Operation Manual

283
U
Verfijn de scherpstelling voor maximaal 12 objectieftypen. AF-
fijnafstelling wordt in de meeste situaties afgeraden en kan hinderen
bij normale scherpstelling. Gebruik dit alleen indien noodzakelijk.
AF-fijnafstelling
G-knop B instellingenmenu
Optie Beschrijving
AF-fijnafstelling
(Aan/Uit)
Aan: schakel AF-fijnafstelling in.
Uit: schakel AF-fijnafstelling uit.
Opgeslagen
waarde
Stel AF af voor het huidige
objectief (enkel CPU-
objectieven). Druk op 1 of 3
om een waarde te kiezen
tussen +20 en –20. Waarden
voor maximaal 12
objectieftypes kunnen
worden opgeslagen. Er kan
voor elk type objectief slechts
één waarde worden
opgeslagen.
Standaard
Kies de waarde voor AF-
fijnafstelling die wordt
gebruikt als er geen eerdere
opgeslagen waarde bestaat
voor het huidige objectief
(alleen CPU-objectieven).
Opgeslagen
waarden tonen
Geef de eerder opgeslagen waarden voor AF-fijnafstelling
weer. Om een objectief uit de lijst te wissen, markeert u het
gewenste objectief en druk op O. Om de identificatie van
een objectief te wijzigen (om bijvoorbeeld een identificatie
te kiezen die gelijk is aan de twee laatste cijfers van het
serienummer van het objectief om het te onderscheiden
van andere objectieven van hetzelfde type, aangezien
Opgeslagen waarde slechts met één objectief van elk type
kan worden gebruikt), markeert u het gewenste objectief en
drukt u op 2.
Het rechts getoonde menu wordt
weergegeven; druk op 1 of 3 om
een identificatie te kiezen en druk
op J om wijzigingen op te slaan
en af te sluiten.
Plaats het
scherpstelpunt
weg van de
camera.
Huidige
waarde
Plaats het
scherpstelpunt
dichter bij de
camera.
Vorige
waarde