Operation Manual

Naslaginformatie: De standen P, S, A en M/Belichting 45
Belichting
Lichtmeting
De lichtmeetmethode bepaalt hoe de camera de belichting instelt. De volgende opties zijn beschik-
baar wanneer u de keuzeknop op P, S, A of M zet (in andere standen wordt matrixmeting gebruikt):
Gebruikte bedieningsknoppen
Lichtmeting
Lichtmeting is alleen beschikbaar met CPU-objectieven. Bij matrixmeting wordt de belichting ingesteld met een
RGB-sensor met 420 segmenten. Gebruik een G-type of D-type objectief voor resultaten waarbij ook rekening
wordt gehouden met de afstand (3D-kleurenmatrixmeting II; 97). Bij andere CPU-objectieven wordt 3D-afstands-
informatie niet meegenomen (kleurenmatrixmeting II).
CPU-objectieven kunt u herkennen aan de aanwezigheid van CPU-contacten; G-type en D-type objectieven her-
kent u aan een letter op de objectiefvatting. Type G objectieven zijn niet uitgerust met een diafragmaring.
CPU-objectief G-type objectief D-type objectief
5—Lichtmeting ( 75)
De lichtmeetmethode kan ook worden geselecteerd in het menu Persoonlijke instellingen.
Methode Beschrijving
Matrixmeting
Aanbevolen voor de meeste situaties. De camera meet een groot deel van het beeld
en stelt de belichting direct in op basis van helderheidsverdeling, kleur, afstand en
compositie, voor een zo natuurlijk mogelijk resultaat.
Centrumgericht
De camera meet het hele beeld maar kent extra gewicht toe aan het centrum. Klas-
sieke meetmethode voor portretten.
Spotmeting
De camera meet de belichting alleen in het actieve scherpstelveld (als Dichtstbz.
onderw. is geselecteerd voor AF-veldstand ( 24), meet de camera het centrale
scherpstelveld). Het onderwerp wordt correct belicht, ook als de achtergrond veel
lichter of donkerder is.