Operation Manual
6
Inleiding—Kennismaken
Hoe werkt het—Bedieningsorganen en displays
A De monitor
Op de monitor bekijkt u het beeld voordat u een foto maakt. In de opnames-
tand ziet u het beeld dat het objectief van de camera ziet. Op de monitor ziet
u ook welke instellingen actief zijn.
1 Zoomaanduiding ............. 19, 42
2 Opname-aanduiding
1
...... 21, 86
3
Scherpstelaanduiding
2
........... 20
4
Aanduiding batterijcapaciteit
3
... 17
5 Symbool cameratrilling
4
........................... 25–26, 44, 86
6 Symbool“Datum niet ingesteld”
5
............................................. 14
7 Aanduiding zelfontspanner ... 41
8 Resterend aantal opnamen .... 17
9 Flitsstand ......................... 25, 43
10 Scherpstelstand ..................... 40
11 Beeldkwaliteit ........................ 57
12 Beeldgrootte ......................... 57
13 Belichtingscorrectie ............... 63
14 Witbalans .............................. 58
15 Lichtmeetmethode ................ 60
16 Best Shot Selector (BSS) ......... 62
17 Beeldverscherping ................. 64
18 Opnamestand/onderwerpsstand
....................................... 16, 25
19 Continu-opnamestand
6
......... 61
1Verschijnt op dezelfde positie als de scherpstelaan-
duiding.
2Verschijnt alleen wanneer ontspanknop half wordt
ingedrukt.
3Verschijnt alleen wanneer de batterijen bijna leeg
zijn.
FINE
10
10
AUTO
9999
1632
1
8
9101112
4
3
2
5
6
7
17
18
16
19
15
14
13
4Verschijnt alleen bij lange sluitertijden.
5Verschijnt wanneer klok-kalender niet is ingesteld.
6Verschijnt op dezelfde positie als de BSS-aandui-
ding.










