Operation Manual
CS250/CS240/CS231 7-5
Faxbewerkingen (optioneel)
7
6 Geef het faxnummer van de ontvanger op.
– Zie "Slechts één adres opgeven" op pagina 7-14 en "Meerdere adressen opgeven (sequentiële
verzending of broadcast-verzending)" op pagina 7-19 voor de procedures voor het invoeren van
een faxnummer.
– Voor het opgeven van het adres kan een van de volgende methoden worden gebruikt:
Van geregistreerde adressen
Directe invoer
Groepsbestemmingen
Programma-adres
– Als u een geselecteerd adres wilt annuleren, selecteert u het betreffende adres opnieuw.
– De ingevoerde nummers en geselecteerde instellingen worden gewist door op de toets [Reset] te
drukken.
– Als [Handmatige adresinvoer] niet is toegestaan, wordt het tabblad [Directe invoer] niet
weergegeven.
– De faxnummers van ontvangers kunnen eenvoudiger worden opgegeven door de nummers in het
Adresboek, Groepsbestemmingen of Programma-adressen te registreren.
De ingevoerde adressen worden weergegeven in het vak Adressenlijst uitzending, links in het scherm.
7 Druk op de toets [Start].
– Als het scherm TX resultaat rapport controle is ingesteld om te worden weergegeven, verschijnt het
volgende scherm. Het TX rapport wordt afgedrukt door op [Ja] te drukken.
– Wanneer de Bestem. controle weergavefunctie is ingesteld, wordt het scherm Controleer adres
weergegeven. Controleer of het adres juist is en druk dan op [Zend].
– Druk op de toets [Stop] als u de faxverzending wilt afbreken.
– Als de fax niet kon worden verzonden, wordt een TX rapport afgedrukt (als het apparaat is ingesteld
op een TX rapport af te drukken). U kunt instellen dat het scherm Contr. TX result.rapport wordt
weergegeven, zodat u per verzending kunt selecteren of u dit verzendresultatenrapport wilt
afdrukken.
Het scannen van het origineel begint en het origineel wordt verzonden.










