Operation Manual
87Copyright © 2005 Nokia. All rights reserved.
• Selecteer Alias toegangspunt. Toets de gewenste naam voor het
geactiveerde toegangspunt in en druk op OK.
• Selecteer GPRS–toegangspunt. Toets de naam van het toegangspunt in om
een verbinding met een (E)GPRS–netwerk tot stand te brengen en druk op
OK. Neem contact op met de netwerkexploitant of serviceprovider voor de
naam van het toegangspunt.
U kunt de (E)GPRS–dienstinstellingen (naam van toegangspunt) ook configureren
op de pc met behulp van de software Nokia Modem Options. Zie PC Suite op
pagina 128. Als u de instellingen op zowel de pc als de telefoon hebt
geconfigureerd, worden de instellingen van de pc gebruikt.
Oproepinstellingen
Druk op Menu en selecteer achtereenvolgens Instellingen en Oproepinstellingen.
Selecteer
• Doorschakelen (netwerkdienst). Met de functie Doorschakelen kunt u de
inkomende oproepen doorschakelen naar een ander nummer, bijvoorbeeld het
nummer van uw voicemailbox. Neem contact op met de serviceprovider voor
meer informatie. Doorschakelopties die niet door de SIM–kaart of
netwerkoperator worden ondersteund, worden mogelijk niet weergegeven.
Selecteer de gewenste doorschakeloptie. Selecteer bijvoorbeeld Doorschakelen
indien in gesprek om oproepen door te schakelen wanneer uw nummer in
gesprek is of wanneer u een inkomende oproep weigert.
Selecteer Activeren om de doorschakeloptie in te schakelen. Selecteer
vervolgens de timeout voor het doorschakelen van de oproep, als deze










