Operation Manual
CS250/CS240/CS231 3-13
Afdrukbewerkingen
3
Als de gebruikersauthenticatie wordt uitgevoerd met een optionele authenticatie-eenheid, geeft u de
gebruikersnaam en het wachtwoord op in stap 3. Raadpleeg de handleiding van de authenticatie-
eenheid voor meer informatie.
De instellingen voor de afdelingsregistratie opgeven
Als de instellingen werden opgegeven voor de gebruikersregistratie, moet u een afdelingsnaam en een
wachtwoord opgeven.
2
Opmerking
Als een opdracht wordt afgedrukt met een afdelingsnaam of wachtwoord die geen geregistreerde
account op deze machine is of als een opdracht wordt afgedrukt zonder een gebruiker te selecteren
"Afdelingsregistratie", wordt de bewerking niet geverifieerd door deze machine en wordt de opdracht
geannuleerd.
Wanneer de instellingen voor de gebruikersregistratie zijn opgegeven op deze machine, is de functie
voor de beperking van de authenticatiebewerking in modus 2 en worden de authenticatiegegevens niet
correct ingevoerd, wordt de toepasselijke account vergrendeld en is de machine niet toegankelijk.
Als de instellingen voor de gebruikersregistratie niet zijn opgegeven op het tabblad Configureren, kan
de gebruikersregistratie niet worden uitgevoerd. Als u de gebruikersregistratiefunctie gebruikt, moet u
de instellingen op het tabblad Configureren opgeven.
1 Klik op het tabblad Std.
2 Klik op de knop [Authenticatie/Gebr. registratie].
3 Voer de afdelingsnaam en het wachtwoord in.
4 Klik op [OK].
2
Opmerking
Klik op de knop [Control] om met deze machine te communiceren en te controleren of de authenticatie
kan worden uitgevoerd met de gebruiker die werd ingevoerd. U kunt deze functie niet gebruiken als u
niet verbonden bent of niet in staat bent met deze machine te communiceren.
Als het afdrukken niet is toegestaan, kan er niet worden afgedrukt, zelfs niet wanneer de machine door
een geregistreerde account wordt gebruikt. Raadpleeg de machinebeheerder voor details over de
gebruikersregistratiefunctie.










