Operation Manual

CS250/CS240/CS231 7-17
Faxbewerkingen (optioneel)
7
3 Druk op [Naam] of [Adres].
Voer de naam of het faxnummer in via het toetsenbord op het scherm en druk op [OK].
De knop voor het gewenste adres wordt weergegeven.
Opgeven door directe invoer
Adressen kunnen direct worden ingevoerd, ook als het adres niet in het adresboek is geregistreerd.
2
Opmerking
Als [Handmatige adresinvoer] niet is toegestaan, wordt het tabblad [Directe invoer] niet weergegeven.
% Voer het faxnummer van de ontvanger in.
Voer het faxnummer van de ontvanger in via het toetsenbord.
De ingevoerde nummers worden gewist door op de toets [C] (wissen) te drukken.
Om een geregistreerde adresboekbestemming op te roepen, drukt u op [Geregistreerd nr. invoeren].
Voer het registratienummer in voor een adresboekbestemming en druk vervolgens op [Toepassen].
Speciale kiessymbolen, zoals toon, pauze, -, enz., kunnen waar nodig worden ingevoerd.
[Toon]: Indien pulssignalen worden gebruikt, drukt u op deze toets om een toetstoon te verzenden.
Toon wordt gebruikt bij gebruik van faxgegevensdiensten, enz. "T" verschijnt op het scherm.
[Pauze]: Druk op deze toets om een pauze in het kiesnummer in te voeren. Druk eenmaal op [Pauze]
om een pauze van 1 seconde in te voeren; u kunt meerdere pauzes invoeren. "P" verschijnt op het
scherm.
[-]: Wordt ingevoerd als een scheidingsteken in het kiesnummer. Dit teken heeft verder geen invloed
op het kiezen zelf. "-" verschijnt op het scherm.
Een faxnummer kan ook worden ingevoerd met de cijfertoetsen op het scherm die verschijnen
nadat u op [Directe invoer] en vervolgens op [Fax] hebt gedrukt.
Als het toetsenbord wordt gebruikt, kan het faxnummer rechtstreeks worden ingevoerd, ook als het
tabblad [Adresboek] of het tabblad [Opdr. historie] wordt weergegeven.
Bij gebruik van een kieslijn (puls), kan worden omgeschakeld in toonsignalen door op [*] te drukken.
Het adres is opgegeven.