niet weergegeven afhankelijk van elders gekozen instellingen.
De modus Hulpprogramma 11 5 Druk op [Verzendadres beperken] en druk dan op [AAN]. 6 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-28 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.10 11 De instelling voor stempelafdruk opgeven (Stempelinstelling) Met deze functie worden de functies voor het afdrukken van annotaties en stempel/pagina in- of uitgeschakeld. 2 Opmerking Raadpleeg de Handleiding - Mapbewerkingen voor informatie over de functie Annotatie. Informatie over de functie Stempel/compositie kunt u vinden in de Handleiding - Netwerkscannerbewerkingen. FX TX instelling: Annuleren*/Niet annuleren * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Stempelinstellingen]. 5 Druk op [Fax TX-inst.]. 6 Druk op [Niet annuleren]. 7 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 8 11-30 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.11 11 Adresinformatie beveiligen (Toegang tot adressen beperken) Hiermee wordt het beveiligingsniveau van adresinformatie ingesteld. Groep registreren: 1-20 Hiermee worden groepen voor gebruik in adresniveau-instellingen geregistreerd. Adresniveau-instelling: Niveau 0* t/m Niveau 5, Referentie toegelaten groep Hiermee worden het adresniveau voor Adresboek, Groepsbestemming en Prgramma-adres ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Groep registreren]. 5 Druk op een nog niet geregistreerde groepstoets. – 11-32 Selecteer de geregistreerde groepstoets en druk dan op [Details] als u de groepsgegevens wilt controleren. 6 Druk op [Bewerken]. 7 Druk op [Groepsnaam].
De modus Hulpprogramma 8 Voer de naam van de groep in en druk op [OK]. 9 Selecteer "referentie toegel. niveau". 10 Druk op [OK]. 11 De groepen zijn nu geregistreerd. 11 Druk op [OK]. – 12 Ga terug naar stap 5 als u nog een groep wilt registreren. Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven. Instellingen voor het adresniveau opgeven Hiermee worden het adresniveau voor Adresboek, Groepsbestemming en Programma-adres ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 11-34 3 Druk op [Toegang tot adressen beperken]. 4 Druk op [Adresniveau-instelling]. 5 Selecteer het Adrestype waarvoor het adresniveau moet worden ingesteld.
De modus Hulpprogramma 6 Selecteer het adres waarvoor het adresniveau moet worden ingesteld. 7 Stel het adresniveau in. 11 – Als de instelling van toepassing is op een groep die is aangemaakt met [Groep registreren], drukt u op [Groep Toepassen], drukt u op de groepstoets en vervolgens op [OK]. – Als de instelling van toepassing is op een adresniveau, drukt u op [Niveau toepassen], drukt u op de niveautoets en vervolgens op [OK]. Het adresniveau is nu ingesteld.
De modus Hulpprogramma 11 11.12 Naam en faxnummer van het bronapparaat instellen (Koptekstinformatie) Hiermee worden de naam en het faxnummer van de afzender geregistreerd. Afzender: maximaal 30 tekens De geregistreerde naam wordt als koptekstinformatie op de documenten gedrukt die de ontvanger ontvangt. Faxnummer afzender: maximaal 20 cijfers, van 0 t/m 9 en symbolen +, spatie, *, # Het geregistreerde faxnummer wordt als koptekstinformatie op de documenten gedrukt die de ontvanger ontvangt.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Afzender]. 5 Selecteer de te registreren lijst, druk op [Nieuw], voer de naam van de afzender in en druk op [OK]. – – – – – – Druk op of om naar de volgende of vorige pagina te gaan. Druk op [Bewerken] als u een reeds geregistreerde naam wilt wijzigen. Druk op [Verwijderen] als u een reeds geregistreerde naam wilt verwijderen. Er kunnen maximaal 20 afzendernamen worden geregistreerd.
De modus Hulpprogramma 11 9 Voer het faxnummer in op het toetsenbord, [+], [Spatie], – , , en druk op [OK]. Als u ingevoerde tekens wilt verwijderen, drukt u op [C] (wissen) op het bedieningspaneel. – – – – – [+]: voert + in. [Spatie]: voert een spatie in. : verplaatst de cursor naar links. : verplaatst de cursor naar rechts. [Verwijderen]: verwijdert het teken onder de cursor. Als de cursor rechts staat, wordt het laatste teken gewist. Het faxnummer is nu ingesteld. 11-38 10 Druk op [OK].
De modus Hulpprogramma 11.13 11 De positie van de koptekst en voettekst opgeven (Koptekst/Voettekst positie) Hiermee wordt de plaats van de koptekst en voettekst opgegeven. Voor de plaatsing van de koptekst en voettekst zijn de volgende mogelijkheden beschikbaar: Koptekstpositie Binnen tekst: de broninformatie van de verzending wordt op het origineel geplaatst en afgedrukt. Buiten tekst*: de broninformatie van de verzending wordt buiten het origineel geplaatst.
De modus Hulpprogramma 11 3 Druk op [Koptekst/Voettekst positie]. 4 Selecteer de opties die u wilt instellen. 5 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 6 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-40 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.14 11 De verzend- en ontvangstmodus instellen (Telefoonlijninstellingen) Hiermee worden de functies voor verzending en ontvangst ingesteld. Kiesmethode: PB Hiermee wordt de kiesmethode ingesteld. Ontvangstmethode: Auto RX* / Handm.RX Selecteer de instelling Auto RX voor automatische ontvangst, en selecteer de instelling Handmatige RX voor een lijn die veel wordt gebruikt en vaak in gesprek is.
