Operation Manual
Opties > Toegangspt dupliceren om het
toegangspunt te gebruiken als basis voor het nieuwe
toegangspunt.
3. Definieer de volgende instellingen:
• Naam verbinding — Voer een omschrijvende
naam in voor de verbinding.
• Drager gegevens — Selecteer Packet-gegevens.
• Naam toegangspunt — Voer een naam voor het
toegangspunt in. Deze naam wordt meestal
verstrekt door uw serviceprovider.
• Gebruikersnaam — Voer uw gebruikersnaam in
als de serviceprovider dit vereist. Gebruikersnamen
zijn gewoonlijk hoofdlettergevoelig en worden
verstrekt door de serviceprovider.
• Vraag om wachtw. — Selecteer Ja om uw
wachtwoord in te voeren telkens wanneer u zich bij
een server aanmeldt, of selecteer Nee om het
wachtwoord op te slaan in het geheugen van uw
apparaat en de aanmelding te automatiseren.
• Wachtwoord — Voer uw wachtwoord in als de
serviceprovider dit vereist. Het wachtwoord is
gewoonlijk hoofdlettergevoelig en word verstrekt
door de serviceprovider.
• Verificatie — Selecteer Beveiligd om uw
wachtwoord altijd gecodeerd te verzenden, of
selecteer Normaal om uw wachtwoord gecodeerd
te verzenden indien dit mogelijk is.
• Homepage — Geef het webadres op van de pagina
die u als startpagina op het scherm wilt weergeven
wanneer u dit toegangspunt gebruikt.
4. Nadat u de instellingen hebt gedefinieerd, selecteert u
Opties > Geavanc. instell. om de geavanceerde
instellingen te definiëren of Terug om de instellingen
op te slaan en af te sluiten.
Geavanceerde instellingen
voor internettoegangspunten
voor packet-gegevens (GPRS)
Selecteer Menu > Instrumenten > Instell. >
Verbinding > Toegangspunten.
Nadat u de basisinstellingen voor het
internettoegangspunt voor packet-gegevens (GPRS) hebt
gedefinieerd, selecteert u Opties > Geavanc. instell. en
definieert u de volgende geavanceerde instellingen:
• Netwerktype — Selecteer IPv4 of IPv6 als het type
internetprotocol. Het internetprotocol definieert hoe
gegevens naar en van het apparaat worden
overgebracht.
• IP-adres telefoon — Voer het IP-adres van het
apparaat in. Selecteer Automatisch om het IP-adres
van het apparaat te ontvangen van de
netwerkoperator. Deze instelling wordt alleen
weergegeven als u Netwerktype > IPv4 selecteert.
• DNS-adres — Selecteer Primair DNS-adres en
Secundair DNS-adres en voer hun IP-adressen in, als
de serviceprovider dit vereist. Als u dit niet doet,
worden de adressen van de naamservers automatisch
ingesteld.
• Proxyserveradres — Het adres van de proxyserver
invoeren. Proxyservers zijn tussenliggende servers die
door sommige serviceproviders worden gebruikt
tussen een browserdienst en de gebruikers daarvan.
Sommige serviceproviders gebruiken dergelijke
servers om extra veiligheid en een snellere toegang tot
de dienst te kunnen bieden.
110










