Operation Manual
155
Flitsfotografie
Behalve DDL zijn andere flitsstanden beschikbaar, zoals automatische niet-
DDL-flits en handmatige flits. De beschikbaarheid van flitsstanden is
afhankelijk van het flitsertype dat wordt gebruikt. Zie de instructiehandleiding
van de flitser voor meer informatie.
• Flitsen met automatisch diafragma (AA)
De ingebouwde sensor van de flitser meet de flitsverlichting die van het onderwerp
wordt gereflecteerd en regelt de flitsopbrengst in combinatie met gegevens die automa-
tisch
van de camera en het objectief naar de flitser worden overgebracht, inclusief ISO-
gevoeligheid en belichtingscorrectiewaarden, objectiefdiafragma en brandpuntsafstand.
• Voor de SB-80DX of SB-28DX stelt u Custom Setting (persoonlijke instelling) “e3:
AA flash mode“ (AA flitsstand) op “On“ (aan) (x 105). Voor de SB-800 vervangt
de instelling van de flitser de Custom Setting (persoonlijke instelling).
• Automatische niet-DDL flits (A)
De ingebouwde sensor van de flitser meet de flitsverlichting die van het onderwerp wordt
gereflecteerd, waardoor automatisch de lichtuitvoer wordt geregeld om een juiste
belichting te verkrijgen. Op deze manier zorgt u eenvoudig voor de belichtingscorrectie
(x 74) door het diafragma te variëren dat is ingesteld op de camera of het objectief.
• Voor de SB-80DX of SB-28DX stelt u Custom Setting (persoonlijke instelling) “e3:
AA flash mode“ (AA flitsstand) op “Off“ (uit) (x 105). Voor de SB-800 vervangt de
instelling van de flitser de Custom Setting (persoonlijke instelling).
• Het diafragma moet handmatig op de flitser worden ingesteld.
• Handmatige afstandsvoorkeuze flits (GN)
Bij deze flitsbewerking regelt de flitser de lichtuitvoer automatisch op basis van de
opnameafstand, diafragmawaarde en ISO-gevoeligheid. Voer de opnameafstand in
waarna u foto’s met dezelfde belichting kunt maken, zelfs wanneer u deze met
verschillende diafragma’s maakt.
• Handmatig flitsen (M)
Bij fotografie met handmatig flitsen selecteert u het diafragma en het flitsopbrengst-
niveau.
Hierdoor kunt u de belichting en het flitsbereik regelen wanneer u foto’s
maakt van onderwerpen waarbij de correcte belichting moeilijk te verkrijgen is in de
flitsstand DDL of niet-DDL automatisch. Het flitsopbrengstniveau kan worden ingesteld
van M1/1 (volledige uitvoer) tot en met M1/128 om aan uw creatieve voorkeuren te
voldoen. (Het bruikbare flitsopbrengstniveau hangt af van de flitser.)
• Stroboscopisch flitsen (RPT)
Bij stroboscopisch flitsen wordt de flitser tijdens een enkele opname herhaaldelijk
gebruikt, waarbij stroboscopische meervoudige belichtingseffecten ontstaan.
Deze functie is handig bij het opnemen van snelbewegende onderwerpen.
• Stel de flitsopbrengst, de frequentie (Hz) en het aantal herhalende flitsen per beeld
handmatig in.
Niet-DDL-flitsstanden
P930_Nederlands_129-192 05.10.25 9:04 PM Page 155










