Operation Manual
3
Afdrukbewerkingen
3-8 CS250/CS240/CS231
Een aangepast formaat opgeven
Wanneer wordt afgedrukt op papier met een aangepast formaat, kunt u een vooraf opgeslagen papierformaat
selecteren of een waarde voor het papierformaat opgeven zoals hieronder beschreven.
1 Selecteer in de vervolgkeuzelijst "Origineel formaat" of "Papierformaat" de optie "Aangepast formaat".
Het dialoogvenster Instellingen aangepast formaat wordt weergegeven.
2 Geef de instellingen op voor het volgende:
– Breedte: definieert de breedte en de lengte voor het aangepaste papierformaat volgens de
geselecteerde maateenheid.
– Lengte: definieert de lengte van het aangepaste papierformaat volgens de geselecteerde
maateenheid.
– Eenheid: selecteert de maateenheid die het formaat definieert.
3 Klik op [OK].
2
Opmerking
Het kan handig zijn wanneer u vaak gebruikte aangepaste formaten toevoegt aan de lijst met
papierformaten. Een aangepast papierformaat toevoegen vanaf het tabblad Instellingen.
CS231: Als u bannerpapier gebruikt, moet u het formaat van het bannerpapier opgeven in Aangepast
formaat.
De papierlade selecteren
U kunt het papier opgeven dat u voor de afdruk wilt gebruiken door de papierlade die het geladen papier
bevat, te selecteren.
1 Klik op het tabblad Std.
2 Selecteer de gewenste papierlade in de vervolgkeuzelijst "Papierlade".
2
Opmerking
Als "Auto" is opgegeven als de papierlade, kunt u de papiersoort selecteren. Als de papierlade-
instelling is gewijzigd naar een andere instelling dan "Auto", wordt de papiersoort vastgelegd op zijn
vooraf opgeslagen instelling. Geef een papiersoort op door te klikken op de knop [Papierinstellingen
voor elke lade]. Raadpleeg "De papiersoort opgeven voor een papierlade" op pagina 3-9 voor meer
informatie.