De modus Hulpprogramma 11 3 Druk op [Telefoonlijninstellingen]. 4 Selecteer de opties die u wilt instellen. – 5 of om de volgende of vorige pagina weer te geven. Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. – 6 Druk op Als u het [Lijnmonitor geluidsvolume] wilt instellen, drukt u op [Lijnmonitor geluidsvolume], druk u op [Lager] of [Hoger] om het gewenste volume te selecteren en drukt u vervolgens op [OK]. Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd.
De modus Hulpprogramma 11.15 11 Verzend- en ontvangstmethoden instellen (TX/RX instelling) Hiermee wordt ingesteld hoe een bestand tijdens polling-verzending of -ontvangst wordt verwerkt en welke afdrukmethode op ontvangen documenten wordt toegepast. Duplex afdruk RX: AAN/UIT* Wanneer u deze optie instelt op [AAN], wordt het ontvangen origineel dubbelzijdig afgedrukt. Als [Print afzonderlijke faxpagina's] is ingesteld op [AAN], wordt dit niet weergegeven. Inch-papier priorit.
De modus Hulpprogramma 11 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Faxinstelling]. – Het nummer dat op een toets in Hulpprogramma wordt weergegeven, kan via het toetsenbord worden ingevoerd en geselecteerd. Druk voor [Faxinstelling] op nummer [8] op het toetsenbord. 3 Druk op [TX/RX instelling]. 4 Selecteer de opties die u wilt instellen.
De modus Hulpprogramma 5 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 6 Druk op [OK]. 11 De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.16 Instelling AAN/UIT opgeven voor de functie (Instelling Functie AAN/UIT) Hiermee wordt de functie voor verzending of ontvangst op AAN of UIT gezet. F-code TX: AAN*/UIT Hiermee wordt ingesteld of de F-code verzendfunctie wel dan niet wordt gebruikt. Zie "Vertrouwelijke verzendingen (F-code TX)' op pagina 7-49 voor meer informatie over vertrouwelijke communicatie.
De modus Hulpprogramma 3 Druk op [Functie-instelling]. 4 Druk op [Functie aan/uit instelling]. – 5 11 Indien een van deze functies, zoals [Geheugen RX instelling], [Doorschak TX inst.], [PC-Fax RX instelling], [TSI gebruikersbox instelling] zijn ingeschakeld, worden de overige opties niet weergegeven. Selecteer de opties die u wilt instellen.
De modus Hulpprogramma 11 6 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 7 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 8 11-48 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.17 11 Instellingen voor geheugenontvangst opgeven (Geheugen RX instelling) Hiermee wordt ingesteld of de functie Geheugen RX wel dan niet wordt gebruikt. Als deze instellingen zijn opgegeven, moet een wachtwoord van maximaal 8 cijfers worden ingesteld voor afdrukken. Met de functie geheugen RX wordt een ontvangen document in het geheugen opgeslagen en wordt dit pas afgedrukt als hiervoor instructie wordt gegeven.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Geheugen RX instelling]. 5 Druk op [Nee], controleer dat de cursor in het invoerveld voor het wachtwoord staat en voer het wachtwoord in dat moet worden ingevoerd wanneer wordt afgedrukt (max. 8 cijfers). 6 Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-50 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.18 11 Instellingen voor ontvangst door specifieke gebruiker (Gesloten netwerk RX) Hiermee wordt ingesteld of de functie voor gesloten netwerkontvangst wel dan niet wordt gebruikt. Als deze instellingen zijn opgegeven, moet een wachtwoord van maximaal 4 cijfers worden ingesteld voor gesloten netwerkontvangst. Met gesloten netwerkontvangst kan alleen worden ontvangen van een verzendend apparaat met een overeenkomstig wachtwoord.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Gesl. netwerk RX]. 5 Druk op [NEE], controleer dat de cursor in het invoerveld voor het wachtwoord staat en voer het wachtwoord in dat moet worden ingevoerd wanneer wordt afgedrukt (max. 8 cijfers). – 6 Druk op [C] (wissen) als u het alle ingetoetste waarden wilt wissen. Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 11-52 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.19 11 Een ontvangen document doorsturen (Doorschak. TX instelling) Hiermee wordt het doorschakelen van faxen ingesteld. Met de functie Doorschakelen worden ontvangen documenten doorgestuurd naar andere bestemmingen, die vooraf zijn opgegeven. Doorschak. TX instelling: Ja/Nee* Indien ingesteld op [Ja] kunnen de volgende instellingen worden opgegeven: – Uitvoermethode: Doorst.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Doorschak TX instelling.]. 5 Selecteer [Ja]. 6 Stel de "Uitvoermethode" in. – – 11-54 [Doorst. & afdruk]: het document wordt doorgestuurd en afgedrukt op het ontvangende apparaat. [Doorst. & afdruk (Indien TX mislukt)]: het document wordt doorgestuurd, maar als dit niet lukt wordt het afgedrukt op uw apparaat.
De modus Hulpprogramma 7 Druk op [Doorst bestem.] en voer het faxnummer van het apparaat in waarnaar de fax wordt doorgestuurd. – – – – – – – – 8 11 Typ met het toetsenblok op het bedieningspaneel of het toetsenbord dat wordt weergegeven op het tiptoetsscherm het faxnummer van het adres voor doorsturen. U kunt een geregistreerde bestemming in het adresboek selecteren door op [Geregistrerd adres] te drukken.
De modus Hulpprogramma 11 11.20 Opnieuw verzenden instellen (Incompl. in wacht) Een origineel dat zelfs na automatisch opnieuw kiezen nog steeds niet kan worden verzonden, wordt tijdelijk opgeslagen in de Gebruikersbox fax opnieuw verzenden. Opnieuw verzenden instelling: Ja/Nee* Indien ingesteld op [Ja], zijn de instellingen als volgt: Tijd bestand bewaren: 12 uur/24 uur/48 uur/72 uur * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek.
