Installatie-instructie Lucht-water split warmtepomp 6 720 810 453 (2014/02) Nefit EnviLine 6 720 648 125-78.
Inhoudsopgave 7.7 7.8 7.9 7.10 7.11 Inhoudsopgave 1 Toelichting bij de symbolen en veiligheidsaanwijzingen . . . . 3 1.1 Uitleg van de symbolen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1.2 Veiligheidsaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 2 Leveringsomvang . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 3 Algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 3.
Toelichting bij de symbolen en veiligheidsaanwijzingen 15 Storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64 15.1 Alarmlog . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64 15.2 Alarmprotocol en Informatieprotocol . . . . . . . . . . . . . . 64 15.3 Voorbeeld voor een alarm: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64 15.4 Geen displayweergave . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65 15.
2 2 Leveringsomvang Leveringsomvang 2 3 4 5 6 7 8 6 720 804 378-01.1I Afb. 1 Leveringsomvang binnenunit [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] Binnenunit Inbouwinstructie, installatie-instructie en bedieningshandleiding Kabeldoorvoer Deeltjesfilter met zeef Tang voor demontage filter Jumper voor 1-fase installatie Aanvoertemperatuursensor Buitentemperatuursensor 6 720 804 378-02.1I Afb.
Algemeen 3 Afb. 3 Leveringsomvang, buitenunit ODU 10 /11/ 12 3 16 B zijn bedoeld voor bivalent bedrijf met een cv-ketel voor bijverwarming. Algemeen De installatie mag alleen door een erkende installateur worden uitgevoerd. De installateur moet de geldende regels en voorschriften en instructies in de installatie- en gebruikershandleiding respecteren. 3.1 Specificaties betreffende warmtepomp De EnviLine lucht/water split warmtepompen bestaan uit een buitenunit en een binnenunit.
3 3.5 Algemeen Opstellingslocatie Er zijn 2 accessoires beschikbaar voor de montage van de buitenunit: • Vloerstaande uitvoering • Wandhangende uitvoering ▶ De buitenunit wordt buiten het huis op een stabiele en vlakke ondergrond opgesteld. Geadviseerd wordt een betonnen fundering. ▶ Let bij de opstelling op de geluidsontwikkeling van de warmtepomp. ▶ De warmtepomp moet vrij staan ( hoofdstuk 4), zodat het luchtvolume ongehinderd door de verdamper kan stromen.
Afmetingen 4 Bij gebruik van de Multi Box HP 10 moet de accessoireprintplaat hierin, in plaats van in de hoofdprintplaat in de binnenunit worden afgesloten. Wij adviseren, alle printplaten, die met de CAN-BUS moeten worden verbonden, als eerste te installeren. Tijdens deze installatie, moet de schakelaar S1 zich in de positie Term bevinden. (pos. AAN). 3.10.1 Instelling van schakelaar S1 Wanneer de schakelaar S1 in de positie AAN staat, is de verbinding afgesloten.
4 Afmetingen 4.1.1 Benodigde minimale afstanden voor de warmtepomp De minimale afstand tussen warmtepomp en wand achter de warmtepomp is 150 mm. 0 33 0 +3 10 De minimale afstand voor de warmtepomp is 500 mm voor ODU 7,5, 10 en ODU 11 resp. 1000 mm voor ODU 12. 50 Minimale afstand 150 mm aan de zijkanten. 1000 1338 ▶ Houd bij de montage van een beschermdak een afstand van 1 m tot de warmtepomp aan, zodat circulatie van koude lucht wordt vermeden. 22 15 0 60 150 15 0 5 0 37 6720648125-07.
Afmetingen 4 4.1.3 Opstellingslocatie De warmtepomp moet op een door de fabrikant aanbevolen vloerbeugel worden opgesteld. WAARSCHUWING: Beknellingsgevaar ▶ De vloerbeugel (accessoire) is gedimensioneerd voor het gewicht van de buitenunit. Het is de verantwoordelijkheid van de installateur om te waarborgen, dat de opstellingsplaats geschikt is voor het totaalgewicht van buitenunit en frame.
