Operation Manual

Camera
29
De symbolen voor
het
apparaatgeheuge
n ( ) en de
geheugenkaart
( ) (1) geven
aan waar
afbeeldingen
worden
opgeslagen.
Het afbeeldingssymbool (2) geeft aan hoeveel
afbeeldingen er nog, afhankelijk van de geselecteerde
beeldkwaliteit, in het resterende geheugen van het
apparaat of op de geheugenkaart passen (indien
beschikbaar).
Het zoomsymbool (3) geeft de zoomfactor aan. Ga
omhoog of omlaag met de bladertoets of gebruik de
volumetoetsen op de zijkant van de telefoon om in- en
uit te zoomen.
Het flitssymbool (4) geeft aan of de flits is ingesteld op
Aan () of Uit ().
Het reeksmodussymbool (5) geeft aan dat de
reeksmodus actief is. Zie ‘Belichtingsmodi’ op pag. 30.
Het nachtmodussymbool (6) geeft aan dat de camera is
ingesteld voor het maken van foto’s bij weinig licht.
Het witbalanssymbool (7) geeft aan welke instellingen
voor witbalans zijn geselecteerd. Zie ‘Kleur en
belichting aanpassen’ op pag. 31.
Het kleurtoonsymbool (8) geeft aan welke kleurtoon is
geselecteerd. Zie ‘Kleur en belichting aanpassen’ op
pag. 31.
Het zelfontspannersymbool (9) geeft aan dat de
zelfontspanner is ingeschakeld. Zie ‘Zelf op de foto -
zelfontspanner’ op pag. 30.
Houd rekening met het volgende wanneer u een foto
neemt:
Gebruik beide handen om de camera stil te houden.
De kwaliteit van een ingezoomde foto is lager dan die
van een niet-ingezoomde foto.
Als u een poosje niet op een toets drukt, wordt de
batterijspaarstand geactiveerd. Druk op de bladertoets
om verder te gaan met het maken van foto's.
Schakel de tweede camera in als u bijvoorbeeld uzelf wilt
fotograferen, door het scherm naar de modus
Opengevouwen of Weergave te draaien en Opties >
Tweede camera gebruiken te selecteren.
Als u de foto niet wilt bewaren, drukt u op of
selecteert u Opties > Verwijderen.
Als u de foto wilt verzenden Via multimedia, Via e-mail,
Via Bluetooth of Via infrarood, drukt u op of
selecteert u Opties > Zenden. Zie ‘Berichten’ op pag. 50
en ‘Bluetooth-connectiviteit’ op pag. 96 voor meer
informatie.