Operation Manual

Camera
24
Copyright © 2006 Nokia. All rights reserved.
bladertoets. Beweeg het apparaat niet totdat de foto is
opgeslagen.
Als u de instellingen voor belichting en kleur wilt wijzigen
voordat u een foto maakt, kiest u Opties >
Afbeeldingsinstellingen. Zie ‘Beeldinstellingen: kleur en
belichting’ op pag. 26.
Het opslaan van een vastgelegde afbeelding kan langer
duren als u de instellingen voor zoomen, belichting of
kleur hebt gewijzigd.
Als u een opnamemodus wilt selecteren, kiest u Opties >
Afbeeldingsinstellingen > Modus. Zie ‘Opnamemodi’ op
pag. 27.
Symbolen voor de camera:
De symbolen voor het apparaatgeheugen ( ) en de
geheugenkaart ( ) (1) geven aan waar afbeeldingen
worden opgeslagen.
Het afbeeldingssymbool (2) geeft aan hoeveel
afbeeldingen, afhankelijk van de geselecteerde
beeldkwaliteit, er in het resterende geheugen van het
apparaat of op de geheugenkaart passen (als deze is
geplaatst).
Het symbool voor de opnamemodus (3) geeft de
actieve opnamemodus aan.
Het flitssymbool (4)
geeft aan of de flits is
ingesteld op
Automatisch (),
Rode ogen (),
Aan () of Uit ().
Het beeldresolutie-
symbool (5) geeft de
kwaliteit van de foto
aan.
Het reeksmodussymbool (6) geeft aan dat de
reeksmodus actief is. Zie ‘Foto's nemen in een reeks’ op
pag. 25.
Het symbool voor de zelfontspanner (7) geeft aan dat
de zelfontspanner actief is. Zie ‘Foto's maken met de
zelfontspanner’ op pag. 25.
Sneltoetsen:
Blader omhoog of omlaag om in of uit te zoomen. Het
zoomsymbool, dat aan de zijkant wordt weergegeven,
geeft het zoomniveau aan.
Blader naar links als u Afbeeldingsinstellingen wilt
opgeven. Zie ‘Beeldinstellingen: kleur en belichting’ op
pag. 26.