4 Afmetingen 4.1.4 Toestelopbouw 1 2 3 4 7 6 5 6720648125-09.2I Afb. 13 Warmtepomp (voorbeeld met ODU 12) [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] Klemmenstrook, voeding en signaalkabels Kabelklemmen Aansluiting leiding vloeibaar koudemiddel Aansluiting leiding gasvormig koudemiddel Afsluiter koudemiddel verbinding Compressor Service-uitgang op afsluiter voor vloeistof (aansluiting voor vacuëmpomp) Aansluiting geldig voor alle type buitenunit.
Afmetingen 4.2 4 Binnenunit 4.3 Monteer de binnenunit conform de inbouwinstructies aan de wand. Bij de installatie, kan de frontplaat van de binnenunit worden weggenomen en in de houders links of rechts, of in het onderste deel van de binnenunit worden ingehangen. Leidingaansluitingen In de binnenunit moeten de volgende aansluitingen worden uitgevoerd: ▶ Installeer de afwaterslang van het overstortventiel onder afschot naar een vorstvrije afvoer. Leidingafmetingen Aanvoer/retour.
5 Voorschriften 120 100 70 6 5 1 2 3 4 40 170 190 6 720 644 816-16.2I 320 6 720 648 131-25.1I Afb. 17 Leidingaansluitingen mono-energetische binnenunit met elektrische bijverwarming 5 Afb.
Installatie 6 Installatie De installatie mag alleen door een erkende installateur worden uitgevoerd. De installateur moet de geldende regels en voorschriften en instructies in de installatie- en gebruikershandleiding respecteren. 6.1 6 6.3 Het deeltjesfilter wordt in de retourleiding naar de binnenunit gemonteerd. Accessoire De afvoerleiding van het overstortventiel van de binnenunit moet in een vorstvrije omgeving naar beneden toe worden aangebracht.
6 Installatie Voor de omgang met koudemiddel R410A benodigde gereedschappen: • Manometerset • Vulslang • Gaslekdetectieapparaat • Draaimomentsleutel • Flare gereedschap • Adapter voor de vacuümpomp • Digitale koudemiddelweegschaal VOORZICHTIG: De buitenunit is voorgevuld met koudemiddel R410A, dat ontsnapt, wanneer de afsluiters te vroeg worden geopend. ▶ Open afsluiters niet, voordat de leidinginstallatie en de vacuümafzuiging zijn afgerond.
Installatie 6 ▶ Tromp de leiding op en sluit deze aan op de gasaansluiting van de binnenunit als bij de vloeistofleiding. ▶ Sluit de vacuümverbinding om de meeteenheid tegen overdruk te beschermen, resp. scheidt de vacuümverbinding via het snelsluitventiel. 6.7.6 Afsluiters openen 1 2 3 6 720 644 816-71.1I Afb. 20 Trek de wartel met twee sleutels aan ▶ Controleer dat de afsluiters voor vloeistof en gas zijn gesloten op de buitenunit ( [5], afb. 13). ▶ Maak de wartels op de buitenunit los.
6 6.8 Installatie Vullen van het cv-systeem ▶ CV-systeem eerst uitspoelen. Wanneer de boiler op het systeem is aangesloten, moet deze met water worden gevuld. ▶ Vul daarna het cv-systeem. 1 2 6.8.1 Vul het cv-systeem met water ▶ Voordruk van het expansievat op de statische hoogte van de cv-installatie instellen. ▶ Radiatorkranen openen. ▶ Vul het systeem tot de gewenste werkdruk. ▶ Ontlucht het cv-systeem door het ontluchtingsventiel te openen ( [1], afb. 23).
