Operation Manual
2
Kopieerbewerkingen
2-76 CS250/CS240/CS231
Het scherm Functiecontrole wordt weergegeven.
Er zijn zes schermen Functiecontrole. Het getal rechts van de schermtitel geeft het nummer aan van het
momenteel weergegeven scherm.
Om het vorige scherm weer te geven, drukt u op [ Achter]. Om het volgende scherm weer te geven,
drukt u op [Doorst ].
Als de instelling voor een functie is gewijzigd ten opzichte van de standaardinstelling, verschijnt de knop
voor die functie in een gekleurd kader.
5 Controleer de kopie-instellingen die met het geselecteerde kopieerprogramma zijn geregistreerd.
6 Druk op [Sluit].
Het scherm Roep kopieerprogramma op wordt opnieuw weergegeven.
7 Druk opnieuw op de knop van het kopieerprogramma dat werd geregistreerd met de gewenste kopie-
instellingen om het op te roepen.
– Als u op [OK] drukt terwijl er geen kopieerprogramma is geselecteerd, verschijnt het Basisscherm
opnieuw zonder dat een kopieerprogramma wordt opgeroepen.
8 Druk op [OK].
De geprogrammeerde kopie-instellingen worden opgeroepen en het Basisscherm wordt opnieuw
weergegeven.
9 Druk op de toets [Start].
Het kopiëren wordt gestart met de opgeroepen kopie-instellingen.
2
Opmerking
Om het oproepen van een kopieerprogramma te stoppen, drukt u op de toets [Reset], de toets
[Geheugenfunctie] of op [Annuleren].










