Operation Manual
15Copyright © 2004 Nokia. All rights reserved.
Algemene informatie
■ Toegangscodes
• Beveiligingscode (5 tot 10 cijfers): de beveiligingscode beveiligt de telefoon
tegen onbevoegd gebruik. De code is standaard ingesteld op 12345. Wijzig de
code en houd de nieuwe code geheim. Bewaar de code op een veilige plaats uit
de buurt van de telefoon. U kunt de telefoon instellen op het vragen naar de
code (zie Beveiligingsinstellingen op pagina 102).
Als u vijfmaal na elkaar een onjuiste beveiligingscode invoert, reageert de
telefoon niet meer op de codes die u invoert. Wacht 5 minuten en toets de
code opnieuw in.
• PIN-code en PIN2-code (4 tot 8 cijfers): de PIN-code (Personal Identification
Number) beveiligt de SIM-kaart tegen onbevoegd gebruik. De PIN-code wordt
gewoonlijk bij de SIM-kaart geleverd. U kunt de telefoon instellen om telkens
wanneer deze wordt ingeschakeld naar de PIN-code te vragen (zie
Beveiligingsinstellingen op pagina 102).
Voor bepaalde functies hebt u de PIN2-code nodig die bij sommige
SIM-kaarten wordt geleverd.
• Module-PIN en ondertekenings-PIN: de module-PIN is vereist voor toegang
tot informatie in de beveiligingsmodule. Zie Beveiligingsmodule op
pagina 144.
De ondertekenings-PIN is nodig voor de digitale handtekening. Zie Digitale
handtekening op pagina 146. De module-PIN en de ondertekenings-PIN