Installatie 6 6.8.3 cv-pomp binnenunit (G2) 1 De fabrieksinstelling voor de cv-pomp is "ext.in" (afb. 24). De fabrieksinstelling mag niet met de draaiknop worden veranderd. De pompinstellingen worden via het bedieningspaneel van de binnenunit uitgevoerd. 2 7 3 ext. in min min max max 4 6 720 641 855-33. 1I Afb. 24 cv-pomp, G2 Bij modulerend bedrijf wordt de pompsnelheid door het temperatuurverschil tussen de cv-aanvoer en retour gestuurd.
6 Installatie 6.9.2 Bivalente boiler voor gebruik van zonne-energie Een bivalente boiler voor het gebruik van zonne-energie is als accessoire leverbaar. Handleidingen voor de installatie en het gebruik worden met de boiler meegeleverd. N 2 Y 6 L 3 6.10 3-wegklep (accessoire) Systeemoplossing met een boiler ( hoofdstuk 8.4) vereist een 3-wegklep (E21.Q21). 6 720 617 643-10.2I Afb. 29 6.
Installatie 6 1 0,6 m 1,2 m - 1,5 m 0,3 m 0,3 m 6 720 614 366-34.1I Afb. 30 Aanbevolen montageplaats voor kamertemperatuursensor T5 6.13 Montage van de dauwpuntmelder (accessoire) WAARSCHUWING: Wanneer alleen vloerverwarmingscircuits aanwezig zijn, mogen de vochtsensor en de leiding, waarop deze zich bevindt, niet worden geïsoleerd. OPMERKING: De vochtsensor is uiterst gevoelig. ▶ Ga bij de montage en de isolatie voorzichtig te werk.
7 Elektrische aansluiting geactiveerd" verschijnt in de regeling en de warmtepomp wordt uitgeschakeld. 6.15 Overige aansluitingen 6.15.1 Externe ingangen VOORZICHTIG: De componenten, die op de externe aansluitingen van de warmtepomp worden aangesloten, moeten voor 5 V en 1 mA geschikt zijn. De externe ingangen E21.B11 en E21.B12 kunnen worden gebruikt, om bepaalde functies in de regeling op afstand te bedienen. De functies, die door de externe ingangen worden geactiveerd, worden in hoofdstuk 13.3.
Elektrische aansluiting 7.1 Aansluiting van de warmtepomp GEVAAR: Gevaar door elektrocutie! ▶ SW8 op de printplaat van de buitenunit moet als volgt zijn ingesteld: 3 = AAN, 2 = UIT, 1 = UIT ( afb. 33) VOORZICHTIG: Schade door elektrostatische ontladingen. ▶ Printplaat alleen aanraken wanneer u een geaarde armband draagt. 7 Tussen de binnenunit in huis en de buitenunit wordt een signaalkabel met de minimale afmetingen 2 x 0,3 mm2 en een maximale lengte van 70 m geïnstalleerd.
7 Elektrische aansluiting 7.1.1 Instelling DIP-switch SW8 De DIP-switch SW8-3 op de printplaat van de buitenunit moet altijd in positie AAN staan, omdat de aansluiting S1 niet voor de voeding van de PAC-printplaat wordt gebruikt. SW8-3 moet conform afb. 33 zijn ingesteld. 1 3 2 1 6 720 810 449-11.1I Afb. 35 Plaatsen van jumpers bij 1-fase aansluiting 2 3 6 720 644 816-05.1I Afb. 33 Aansluitidentificaties buitenunit [1] [2] [3] [1] [2] [3] Verwarmingskabel Stroomvoorziening Signaalkabel 7.1.
Elektrische aansluiting 7 1 1 2 2 6 720 644 816-63.1I 6 720 648 125-39.1I Afb. 37 Aansluitklem J4 [1] [2] Binnenkomend alarmsignaal, 2e warmtebron Startsignaal, 2e warmtebron Let erop, dat het mengventiel niet direct na het activeren van de externe bijverwarming wordt geopend omdat anders afkoeling van het cv-systeem kan optreden. De vertraging kan in het installatiemenu ( hoofdstuk 13.3.4) worden ingesteld. Het kan gebeuren, dat de externe bijverwarming meerdere keren start en stopt.