De modus Hulpprogramma 4 Druk op [Incompl. in wacht]. 5 Druk op [Ja] om de "Tijd bestand bewaren" op te geven. 6 Druk op [OK]. 11 De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.21 Ontvangst in een gebruikersbox op de vaste schijf instellen (PC-Fax RX instelling) Hiermee wordt ingesteld of de functie PC-Fax RX wel dan niet wordt gebruikt. Indien dit wordt ingsteld op [Toestaan], moet de gebruikersbox voor uitvoer worden ingesteld. PC-Fax RX slaat het ontvangen document in de gebruikersbox op de vaste schijf op. Een opgeslagen bestand kan naar een netwerkcomputer worden gedownload.
De modus Hulpprogramma 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 11 Sommige opties worden mogelijk niet weergegeven afhankelijk van elders gekozen instellingen. Druk op [Faxinstelling]. – Het nummer dat op een toets in Hulpprogramma wordt weergegeven, kan via het toetsenbord worden ingevoerd en geselecteerd. Druk voor [Faxinstelling] op nummer [8] op het toetsenbord. 3 Druk op [Functie-instelling]. 4 Druk op [Fax RX instelling].
De modus Hulpprogramma 11 5 Selecteer [Toestaan]. – – 6 [Beperken]: PC-Fax wordt niet ontvangen. [Toestaan]: PC-Fax wordt ontvangen en de ontvangen documenten worden in de opgegeven box opgeslagen. Selecteer de gebruikersbox waarin via PC-Fax gestuurde documenten moeten worden opgeslagen met gebruik van de functie "Gebr.box best. ontv.". – – – [Geheugen RX gebr.box] Het document wordt naar de gebruikersbox voor geheugenontvangst gestuurd.
De modus Hulpprogramma 11.22 11 Een ontvangen document per afzender disribueren (TSI gebruikersbox instelling) Hiermee wordt ingesteld of de TSI gebruikersbox instelling wel dan niet wordt gebruikt. Als de functie wordt gebruikt, moet de TSI gebruikersbox worden geregistreerd. De documenten die afkomstig zijn van het faxnummer van de afzender (TSI) worden naar distributie-adressen verzonden (box-adres/ e-mailadres/FTP-adres/SMB-adres).
De modus Hulpprogramma 11 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Faxinstelling]. – 11-62 Sommige opties worden mogelijk niet weergegeven afhankelijk van elders gekozen instellingen. Het nummer dat op een toets in Hulpprogramma wordt weergegeven, kan via het toetsenbord worden ingevoerd en geselecteerd. Druk voor [Faxinstelling] op nummer [8] op het toetsenbord. 3 Druk op [Functie-instelling].
De modus Hulpprogramma 11 5 Druk op [Ja] om de functie TSI Gebruikersbox instelling in te schakelen. 6 Selecteer de actie die moet worden uitgevoerd wanneer niet-geregistreerde TSI-gegevens worden ontvangen via "Actie als TSI gebr. niet is ingest.". – – [Autom. afdrukken] Het ontvangen document wordt afgedrukt. [Geheugen RX gebr. box] Het ontvangen document wordt opgeslagen in de Geheugen RX gebruikersbox. 7 De instelling van [Printen] bepaalt of het document na ontvangst wordt afgedrukt.
De modus Hulpprogramma 11 10 Voer de broninformatie van de verzending in (faxnummer) met gebruik van de cijfertoetsen, [+], [Spatie], of . – – – – – – – 11 [+]: voert + in. [Spatie]: voert een spatie in. : verplaatst de cursor naar links. : verplaatst de cursor naar rechts. [Verwijderen]: verwijdert het teken onder de cursor. Als de cursor rechts staat, wordt het laatste teken gewist. Tijdens de eigenlijke communicatie worden [+], [spatie] genegeerd.
De modus Hulpprogramma 11.23 11 De functie voor PBX (eigen telefooncentrale) inschakelen (PBXverbind. instellingen) Hiermee wordt de verbindingsmethode van een PBX-telefoonlijn ingesteld. PBX verbindingsinstelling: (Instelling van nummer voor buitenlijn) / UIT* Als PBX verbindingsinstelling in ingesteld op [AAN], dient een nummer voor de buitenlijn te worden ingesteld. Met 'buitenlijn' wordt het nummer bedoeld dat moet worden gekozen om een buitenlijn te krijgen.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op [Nee], zet de cursor in het invoerveld voor het buitenlijnnummer en voer het nummer voor de buitenlijn in. – 5 Druk op [C] (wissen) als u het alle ingetoetste waarden wilt wissen. Druk op [OK]. De instellingen zijn nu gewijzigd. 6 11-66 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11.24 11 De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen) De afdrukmethoden voor het rapport worden ingesteld. Activiteitenrapport: AAN*/UIT Indien ingesteld op [AAN] gebruikt u de onderstaande instelling. Uitvoerinstellingen: Dagelijks/Elke 100 comm.*/100/Dagelijks Hiermee wordt ingesteld of het activiteitenrapport wordt afgedrukt en wanneer dit wordt afgedrukt.
De modus Hulpprogramma 11 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Faxinstelling]. – Het nummer dat op een toets in Hulpprogramma wordt weergegeven, kan via het toetsenbord worden ingevoerd en geselecteerd. Druk voor [Faxinstelling] op nummer [8] op het toetsenbord. 3 Druk op [Rapportinstellingen]. 4 Selecteer de opties die u wilt instellen.
