Operation Manual

Copyright © 2002 Nokia. All rights reserved.
Connectiviteit
128
Uitleg: Paring
impliceert verificatie. De
gebruikers van de
Bluetooth-apparaten
spreken een wachtwoord
af en gebruiken dat om
hun apparaten aan elkaar
te koppelen. Bij apparaten
zonder
gebruikersinterface wordt
het wachtwoord gebruikt
dat in de fabriek is
ingesteld.
5 Paring (tenzij vereist voor een ander apparaat, zie stap 6
)
Als paring met het andere apparaat vereist is, hoort u een geluidssignaal en moet u
het wachtwoord opgeven.
Stel uw wachtwoord in (1-16 tekens lang, numeriek) en spreek met de eigenaar van
het andere Bluetooth-apparaat af dat wachtwoord te gebruiken. U hoeft dit
wachtwoord maar één keer op te geven. U hoeft het niet te onthouden.
Vervolgens wordt het apparaat opgeslagen in de weergave Gepaarde apparaten.
6 Als de verbinding tot stand is gebracht, verschijnt het bericht Gegevens worden
verzonden.
Opmerking: Gegevens die via Bluetooth worden ontvangen, worden opgeslagen in
de map Inbox in Berichten. Zie pag. 75
voor meer informatie.
Opmerking: Als er geen gegevens kunnen worden verstuurd, wordt het bericht (de
gegevens) verwijderd. In de map Ontwerpen in Berichten worden geen berichten
bewaard die via Bluetooth zijn verstuurd.
De status van de Bluetooth-verbinding controleren
Als verschijnt in de standby-modus, is Bluetooth actief.
Als knippert, wordt geprobeerd verbinding te maken met het andere apparaat.
Als continu wordt weergegeven, is de Bluetooth-verbinding actief.
De weergave Gepaarde apparaten
Het paren van apparaten vergemakkelijkt het vinden van apparaten. Gepaarde apparaten
zijn makkelijk te herkennen aan het symbool in de lijst met zoekresultaten. Beweeg in
de beginweergave van Bluetooth de navigatietoets naar rechts om een lijst met gepaarde
apparaten ( ) weer te geven.