7 7.5 Elektrische aansluiting Layout in schakelkast, binnenunit en 2e warmtebron 1 2 3 4 6 720 648 125-16.1I Afb.
Elektrische aansluiting 7.6 7 DIP-switch instellingen, binnenunit en 2e warmtebron 1 7 2 3 GND +12V GND +12V CANH CANL 6 CANH CANL 5 4 6 720 648 125-22.3I Afb.
7 7.7 Elektrische aansluiting Voedingsspanning, binnenunit en 2e warmtebron 4 1 2 3 6 720 648 125-23.1I Afb.
Elektrische aansluiting 7.8 7 Aansluitschema, binnenunit met 2e warmtebron 6 1 2 5 4 3 6 720 648 125-25.2I Afb. 42 Aansluitschema, binnenunit met 2e warmtebron [Doorgetrokken lijn = af fabriek aangesloten] [Gestippelde lijn = wordt bij de installatie aangesloten] [1] Binnenunit (hoofdprintplaat) [2] Warmtepomp [3] Zekering (niet meegeleverd) [4] Zekering buitenunit [5] Zekering binnenunit [6] Accessoireprintplaat [E21.B11] Externe ingang 1 [E21.B12] Externe ingang 2 [E31.RM1.TM1-5]Vochtsensor (max.
7 7.9 Elektrische aansluiting Schakelschema, binnenunit met 2e warmtebron 1 2 6 720 648 125-27.4I Afb. 43 Schakelschema, binnenunit met 2e warmtebron [Doorgetrokken lijn = af fabriek aangesloten] [Gestippelde lijn = wordt bij de installatie aangesloten] [1] Binnenunit [2] Stroomvoorziening [E21.B11] Externe ingang 1 [E21.B12] Externe ingang 2 [E31.RM1.TM1-5]Vochtsensor (max. 5 stuks) [E11.T1] Aanvoertemperatuursensor [E10.T2] Buitentemperatuursensor [E41.T3] Temperatuursensor, tapwater [E11.TT.
Elektrische aansluiting 7 1 2 8 9 4 3 6 720 648 125-28.2I Afb. 44 Schakelschema, binnenunit met 2e warmtebron [Doorgetrokken lijn = af fabriek aangesloten] [Gestippelde lijn = wordt bij de installatie aangesloten] [E12.G1] [E41.G6] [E12.Q11] [E1n.
7 Elektrische aansluiting 7.10 Signaalkabel, binnenunit met 2e warmtebron 1 2 3 4 5 6 7 8 17 9 10 11 12 13 14 15 16 6 720 648 125-31.1I Afb.
Elektrische aansluiting 7 7.11 Layout in schakelkast, binnenunit met elektrische bijverwarming 1 2 3 5 7 4 6 6 720 648 125-17.1I Afb.
7 Elektrische aansluiting 7.12 DIP-switch instellingen, binnenunit met elektrische bijverwarming 1 7 2 3 GND +12V GND +12V CANH CANL 6 4 CANH CANL 5 6 720 648 125-19.2I Afb.
Elektrische aansluiting 7 7.13 Voedingsspanning, binnenunit met elektrische bijverwarming 6 5 1 2 3 4 6 720 648 125-24.3I Afb.
7 Elektrische aansluiting 7.14 Aansluitschema, binnenunit met elektrische bijverwarming 6 1 2 5 4 3 Afb. 49 Aansluitschema, binnenunit met elektrische bijverwarming [Doorgetrokken lijn = af fabriek aangesloten] [Gestippelde lijn = wordt bij de installatie aangesloten] [1] Binnenunit (hoofdprintplaat) [2] Buitenunit [3] Zekering (niet meegeleverd) [4] Zekering buitenunit [5] Zekering binnenunit [6] Accessoireprintplaat [E21.B11] Externe ingang 1 [E21.B12] Externe ingang 2 [E31.RM1.