De modus Hulpprogramma 5 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 6 Druk op [OK]. 11 De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.25 De telefoonlijninstellingen voor een toestelnummer instellen (Telefoonlijninstellingen) Hiermee worden de parameters voor het toestelnummer ingesteld. Kiesmethode: PB Stelt de kiesmethode in voor lijn 2 (toestelnummer). Aantal malen RX overgaan: 0 - 15 keer (2 keer*) Hiermee wordt ingesteld hoe vaak lijn 2 (toestelnummer) moet overgaan. Het aantal keer dat de telefoon overgaat vanaf de inkomende fax tot de eigenlijke ontvangst wordt ingesteld.
De modus Hulpprogramma 4 Druk op [Telefoonlijninstellingen]. 5 Selecteer de opties die u wilt instellen. 6 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 7 Druk op [OK]. 11 De instellingen zijn nu gewijzigd. 8 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.26 De functies voor telefoonlijninstellingen van een toestelnummer instellen (Functie-instelling) Hiermee worden de functies voor het toestelnummer ingesteld. PC-Fax TX instelling: Lijn 1 / Lijn 2 / Geen selectie* Hiermee worden de telefoonlijnen ingesteld bij gebruik van PC-FAX. * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 2 Opmerking De lijnen voor toestelnummers kunnen alleen worden ingesteld als de fax multi-lijn is geïnstalleerd.
De modus Hulpprogramma 4 Druk op [Functie-instelling]. 5 Selecteer de opties die u wilt instellen. 6 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 7 Druk op [OK]. 11 De instellingen zijn nu gewijzigd. 8 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.27 De communicatiemethoden voor een toestelnummer instellen (Multilijn instelling) Hiermee wordt de communicatiefunctie van lijn 2 (toestelnummer) ingesteld. Multi-lijn instelling: TX en RX* / Alleen RX / Alleen TX Hiermee wordt de communicatiefunctie van lijn 2 (toestelnummer) ingesteld. * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 2 Opmerking De lijnen voor toestelnummers kunnen alleen worden ingesteld als de fax multi-lijn is geïnstalleerd.
De modus Hulpprogramma 4 Druk op [Multilijninstelling]. 5 Druk in de optielijst op de toets van de betreffende optie. 6 Druk op [OK]. 11 De instellingen zijn nu gewijzigd. 7 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.28 Het faxnummer van een toestelnummer instellen (Faxnummer afzender) Hiermee wordt het faxnummer van het toestelnummer geregistreerd. Faxnummer afzender: maximaal 20 cijfers, van 0 t/m -9 en symbolen +, spatie, *, # Het geregistreerde faxnummer wordt als koptekstinformatie op de originelen gedrukt die de ontvanger ontvangt. 2 Opmerking De lijnen voor toestelnummers kunnen alleen worden ingesteld als de fax multi-lijn is geïnstalleerd.
De modus Hulpprogramma 4 Druk op [Faxnummer afzender]. 5 Voer het faxnummer in met gebruik van de cijfertoetsen, [+], [Spatie], – – – – – 6 11 , . [+]: voert + in. [Spatie]: voert een spatie in. : verplaatst de cursor naar links. : verplaatst de cursor naar rechts. [Verwrd.]: hiermee verwijdert u het teken op de positie van de cursor. Als de cursor rechts staat, wordt het laatste teken gewist. Druk op [OK]. Het faxnummer is nu geregistreerd.
De modus Hulpprogramma 11 11.29 Directe invoer van faxnummers blokkeren (Handmatige adresinvoer) Hiermee wordt ingesteld of adressen wel dan niet direct kunnen worden ingevoerd. Handmatige adresinvoer: Toestaan*/Beperk * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Beveiligingsinstellingen].
De modus Hulpprogramma 5 Druk op [Beperk]. 6 Druk op [OK]. 11 Faxnummers kunnen nu niet direct worden ingevoerd. 7 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.30 Faxverzending blokkeren (Fax TX verbieden) Hiermee wordt ingesteld of het verzenden van faxen wel dan niet is toegestaan. Als [Fax TX verbieden] is ingesteld op [AAN], wordt de faxfunctie niet weergegeven op het scherm Fax/Scan. Fax TX verbieden: AAN/UIT* Er kunnen nu geen faxen worden verzonden. * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen.
De modus Hulpprogramma 11 4 Druk op 5 Druk op [Fax TX verbieden]. 6 Druk op [AAN]. 7 Druk op [OK]. . Er kunnen nu geen faxen worden verzonden. 8 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.31 Functies voor het verbergen van informatie instellen (Persoonlijke info verbergen) Hiermee wordt ingesteld of het logboek van adressen in het scherm Opdrachtlijst wordt weergegeven. Persoonlijke info verbergen: AAN/UIT* * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Beveiligingsinstellingen].
De modus Hulpprogramma 5 Druk op [Persoonlijke info verbergen]. 6 Druk op [AAN]. 7 Druk op [OK]. 11 Het faxnummer is nu verborgen. 8 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
De modus Hulpprogramma 11 11.32 Functies instellen voor het verbergen van het communicatielogboek (Activiteitenlogboek weerg.) Hiermee wordt ingesteld of het activiteitenlogboek wordt weergegeven. Activiteitenlogboek weergeven: AAN*/UIT * is de standaardwaarde zoals ingesteld op de fabriek. 1 Zie "Scherm Beheerderinstelling weergeven' op pagina 11-4 om het scherm Beheerderinstelling te openen. – 2 Druk op [Beveiligingsinstellingen].
De modus Hulpprogramma 5 Druk op [Activiteitenlogboek weerg.]. 6 Druk op [UIT]. 7 Druk op [OK]. 11 Het activiteitenlogboek is nu verborgen. 8 Druk op [Sluit] totdat het scherm Fax/Scan weer wordt weergegeven.
