Operation Manual
85
Technische opmerkingen
Opslag
Zet de camera uit wanneer u deze niet gebruikt en controleer of het camera-
aan-lampje uitstaat voordat u de camera opbergt. Om schimmel te voorko-
men dient u de camera op te bergen in een droge, goed geventileerde ruimte.
Als u het product gedurende langere tijd niet gebruikt, maak de batterij dan
leeg en verwijder deze uit de camera. Berg de camera op in een plastic tas met
een droogmiddel. Vervang het droogmiddel als dit zijn vochtabsorberende
werking verliest. Berg de camera niet op bij nafta- of kamfermottenballen of
in ruimten:
• die slecht geventileerd zijn of zijn blootgesteld aan een vochtigheid van
meer dan 60%
• waarin de camera zich bij apparatuur bevindt die sterke magnetisch velden
produceert
• die worden blootgesteld aan temperaturen onder –10 °C of boven 50 °C
Haal de camera om schimmel of meeldauw te voorkomen minstens eenmaal
per maand uit de opslag. Zet de camera aan en ontspan de sluiter een aantal
malen voordat u hem weer opbergt.
Batterijen
• Controleer het batterijniveau als u de camera gaat gebruiken en laad de batterij zo no-
dig op ( 8–9). Verwijder de batterij uit de lader zodra deze volledig is geladen. Doet u
dat niet, dan is dit nadelig voor de prestaties van de batterij. Neem zo mogelijk een vol-
ledig opgeladen reservebatterij mee als u foto’s maakt van belangrijke gelegenheden.
•
Gebruik de batterij niet bij een omgevingstemperatuur van minder dan 0
°C of meer
dan 40
°C. Tijdens het opladen moet de temperatuur tussen 5–35
°C liggen. Tijdens het
gebruik kan de batterij heet worden. Laat de batterij afkoelen voordat u deze oplaadt.
Als u deze voorzorgsmaatregelen niet in acht neemt, kan de batterij beschadigd raken,
kunnen de prestaties afnemen of wordt de batterij mogelijk onvoldoende opgeladen.
• Bij koud weer neemt de capaciteit van batterijen gewoonlijk af. Zorg ervoor dat de
batterij volledig is geladen voordat u bij koud weer naar buiten gaat om te fotografe-
ren. Houd reservebatterijen bij de hand op een warme plaats. Een batterij die weer op
temperatuur is gekomen, kan soms een deel van zijn lading terugkrijgen.
• Vuil op de contactpunten kan ertoe leiden dat de camera niet werkt.
• Verwijder de batterij uit de camera of batterijlader als u de batterij niet gebruikt en
plaats het beschermkapje op de contactpunten. Ook als ze uitstaan, onttrekken de ca-
mera en de batterijlader kleine hoeveelheden energie aan de batterij. Als u de batterij
niet verwijdert, kan de batterij zo leeg raken dat deze niet meer kan worden gebruikt.
Als u de camera aan- of uitzet terwijl de batterij leeg is, kan dit de gebruiksduur van
de batterij verkorten. Als u de batterij gedurende langere tijd niet gebruikt, berg deze
dan op een koele (15–25 °C), droge plaats op. Laad de batterij ten minste eenmaal per
jaar op en maak de batterij leeg voordat u deze weer opbergt.
• Vervang de batterij als deze leeg is. Lever gebruikte batterijen in voor hergebruik. Doe
dit in overeenstemming met de plaatselijke voorschriften.