Elektrische aansluiting 7 7.15 Schakelschema, binnenunit met elektrische bijverwarming 1 2 6 720 648 125-29.4I Afb. 50 Schakelschema, binnenunit met elektrische bijverwarming [Doorgetrokken lijn = af fabriek aangesloten] [Gestippelde lijn = wordt bij de installatie aangesloten] [1] Binnenunit [2] Stroomvoorziening [E21.B11] Externe ingang 1 [E21.B12] Externe ingang 2 [E31.RM1.TM1-5]Vochtsensor (max. 5 stuks) [E11.T1] Aanvoertemperatuursensor [E10.T2] Buitentemperatuursensor [E41.
7 Elektrische aansluiting 1 2 J4 J5 J6 J7 J8 J9 4 3 6 720 648 125-30.2I Afb. 51 Schakelschema, binnenunit met elektrische bijverwarming [Doorgetrokken lijn = af fabriek aangesloten] [Gestippelde lijn = wordt bij de installatie aangesloten] [E12.G1] [E41.G6] [E12.Q11] [E1n.
Elektrische aansluiting 7 7.16 Signaalkabel, binnenunit met elektrische bijverwarming 18 1 2 3 4 5 6 7 8 17 9 10 11 12 13 14 15 16 6 720 648 125-32.1I Afb.
8 Technische instructies 8 Technische instructies 8.
Technische instructies 8.
8 Technische instructies 8 7 6 70 60 50 P1 [W] 5 H [m] 80 U = 10V (4450 rpm) U = 9V (3990 rpm) U = 8V (3520 rpm) U = 7V (3060 rpm) U = 6V (2590 rpm) U = 5V (2200 rpm) U = 4V (1660 rpm) U = 3V (1200 rpm) U = 10V (4450 rpm) 4 40 3 30 2 20 1 10 0 0,0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5 4,0 Q [m³/h] 0 0,0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5 4,0 Q [m³/h] 6 720 648 125-74.1I Afb.
Technische instructies 8.4 8 Systeemoplossing 8.4.1 Verklaringen bij de systeemoplossingen E10 E10.T2 Buitentemperatuursensor Tabel 9 E10 E11 E11.F121 E11.G1 E11.C111 E11.RLP E11. T1 E11.TT ongemengd cv-circuit Thermostaat (accessoire) cv-pomp Buffervat Pressostaat Aanvoertemperatuursensor Kamertemperatuursensor Tabel 10 E11 E12 E12.F121 E12.G1 E12.Q11 E12.T1 E12.
8 Technische instructies 8.4.3 Systeemoplossing 1 6 720 644 816-27.4I Afb.
Technische instructies 8 1 6 720 644 816-28.5I Afb.
8 Technische instructies 1 6 720 644 816-30.3I Afb.
Technische instructies 8 1 6 720 648 125-81.3I Afb.
8 Technische instructies 8.4.4 Meetwaarden van de temperatuursensor Lagetemperatuursensor buitenunit Binnenunit De temperatuursensoren TH3 (verdelerleiding, verdamper), TH6 en TH7 (omgeving) en TH33 (tussen het expansieventiel en de verdamper) hebben meetwaarden conform tab. 19 en het diagram in afb. 59. Temperatuursensor in of aangesloten op binnenunit (T1, T2, T3, T5, T8, T9) heeft de meetwaarde conform tab. 17. °C –40 –35 –30 –25 –20 –15 –10 –5 0 T...
Verwarmen algemeen 9 Hogetemperatuursensor buitenunit De temperatuursensor TH4 (verwarmingsgas) en TH32 (compressortemperatuur) hebben meetwaarden conform tab. 20 en diagram in afb. 60. k T... 250 160 104 70 48 °C 20 30 40 50 60 k T... 34 24 17,5 13,0 9,8 °C 70 80 90 100 110 Tabel 20 Weerstandswaarde, hogetemperatuursensor R(kΩ) 500 9 Verwarmen algemeen Het cv-systeem bestaat uit één of twee cv-circuits.
