Operation Manual

5
Netwerkscannerbewerkingen
5-80 CS250/CS240/CS231
5 Druk op [Naam] en typ vervolgens de registratienaam met behulp van het toetsenbord dat op het
scherm verschijnt.
Raadpleeg "Tekst invoeren" op pagina 9-3 voor meer informatie over het typen van tekst.
6 Druk op [OK].
7 Druk op [Index] en selecteer vervolgens de indextekens.
8 Druk op [OK].
9 Druk op [Hostadres] en typ vervolgens het IP-adres of de hostnaam.
Om een hostnaam in te voeren, drukt u op [Hostnaam invoer] en typt u vervolgens de hostnaam met
behulp van het toetsenbord dat op het scherm verschijnt.
Om een IP-adres in te voeren, drukt u op [IPv4-adresinvoer] of [IPv6-adresinvoer]. Voer vervolgens
het adres in met de cijfertoetsen of het toetsenbord dat verschijnt. Druk op of om de cursor
naar de gewenste positie te verplaatsen en typ vervolgens de nummers.
Wanneer het invoerformaat wordt geschakeld om een IP-adres in te voeren nadat de hostnaam is
opgegeven, wordt de hostnaam gewist.
Wanneer u op [Hostnaam invoer] drukt nadat het IP-adres is ingevoerd, wordt het ingevoerde
IP-adres opgeslagen en verschijnt het invoerscherm.
Wanneer u op [Hostnaam invoer] drukt, moet u controleren of de DNS-instelling correct is
opgegeven.
10 Druk op [OK].
11 Druk op [Bestandspad] en typ vervolgens het bestandpad met de hulp van het toetsenbord dat
verschijnt.
12 Druk op [OK].
13 Druk op of .
Nieuw scherm 2/2 verschijnt.