11 11-86 De modus Hulpprogramma CS250/CS240/CS231
12 Rapporten en lijsten
Rapporten en lijsten 12 Rapporten en lijsten 12.1 Rapport- en lijstsoorten 12 Dit apparaat drukt de volgende soorten rapporten en lijsten af. Rapporten Er zijn rapporten die automatisch worden afgedrukt, rapporten waar de afdrukmethoden voor kunnen worden ingesteld en rapporten die op aanvraag kunnen worden afgedrukt. Rapportnaam Beschrijving Activiteitenrapport Dit rapport toont de records van verzonden en ontvangen faxen. In totaal worden 100 verzendingen en ontvangsten in het rapport opgenomen.
Rapporten en lijsten 12 Rapportnaam Beschrijving Bulletin TX rapport Het Bulletin TX rapport wordt automatisch afgedrukt wanneer [Bulletin board TX rapport] in [Rapportinstellingen] van Hulpprogramma is ingesteld op [AAN]. Relay TX resultatenrapport Het Relay TX resultatenrapport wordt automatisch afgedrukt wanneer [Relay TX resultatenrapport] in [Rapportinstellingen] van Hulpprogramma is ingesteld op [AAN].
Rapporten en lijsten 12.2 12 Activiteitenrapport Conventies van het activiteitenrapport Het activiteitenrapport bevat de records van verzonden en ontvangen faxen. In totaal worden 100 verzendingen en ontvangsten in het rapport opgenomen. Verzendingen en ontvangsten worden op aparte pagina's getoond. Het activiteitenrapport wordt automatisch afgedrukt.
Rapporten en lijsten 12 Opmerking: Een van de volgende wordt beschreven.
Rapporten en lijsten 12 Handmatig afdrukken Maak als volgt een afdruk: 1 Druk op [Opdr. lijst]. 2 Druk op [Opdrachtdetails]. 3 Druk op [Verzenden]. 4 Druk op [Opdr. hist.]. – – Als de optionele fax multi-lijn is geïnstalleerd, kan de telefoonlijst worden afgedrukt wanneer [Verzenden] wordt uitgevoerd. Druk op [L1] om een lijst weer te geven tijdens gebruik van Lijn 1, en druk op [L2] om een lijst weer te geven tijdens gebruik van Lijn 2.
Rapporten en lijsten 12 5 Druk op [Comm. lijst]. 6 Druk op [Fax TX-lijst]. 7 Druk op [Activiteitenrapport], [TX rapport] of [RX Rapport] en druk dan op de toets [Start]. Het rapport wordt nu afgedrukt.
Rapporten en lijsten 12.3 12 TX resultaten rapport Conventies van het TX resultaten rapport Bestemming: Een van de volgende wordt beschreven. Naam die bij de bestemming staat geregistreerd in het adresboek of in het programma Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Afdr.: geeft het aantal verzonden pagina's. Voor geheugenverzendingen worden het aantal verzonden pagina's en het totaal aantal pagina's fractioneel weergegeven.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board Handmatig afdrukken Het scherm TX resultaat rapport controle wordt voor iedere verzending weergegeven wanneer [TX resultaat rapport controle] in Hulpprogramma is ingesteld op [AAN]. Het verzendrapport wordt afgedrukt door op [Ja] te drukken. Als op [Nee] wordt gedrukt, wordt het rapport niet afgedrukt.
Rapporten en lijsten 12.4 12 Polling TX rapport Het Polling TX rapport wordt automatisch afgedrukt. Het [TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / Indien TX mislukt / UIT. Adres: hier wordt de ID van het ontvangende apparaat getoond. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Aantal vellen: toont het aantal verzonden vellen.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Zie "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [TX rapport].
Rapporten en lijsten 12.5 12 Polling RX rapport Na ontvangst van een polling-verzending wordt automatisch een Polling RX rapport afgedrukt. Het [TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / Indien TX mislukt / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam van de ontvangers wiens adresnamen in het Adresboek zijn geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Afdr.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Zie "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [TX rapport].
Rapporten en lijsten 12.6 12 Sequentieel opvragen RX rapport Het resultaat van een pollingopdracht naar meerdere bestemmingen wordt automatisch afgedrukt. Het [Sequentieel polling TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam van de ontvangers wiens adresnamen in het Adresboek zijn geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Afdr.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Zie "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [Sequentieel polling TX rapport].
Rapporten en lijsten 12.7 12 Reservering communicatierapport Dit rapport wordt automatisch afgedrukt als Timer TX is opgegeven. Het [Timer reservering TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Naam die bij de bestemming staat geregistreerd in het adresboek of in het programma Telefoonnummer ontvanger. Tijd maken: toont de tijd dat de verzending werd gereserveerd. Starttijd: geeft de begintijd van de communicatie. Afdr.
Rapporten en lijsten 12 12.8 Reservering polling TX rapport Na ontvangst van een polling-verzending wordt automatisch een Reservering polling RX rapport afgedrukt. Het [Timer reservering TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: niet gegeven. Tijd maken: toont de tijd dat de polling-verzending werd gereserveerd. Starttijd: niet gegeven. Afdr.:geeft het aantal gescande pagina's. Opmerking: Een van de volgende wordt beschreven.
Rapporten en lijsten 12.9 12 Gereserveerd verzenden rapport Na ontvangst van een continu verzendrapport wordt automatisch een Gereserveerd verzenden rapport afgedrukt. Het [Timer reservering TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Naam die bij de bestemming staat geregistreerd in het adresboek of in het programma Telefoonnummer van de ontvanger als het adres via het toetsenbord is ingevoerd.
