Operation Manual
129
Z
De belichtingscorrectie kan worden ingesteld op een waarde
tussen –5 LW (onderbelichting)
en +5 LW (overbelichting) in
stappen van
1
/3 LW.
Kies een positieve waarde om het onderwerp
lichter te maken of een negatieve waarde om het onderwerp
donkerder te maken.
Bij een andere waarde dan ±0 knippert de 0 in het midden van de
elektronische analoge belichtingsaanduiding en wordt het
pictogram E weergegeven in de zoeker en het bovenste
LCD-venster zodra u de knop E loslaat.
U kunt de huidige waarde
voor belichtingscorrectie controleren in de elektronische analoge
belichtingsaanduiding door op de knop E te drukken.
De normale belichting kan worden hersteld door de
belichtingscorrectie in te stellen op ±0.
De belichtingscorrectie
wordt niet ongedaan gemaakt wanneer de camera wordt
uitgeschakeld.
A Zie ook
Zie persoonlijke instelling b3 ([Stapgrootte +/- correctie], p. 314) voor
meer informatie over het kiezen van de stapgrootte voor
belichtingscorrectie.
Zie persoonlijke instelling b4 ([Eenv.
belichtingscorrectie], p. 315) voor informatie over het aanpassen van de
belichtingscorrectie zonder op de knop E te drukken.
–1 LW Geen
belichtingscorrectie
+1 LW










