Installation Instructions
154
Hoofdstuk 8 Muzikale uitvoeringsdata bewerken
6. Druk op < >< > om de ‘Event’ in te stellen
(het type uitvoeringsdata dat u wilt verwijderen).
fig.08-12_50
Instellingen: ALL, NOTE, PANEL, EXPRESSION,
VOICE, TEMPO
7. Wanneer u klaar bent met het maken van
instellingen drukt u op <Exit>.
8. Druk op de ‘Track’ waarde (de track, waarvan
data gewist wordt).
9. Druk op < >< > om de ‘Track’ te bepalen
(de track waarvan de data gewist wordt).
Als u EXPRESSION, VOICE en TEMPO heeft
geselecteerd als het type opname dat verwijderd wordt,
hoeft u niet de track te bepalen.
Instellingen:ALL, RHYTHM, ACCOMP, BASS, LOWER,
UPPER, SOLO, CONTRL
Als u ‘ALL’ selecteert, wordt de opname gewist van alle
Parts.
10.Wanneer u klaar bent met het maken van
instellingen drukt u op ‘Exit’.
11.Druk op de ‘From’ waarde (de maat waarop het
wissen begint).
12.Druk op < >< > om ‘From’ in te stellen (de
maat waarop het wissen begint).
13.Wanneer u klaar bent met het maken van
instellingen drukt u op <Exit>.
14.Druk op de ‘For’ waarde (het aantal maten
waarvan data gewist wordt).
15.Druk op < >< > om ‘For’ in te stellen (het
aantal maten waarvan data gewist wordt).
Als u tot de laatste maat (staaf) wilt wissen zet u ‘For’ op
‘ALL’.
16.Wanneer u klaar bent met het maken van
instellingen, drukt u op <Exit>.
17.Druk op <Execute>.
Het volgende venster verschijnt:
fig.08-06
Om de bewerking te annuleren drukt u op <Cancel>.
18.Druk op <OK> om de uitvoeringsdata te
verwijderen.
Zodra de uitvoeringsdata verwijderd is, keert u terug
naar het Erase Event scherm.