Rapporten en lijsten 12 12.10 Een adres polling gereserveerd RX rapport Na reservering van polling voor één adres wordt automatisch Een adres polling gereserveerd RX rapport afgedrukt. Het [Timer reservering TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: hier wordt het telefoonnummer van de ontvanger getoond. Tijd maken: toont de tijd dat de polling werd gereserveerd. Starttijd: geeft de begintijd van de communicatie. Afdr.:geeft het aantal verzonden pagina's.
Rapporten en lijsten 12.11 12 Sequentieel opvragen gereserveerd RX rapport Na reservering van polling voor meerdere adressen wordt automatisch het Sequentieel polling gereserveerd rapport afgedrukt. Het [Timer reservering TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: hier wordt het telefoonnummer van de ontvanger getoond. Tijd maken: toont de tijd dat de polling werd gereserveerd. Starttijd: geeft de begintijd van de communicatie. Afdr.:geeft het aantal verzonden pagina's.
Rapporten en lijsten 12 12.12 Vertrouwelijk Rx rapport Na ontvangst van een vertrouwelijk document wordt automatisch een ontvangstrapport afgedrukt. Het [Vertrouwelijke Rx rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam als het adres in het Adresboek is geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Afdr.:geeft het aantal verzonden pagina's.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Raadpleeg "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [Vertrouwelijk Rx rapport].
Rapporten en lijsten 12 12.13 Bulletin TX rapport Het Bulletin board ontvangst resultaatrapport (Polling TX rapport) wordt automatisch afgedrukt als een origineel dat in het bulletin board is geregistreerd, via polling wordt verzonden. Het [Bulletin TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam als het adres in het Adresboek is geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving FWD Doorsturen BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Zie "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [Bulletin TX rapport].
Rapporten en lijsten 12 12.14 Relay TX resultatenrapport Het Relay TX resultatenrapport wordt automatisch afgedrukt na een relay-verzending naar een relaytussenstation voor verdere rondzending. Het [Relay TX resultatenrapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam als het adres in het Adresboek is geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Afdr.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving FWD Doorsturen BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Zie "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [Relay TX resultatenrapport].
Rapporten en lijsten 12 12.15 Relay-aanvraagrapport Het Relay-aanvraagrapport wordt automatisch afgedrukt als een document van een bronstation wordt ontvangen dat als tussenstation dient. Het [Relay-aanvraagrapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam als het adres in het Adresboek is geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Starttijd: geeft de starttijd van de communicatie. Tijd: geeft de duur van de communicatie. Afdr.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving FWD Doorsturen BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Raadpleeg "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [Relay-aanvraagrapport].
Rapporten en lijsten 12 12.16 PC-Fax TX-foutrapport Het PC-Fax TX-foutrapport wordt automatisch afgedrukt als er een fout optreedt tijdens een PC-Fax verzending. Het [PC-Fax TX-foutrapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Adresnaam van de ontvangers wiens adresnamen in het Adresboek zijn geregistreerd. Telefoonnummer ontvanger. Tijd maken: toont de tijd dat de PC-Fax verzending op de pc werd gestart.
Rapporten en lijsten 12.17 12 Verzendrapport Na voltooiing van een continu verzendrapport wordt automatisch een Verzendrapport afgedrukt. Het [Sequentieel polling TX rapport] in Hulpprogramma kan worden ingesteld op AAN / UIT. In [Verzending resultatenrapport] kan de uitvoertijd van het rapport (alle bestemmingen/elke bestemming) worden opgegeven. Adres: Een van de volgende wordt beschreven. Naam die bij de bestemming staat geregistreerd in het adresboek of in het programma Telefoonnummer ontvanger.
Rapporten en lijsten 12 Item Beschrijving FME Verzending met kader wissen CALL Handmatige communicatie FWD Doorsturen BND Inbindpositie FCODE Specificatie F-code RLY Relay BUL Bulletin board ! Detail Zie "De afdrukmethoden voor rapporten instellen (Rapportinstellingen)' op pagina 11-67 voor informatie over [Sequentieel TX rapport] en [Verzending resultatenrapport].
Rapporten en lijsten 12.18 12 Snelkieslijst (Adressenlijst van Adresboek) De snelkieslijst (Adressenlijst van Adresboek) kan worden afgedrukt. Conventies in de snelkieslijst Nr.: registratienummer Index: het geregistreerde zoekwoord. Naam: de naam van het geregistreerde adres. Kiesnummer: het geregistreerde faxnummer. Lijninstelling: * is ingesteld als de telefoonlijninstelling is opgegeven. Type machine bestemming: het geregistreerde apparaatmodel van de ontvanger (zwart/wit of kleurenapparaat).
Rapporten en lijsten 12 6 Druk op [Adresboeklijst]. 7 Stel het "Lijstuitvoernummer" in. – – – 8 Druk op [Startnummer afdrukken] en voer via het toetsenbord het registratienummer in van de bestemming in het adresboek die moet worden afgedrukt. Druk op [Aantal bestemmingen] en voer via het toetsenbord het aantal pagina's in dat vanaf het startnummer moet worden afgedrukt. Er kunnen maximaal 100 pagina's worden afgedrukt. Stel "Adreslijst op type afdrukken" in.
Rapporten en lijsten 12.19 12 Groepsadreslijst Geregistreerde groepsadreslijsten kunnen worden afgedrukt. Conventies voor de groepsadreslijst Nr.: het groepsnummer Naam: de naam van het geregistreerde groep. Adr. Nr.: het adresnummers van het adresboek dat is geregistreerd in de groep. Toelaatbaar referentieniveau: de geregistreerde referentieniveaus. Geregistreerd aantal: het aantal adresboeknummers dat in de groep is geregistreerd.