10 Bedieningspaneel • Vakantie: de regeling heeft een programma voor vakantiebedrijf, dat de kamertemperatuur gedurende een ingestelde periode op een lager of hoger niveau instelt. • Externe ingang 1 en Externe ingang 2 in de regeling kunnen extern worden geregeld. Dat betekent, dat een vooringestelde functie wordt uitgevoerd, zodra de regeling een ingangssignaal ontvangt. 9.
Installatie- en service menu (I/S) 11 10.2.1 Overzicht symbolen Na 10 minuten zonder activiteit op het bedieningspaneel gaat de verlichting van het display uit. In het onderste deel van het display worden symbolen voor de functies en componenten getoond, die in bedrijf zijn. 1 2 3 4 5 6 7 8 6720804378-10.1I Afb. 65 Voor het openen van het installatie- en servicemenu (I/S) is een 4-cijferige toegangscode nodig: 9 10 13 11 12 6 720 648 125-03.3I Afb.
12 12 Overzicht menu Overzicht menu De tabellen Menu en Uitgebreid menu tonen van de beschikbare menupunten telkens het bovenste niveau. De vooringestelde waarden zijn bovendien in de tabel Fabrieksinstellingen opgesomd (hoofdstuk 16).
Overzicht menu 12 Menu Aangesloten extra sensor Handmatig bedrijf Bedrijfsalternativen bijverwarming Sensor corrigeren Tijdstip pompkick Alarmzoemer interval T3 bevestigd T5 bevestigd Bij geactiveerde menggroep: E12.R5 bevestigd Handmatig bedrijf Handmatige bedrijfstijd 3-wegklep G1 cv-systeempomp G2 Warmtedragerpomp G2 snelheid Compressor Koeling Bijverwarming voor verwarming Mengventiel openen Mengventiel sluiten Mengventiel openen, cv-systeem 2 Mengventiel sluiten, cv-systeem 2 E12.
12 Overzicht menu Toegangsniveau I/S Menu Display Drogen afwerkvloer Contrast Displayhelderheid Activeren I/S Wanneer drogen afwerkvloer geactiveerd is: Actieve programmatrap Resterende tijd van actieve trap Warmtebron Programma-instellingen Warmte +/Warmte +/-, CV-systeem 2 Warmte +/- Instellingen Systeemdruksensor aangesloten Bedrijfsmodus G2 Wordt alleen getoond, wanneer geen kamertemperatuursensor is geïnstalleerd Wordt alleen getoond, wanneer geen kamertemperatuursensor is geïnstalleerd Wordt al
Overzicht menu 12 Uitgebreid menu Verwarming/koeling Laagste buitentemperatuur van de stooklijn Temperatuur van het cv-systeem Instellingen kamersensor Tijdelijk begrensde instellingen Verwarmingsperiode Verwarming, maximale bedrijfstijd bij tapwatervraag Uitschakelbeveiliging, van tapwater naar cv-bedrijf Stooklijn Schakelverschil --Compressormodulatie op --Compressormodulatie reduceren --Compressormodulatie neer --integratietijd --Wiel rem temp.
12 Overzicht menu Uitgebreid menu Instellingen voor koeling Maximale snelheid compressor Compressormodulatie op tijd Compressormodulatie reduceren tijd Warmtedragervloeistof G2 Temperatuur cv-systeem 2 (alleen mits geïnstalleerd) Keuze van de bedrijfsmodus cv-systeem Schakelverschil --Compressormodulatie op temp.
