Operation Manual
38CFP800 Installatie- en gebruikershandleiding Version V0102 39CFP800 Installatie- en gebruikershandleiding Version V0102
Rappel >>
Gebruik de
bedieningstoetsen na het naar
rechts kwartdraaien van de
sleutelschakelaar via de
sleutel (indien model zonder
beglaazde deur).
De alarmgevers kunnen
geneutraliseerd worden vóór
het stilleggen van de interne
buzzer (indien gewenst !).
Het stilleggen van de buzzer
Druk op de
3
toets. De buzzertoon wordt nu een intermitte-
rende bip. De alarmsirenes blijven operationeel tot ze door iemand
stilgelegd worden (zie hieronder).
Het stilleggen van de alarmgevers
Druk op de
2
toets. De alarmgevers worden stilgelegd. De
buzzer blijft in een pulserende mode tot hij stilgelegd wordt (zie
hierboven).
De algemene BRAND en de zonale LEDs blijven branden tot het
systeem wordt gereset. Indien er een alarm zich in een andere
zone voordoet, worden de alarmgevers opnieuw geactiveerd en
kunnen met dezelfde procedure stilgezet worden.
Om de alarmgevers manueel te activeren, Druk op de
1
toets.
Het resetten van het systeem
Probeer niet de centrale te resetten zolang de oorzaak van het
alarm niet rechtgetrokken is.
Het is niet mogelijk om de centrale te resetten vóórdat de
'Stilleggen'-toets ingedrukt werd.
Om de centrale te resetten, druk op de
4
toets.
Als de oorzaak van het alarm steeds aanwezig is, zal de centrale
zich opnieuw activeren samen met de alarmgevers.
Evacuatie
Om de alarmgevers te laten werken onafhankelijk van een door
de centrale waargenomen alarmreden, druk op de
1
toets.
Om de alarmgevers na het gebruiken van de Evacuatie-toets stil
te leggen, druk ofwel op de 'Stilleggen' toets of de 'Reset'-toets.
Nota : De buzzer wordt niet geactiveerd bij een Evacuatie-
toestand.
6 Werking van de Centrale
6.1 Normale Toestand
In de normale werkingsmode, licht de groene VOEDING OK LED
op. Het oplichten van om het even welk andere LED en een
geactiveerde buzzersignaal meldt een abnormale toestand.
Externe circuits zijn continu overwaakt voor alarm- en
storingstoestanden. In deze situatie beantwoordt de centrale
onmiddelijk bij elke toestandsverandering van het systeem.
Indien de centrale voor dag/nacht werking geconfigureerd is (zie
pagina 41), is de TX GEISOLEERD LED geactiveerd. De LED
pulseert in Nacht mode.
6.2 Brandalarm
Activering
Een brandalarm is geactiveerd bij volgende situaties :
o Activering van een automatische detector
o Activering van een handbrandmelder
o Activering van een nevenelement, geconfigureerd
voor brandalarm zoals b.v. een sprinkler flow switch.
Bij het ontvangen van een alarmsignaal, branden de Algemene
BRAND LEDs en de desbetreffende zonale BRAND LED samen
met de pulserende buzzer. Indien de centrale geprogrammeerd
is voor het doormelden van een signaal naar de brandweer b.v.,
licht eveneens de MELDING VERZONDEN LED.
De alarmsirenes treden allemaal en onmiddelijk in continue
werking. Dit geldt voor de standaardinstelling. De werkingsmode
kan eventueel via het PC Configuratie programma aangepast
worden.
Nevenuitgangen worden als volgt geactiveerd :
o Transmitter (24V - overwaakt)
o Algemene Brand 0V
o Algemene Brand VFCO relais
o Zone 1 en 2 0V uitgangen indien zones 1 of 2
geactiveerd zijn
o Uitgangen op uitbreidingskaarten (hangt af van de
configuratie).
Standaard ingesteld is de
'Melding Verzonden' LED bij
elke Brandalarm opgelicht om
zo de werking van de trans-
mitter-uitgang aan te duiden.
Dit is onafhankelijk van een al
dan niet aangesloten
afstandsver-binding.
De LED kan geprogrammeerd
worden vanop afstand (via het
PC configuratieprogramma)
door gebruik te maken van
één van de twee
neveningangen.
Indien ingang 2 (class change)
actief is, treden de sirenes in
werking maar geen enkel
indicatie is dan zichtbaar. Het
desactiveren van de ingang,
legt de sirenes stil zonder de
centrale te moeten resetten.