Rapporten en lijsten 12 6 Druk op [Groeplijst]. 7 Stel het "Lijstuitvoernummer" in. – – – Druk op [Startnummer afdrukken] en voer via het toetsenbord het registratienummer in van de groepsbestemming in het adresboek die moet worden afgedrukt. Druk op [Aantal bestemmingen] en voer via het toetsenbord het aantal pagina's in dat vanaf het startnummer moet worden afgedrukt. Er kunnen maximaal 20 pagina's worden afgedrukt. 8 Druk op [Printen].
Rapporten en lijsten 12.20 12 Programmalijst Geregistreerde programma-adreslijsten kunnen worden afgedrukt. Conventies voor de programmalijst Nr.: het nummer van het programma-adres. Naam: de naam van het geregistreerde programma-adres. Adresboek: nummer van het adres in het adresboek. De programmalijst afdrukken 1 Druk op de toets [Hulpprogramma] 2 Druk op [Beheerderinstellingen]. 3 Voer het beheerderswachtwoord in en druk op [OK]. – 4 Druk op [Adresregistratielijst].
Rapporten en lijsten 12 6 Druk op [Programmalijst]. 7 Stel het "startnummer voor uitvoer" in. – – – 8 Druk op [Startnummer afdrukken] en voer via het toetsenbord het registratienummer in van het programma-adres in het adresboek dat moet worden afgedrukt. Druk op [Aantal bestemmingen] en voer via het toetsenbord het aantal pagina's in dat vanaf het startnummer moet worden afgedrukt. Er kunnen maximaal 50 pagina's worden afgedrukt. Stel "Adreslijst op type afdrukken" in.
Rapporten en lijsten 12.21 12 Fax instellingenlijst De lijst faxinstellingen die op dit apparaat zijn opgegeven, kan worden afgedrukt. Conventies voor de fax instellingenlijst Item: opties in de modus Hulpprogramma. Instelling: de status van de instelling.
Rapporten en lijsten 12 Conventies voor de Doorsturen lijst Nr.: nummer van de Doorsturen gebruikersbox. Groepnr.: nummer van de groep van bestemming voor relaydistributie. Wachtwoord: wachtwoord voor doorsturen Conventies voor de afzender (TSI) RX gebruikersbox Nr.: registratienummer van de TSI gebruikersbox instelling. Afzender (TSI): geregistreerde broninformatie van verzending. Doorschakeladres: opgegeven distributiebestemming.
Rapporten en lijsten 12 Conventies voor de vertrouwelijke/bulletin lijst Nr.: registratienummer van de vertrouwelijke box / Bulletin Board gebruikersbox. Naam: de geregistreerde naam. Wachtwoord: vertrouwelijk wachtwoord. Type: "gebruikersboxnr." (vertrouwelijke boxnr.) of "Bulletin" wordt weergegeven. Fax instellingenlijst afdrukken 1 Druk op de toets [Hulpprogramma] 2 Druk op [Beheerderinstellingen]. 3 Voer het beheerderswachtwoord in en druk op [OK].
Rapporten en lijsten 12 5 Druk op [Opdrachtinstellingenlijst]. 6 Selecteer de papiercassette die voor de afdruk moet worden gebruikt. 7 Druk op [Start] of op de toets [Start]. – Als de papiercassette onvoldoende papier bevat voor het rapport of de lijst, gaat het lampje [Start] rood branden en werkt de toets [Start] niet. De faxinstellingenlijst wordt afgedrukt.
13 Appendix
Appendix 13 13 Appendix 13.1 Meer over het aantal originelen dat in het geheugen kan worden opgeslagen Dit apparaat wordt geleverd met een vaste schijf van 60 GB, waarvan 31 GB wordt gebruikt voor de opslag van faxbeelden. De vaste schijf biedt ruimte voor circa 10.000 pagina's van standaardformaat (A4/Letter met circa 700 tekens per pagina), die via iedere willekeurige functie (kopiëren/scannen/box/faxen) worden opgeslagen of ontvangen. (Opgeslagen in de resolutie "Fijn".
Appendix 13 Wanneer u op [Shift] drukt, wordt de toetsenbordweergave omgeschakeld tussen kleine letters (cijfers) en hoofdletters (symbolen). Het toetsenbord vergroten Het toetsenbord kan worden vergroot, zodat dit beter leesbaar is. 1 Hiervoor drukt u op [Vergr. AAN] terwijl het toetsenbord wordt weergegeven. Het toetsenbord wordt nu vergroot weergegeven. 2 Druk op [Vergr. UIT] terwijl het vergrote toetsenbord wordt weergegeven om de vergroting uit te schakelen en het normale formaat weer te geven.
Appendix 13 Tekst invoeren % Druk in het weergegeven toetsenbord op de toets met de gewenste letter. – Als u hoofdletters of symbolen wilt invoeren, drukt u op [Versch.]. – U kunt ook het numerieke toetsenbord gebruiken voor het invoeren van cijfers. De ingevoerde tekens worden weergegeven in het tekstvak. 2 Opmerking Druk op [Annuleren] om terug te keren naar de instelling die geactiveerd was voordat het toetsenbord werd weergegeven. Druk op [C] (wissen) als u de ingevoerde tekst wilt wissen.
Appendix 13 13.3 Verklarende woordenlijst voor de fax In deze verklarende woordenlijst wordt een uitleg gegeven van de termen die voor faxverzendingen worden gebruikt. Tevens vindt u hier een uitleg van functies en termen die niet op dit apparaat worden gebruikt. 13-6 Termen Uitleg # originelen Deze functie wordt gebruikt bij snelle geheugenverzending, waarbij het totale aantal pagina's op het origineel wordt vermeld. Zodoende kan de ontvanger controleren of alle pagina's zijn ontvangen.
