Operation Manual
CS250/CS240/CS231 3-79
Afdrukbewerkingen
3
3.23 Een fax verzenden
Faxbewerkingen
2
Let op
Om de faxfunctie te gebruiken, moet u de optionele faxkit op deze machine installeren. Daarnaast moet
u na de installatie, de faxkit inschakelen op het tabblad Configureren.
1 Maak de gegevens die u wilt verzenden met een willekeurige toepassing.
2 Selecteer in het menu [Bestand] de opdracht "Afdrukken".
3 Onder "Printernaam" selecteert u "CS231 FAX"/"CS240 FAX"/"CS250 FAX".
4 Klik op de knop [Voorkeursinstellingen] of de knop [Eigenschappen] om de instellingen van het
faxstuurprogramma, indien nodig, te wijzigen.
– Wanneer u in het dialoogvenster Afdrukken op de knop [Voorkeursinstellingen] of op de knop
[Eigenschappen] klikt, kunt u de instellingen opgeven voor elk model in het dialoogvenster met de
voorkeursinstellingen van de fax voor het afdrukken. Raadpleeg "Het faxstuurprogramma voor
Windows instellen" op pagina 3-86 voor meer informatie.
5 Klik op de knop [Afdrukken].
Het dialoogvenster Pop-up fax-verzending wordt weergegeven.
6 Geef de naam en het faxnummer van de ontvanger op in de tekstvakken "Naam" en "Fax nummer".
7 Klik op de knop [Toevoegen ontvangers].
– Herhaal stappen 6 en 7 om meerdere ontvangers toe te voegen. U kunt tot 100 ontvangers
toevoegen.
– Om een ontvanger uit de lijst te verwijderen, klikt u op de knop [Verwijderen uit lijst].
8 Klik indien nodig op [Details instellingen faxfunctie] om de details op te geven voor de instellingen van
de faxfunctie of schakel het selectievakje "Fax voorblad" in om een faxvoorblad te maken.
– Raadpleeg "De verzendinstellingen opgeven" op pagina 3-82, of "Een faxvoorblad maken" op
pagina 3-83 voor meer informatie.










