Operation Manual
Camera
21
Copyright © 2006 Nokia. All rights reserved.
3 Druk op de opnametoets van de hoofdcamera om een
foto te nemen. Houd het apparaat stil totdat de foto
wordt opgeslagen.
Gebruik de zoomtoets aan de zijkant van het apparaat om
in of uit te zoomen.
Als u de instellingen voor belichting en kleur wilt wijzigen
voordat u een foto neemt, gebruikt u de bladertoets om in
de actieve werkbalk te bladeren. Zie “Beeldinstellingen -
Kleur en belichting aanpassen” op pag. 24.
Het opslaan van een vastgelegde afbeelding kan langer
duren als u de instellingen voor zoomen, belichting of
kleur hebt gewijzigd.
Als u geheugen wilt vrijmaken voordat u een foto
neemt, kiest u Opties > Ga naar beschikb. geh. (alleen
beschikbaar als u een back-up van uw afbeeldingen of
videoclips hebt gemaakt). Zie “Vrij geheugen” op pag. 32.
Kies Opties > Tweede camera gebr. als u de camera aan
de voorkant wilt gebruiken.
Sluit het toetsenbord om de hoofdcamera te sluiten.
Symbolen van de fotocamera
In de camerazoeker wordt het volgende weergegeven:
• Het symbool voor de huidige opnamemodus (1).
• De actieve werkbalk (2), waarin u kunt bladeren
voordat u de foto neemt om de zelfontspanner of
reeksmodus te activeren of om de opnamemodus,
scène, flitsmodus, witbalans, belichtingscompensatie,
kleurtoon en lichtgevoeligheid te selecteren. (De
actieve werkbalk wordt niet weergegeven tijdens het
scherpstellen en het nemen van foto's.) Zie “Actieve
werkbalk” op pag. 22.
•Het
beeldresolutie-
symbool (3)
geeft de
kwaliteit van
de foto aan:
Afdrukken
3M – Groot
(resolutie van
2048 x 1536),
Afdrukken 2M – Normaal (resolutie van 1600 x
1200), Afdrukken/e-mail 0,8M – Klein (resolutie van
1280 x 960) of MMS 0,3M (resolutie van 640 x 480).
• De afbeeldingsteller (4) geeft aan hoeveel foto's u
ongeveer kunt nemen met de gebruikte beeldkwaliteit
en geheugenruimte (de teller wordt tijdens focus en de
opname niet weergegeven).
• De symbolen voor het apparaatgeheugen ( ) en de
geheugenkaart ( ) (5) geven aan waar foto's worden
opgeslagen.