Appendix 13 Termen Uitleg Lang origineel Een instelling voor het verzenden van originelen die langer zijn dan A3-formaat (420mm/16-1/2 inch). Lange originelen kunnen worden verzonden door deze instelling te selecteren. LDAP Afkorting van Lightweight Directory Access Protocol. LDAP is het standaardprotocol voor benadering van de database voor beheer van informatie over het systeem en het e-mailadres van de gebruiker, voor gebruik van het netwerk via TCP/IP, zoals internet en intranet.
Appendix 13 13-8 Termen Uitleg V. 34 Dit is de communicatiemodus voor faxcommunicatie in super G3. Communicatie in Super G3 modus is niet altijd mogelijk, afhankelijk van de lijnkwaliteit als het ontvangende apparaat / uw eigen apparaat op het telefoonnet is aangesloten via een privé-telefooncentrale. In deze gevallen wordt u aanbevolen de modus Super G3 uit te schakelen door V. 34 UIT te selecteren.
14 Index
Index 14 14 Index A F Aantal originelen 3-40 Achtergrond verwijderen 7-8 Activiteitenrapport 12-5 ADF 3-6 Adresboek 10-4 Adresinstellingen 3-13 Adresniveau-instelling 10-20 Adressen registreren en wijzigen 11-25 Adrestype 3-14 Afbreken 3-32 Afdrukken tijdens ontvangst 4-8, 8-7 Algemene faxbewerkingen 3-3 Annotatie 7-4 Automatische ontvangst 4-4 Auto-rotatie origineel 3-26 Fax actief scherm 11-17 Fax instellingenlijst 12-39 Fax kan niet worden ontvangen 4-6, 5-4 Fax kan niet worden verzonden 3-27, 5-3
Index 14 L S Lang origineel 7-29 Lijinstellingen selecteren 7-45 Lijsten 12-4 Scan/Faxinstelling 11-15 Scanformaat 7-18 Scaninstellingen 3-3 Scaninstellingen opgeven 3-9 Scherm Beheerderinstelling 11-4 Scherm Gebruikersinstelling 11-3 Scherm TX resultaat rapport controle 3-3 Scherpte 7-10 Sequentieel opvragen gereserveerd RX rapport 12-21 Sequentieel opvragen RX rapport 12-15 Snelkieslijst 12-33 Snelle verzending uit geheugen 3-38 Soorten boxen 2-10 Specificatiebox 2-10 Specificaties 6-3 Standaard scan/
Commentaarformulier voor de lezer Commentaarformulier voor de lezer Vragen Vindt u deze handleiding nauwkeurig? O Ja O Nee Kon u na het lezen van deze handleiding het product bedienen? O Ja O Nee Geeft deze handleiding voldoende achtergrondinformatie? O Ja O Nee Is deze handleiding geschikt wat het formaat, de leesbaarheid en de structuur (layout, volgorde van de hoofdstukken, enzovoort) betreft? O Ja O Nee Kon u de informatie vinden die u nodig had? O Altijd O Meestal O Soms O Nooit Wat hebt u gebruikt om
Commentaarformulier voor de lezer Datum: Dit commentaarformulier is ingevuld door: (Indien u anoniem wenst te blijven, vul dan wel graag uw beroep in.) Naam: Beroep: Bedrijf: Telefoonnummer: Adres: Plaats: Land: Stuur dit formulier op naar: Océ-Technologies B.V. Ter attentie van ITC-gebruikersdocumentatie. Postbus 101 5900 MA Venlo Nederland E-mailadres: itc-userdoc@oce.com Kijk voor adressen van lokale Océ-organisaties op: http://www.oce.
Adressen van Océ-vestigingen Adressen van Océ-vestigingen [80] Océ-Australia Ltd. P.O. Box 363 Ferntree Gully MDC Vic 3165 Australia http://www.oce.com.au/ Océ-Österreich GmbH Postfach 95 1233 Wenen Austria http://www.oce.at/ Océ-Belgium N.V./S.A. J. Bordetlaan 32 1140 Brussel Belgium http://www.oce.be/ Océ-Brasil Comércio e Indústria Ltda. Av. das Nações Unidas, 11.857 Brooklin Novo São Paulo-SP 04578-000 Brasil http://www.oce-brasil.com.br/ Océ-Canada Inc.
Adressen van Océ-vestigingen Océ-Hungaria Kft. 1241 Budapest Pf.: 237 Hungary http://www.oce.hu/ Océ Ireland Ltd. 3006 Lake Drive Citywest Business Campus Saggart Co. Dublin Ireland http://www.oce.ie/ Océ-Italia S.p.A. Strada Padana Superiore 2/B 20063 Cernusco sul Naviglio (MI) Italia http://www.oce.it/ Océ Japan Corporation 3-25-1, Nishi Shinbashi Minato-Ku Tokio 105-0003 Japan http://www.ocejapan.co.jp/ Océ-Belgium S.A. Rue Astrid 2/A 1143 Luxembourg-Belair http://www.oce.lu/ Océ Malaysia Sdn. Bhd.
Adressen van Océ-vestigingen Océ España SA Business Park Mas Blau Osona, 2 08820 El Prat de Llobregat Barcelona Spain http://www.oce.es/ Océ-Svenska AB Sollentunavägen 84 191 27 Sollentuna Sweden http://www.oce.se/ Océ-Schweiz AG Sägereistrasse 10 CH8152 Glattbrugg Schweiz http://www.oce.ch/ Océ (Thailand) Ltd. B.B. Building 16/Floor 54 Asoke Road Sukhumvit 21 Bangkok 10110 Thailand Océ-Nederland B.V. Postbus 800 5201 AV 's-Hertogenbosch The Netherlands http://www.oce.