Operation Manual

3
Afdrukbewerkingen
3-16 CS250/CS240/CS231
4 Om de breedte van de inbindmarge in te stellen, klikt u op de knop [Instellingen Inbindmarge] en geeft
u vervolgens de gewenste instellingen op in het dialoogvenster Instellingen inbindmarge dat wordt
weergegeven.
Verschuiffunctie: als u een inbindmarge wilt toevoegen, selecteert u de manier waarop de
afbeelding wordt verschoven.
Voorzijde/Achterzijde: stelt de waarden in voor de inbindmarge. Wanneer u het selectievakje
"Dezelfde waarde voor voor- en achterpagina" uitschakelt, kunt u afzonderlijke waarden opgeven
voor de voor- en achterzijde.
Eenheid: selecteert de maateenheid die het formaat definieert.
Afbeeldingen verschuiven
De volledige afdrukafbeelding van een document wordt verplaatst en het document wordt vervolgens
afgedrukt. U kunt deze functie gebruiken wanneer u de afdrukpositie wilt aanpassen.
1 Klik op het tabblad Layout.
2 Schakel het selectievakje "Beeldverschuiving" in.
3 Om de instellingen voor de beeldverschuiving op te geven, klikt u op de knop [Image Shift Settings] en
geeft u vervolgens de gewenste instellingen op in het dialoogvenster Instellingen beeldverschuiving dat
wordt weergegeven.
Eenheid: selecteert de maateenheid die het formaat definieert.
Voorkant/Achterkant: bepaalt de richting van de verschuiving en stelt de waarden in. Wanneer u het
selectievakje "Dezelfde waarde voor voor- en achterpagina" uitschakelt, kunt u afzonderlijke
waarden opgeven voor de voor- en achterzijde.