Operation Manual
129
Z
De belichtingscorrectie kan worden ingesteld op een waarde tussen –
5 LW (onderbelichting)
en +5 LW (overbelichting) in stappen van
1
/
3 LW.
Kies een positieve waarde om het onderwerp lichter te maken of
een negatieve waarde om het onderwerp donkerder te maken.
Bij andere waarden dan ±0 knippert 0 in het
midden van de elektronische analoge
belichtingsaanduidingen en wordt het
pictogram E weergegeven in het lcd-venster
en in de zoeker.
De normale belichting kan worden hersteld
door de belichtingscorrectie in te stellen op
±0.
De belichtingscorrectie wordt niet ongedaan gemaakt wanneer
de camera wordt uitgeschakeld.
A Zie ook
Voor informatie over de beschikbare stapgroottes voor belichtingscorrectie,
zie persoonlijke instelling b3 (Stapgrootte belichtingscorr., p. 292).
Zie
persoonlijke instelling b4 (Eenv. belichtingscorrectie, p. 293) voor informatie
over het aanpassen van de belichtingscorrectie zonder op de knop E te
drukken.
–1 LW Geen
belichtingscorrectie
+1 LW