Overzicht menu Uitgebreid menu Tapwater 12 Extra warm water Termische desinfectie Warmwatertemperatuur Tijdbesturing tapwater Tijdbesturing tapwatercirculatie Laagste snelheid bij tapwaterproductie Maximale snelheid bij tapwaterproductie Warmtedragerdelte tapwater Snelstart van de bijververwarming Temperaturen Weergave van de temperaturen Sensor corrigeren Ingangen Uitgangen Vraag Timer (tijdprogram- Weergave van de timers ma's) Bedrijfstijden en ver- Totale bedrijfstijden bruik Kortetijdmeting Instelling
13 Inbedrijfstelling Uitgebreid menu Alarm Alarmprotocol Alarmprotocol Alarmprotocol wissen Alarmlog Informatieprotocol Informatieprotocol wissen Alarmlog Informatieprotocol B B I/S I/S I/S B B Toegangsniveau Fabrieksinstellingen resetten Alarmzoemer deactiveren programmaversie Toont de geïnstalleerde programmaversie voor de regeling Aangesloten I/O-kar- Geeft aan, welke I/O-printplaat op de regeling is aangesloten ten en het versienummer daarvan.
Inbedrijfstelling 13 ▶ Bij keuze van de bedrijfsmodus Verwarming/koeling moet het systeem zijn geïsoleerd, om de invloed van condensvocht te vermijden. Door het kiezen van Opslaan bevestigt u, dat het systeem is beschermd tegen vocht. 6720804378-17.1I Afb. 76 6720804378-16.1I Afb. 72 ▶ Kies, of de Kamersensor met vochtsensor is geïnstalleerd. ▶ Kies het type bijverwarming, dat aanwezig is.
13 Inbedrijfstelling De stooklijn regelt de aanvoertemperatuur voor de cv-circuits. De stooklijn geeft aan, hoe hoog de aanvoertemperatuur in verhouding tot de buitentemperatuur mag zijn. De regeling verhoogt de aanvoertemperatuur, zodra de buitentemperatuur afneemt. De aanvoertemperatuur wordt door de sensor T1 voor circuit 1 (volledige naam E11.T1) en door de sensor T1 voor circuit 2 (volledige naam E12.T1) gemeten. – Gewenste waarde instellen.
Inbedrijfstelling 13 13.3.8 Maximale buitentemperatuur voor bijverwarming 13.3.4 Keuze bijverwarming ▶ Stel de hoogste buitentemperatuur in voor het bijverwarmingsbedrijf. Wanneer de buitentemperatuur langer dan 30 minuten hoger is dan de ingestelde waarde, in alarmbedrijf, extra tapwater, thermische desinfectie en bij bedrijf uitsluitend met bijverwarming, wordt de bijverwarming ook boven deze temperatuur bijgeschakeld. 6720804378-11.1I Afb.
13 Inbedrijfstelling Voorbeeld: bij 2 K (°C) afwijking van de ingestelde kamertemperatuur wordt het setpoint van de aanvoertemperatuur met 4 K (°C) veranderd (2 K afwijking * factor 2 = 4 K). Een hogere invloed betekent een groter effect van de kamertemperatuursensor, maar kan ook grotere variaties in de temperatuur betekenen. Buitentemperatuuraanwijzing in kamertemperatuursensor ja/nee Bij ja schakelt de temperatuur in de kamertemperatuursensor om tussen de temperatuurweergave in huis en buiten. 13.
Inbedrijfstelling Kies het of de menupunten, die moeten worden uitgevoerd, wanneer Externe ingang 1/Externe ingang 2 is geactiveerd: ▶ Temperatuurverandering, instellen, met hoeveel graden de aanvoertemperatuur moet worden veranderd. ▶ Koeling blokkeren: kies Ja, wanneer het koelbedrijf moet worden geblokkeerd. ▶ Externe stopwordt gebruikt, wanneer in het systeem een ventilatorconvector is geïnstalleerd, en geeft de status van de ventilator aan.
13 Inbedrijfstelling ▶ Instellingen voor koeling kiezen ▶ Aanvoertemperatuur kiezen Bij koelbedrijf onder het dauwpunt (bijv. ventilatorconvector): Wanneer uitsluitend ventilatorconvectoren of een vergelijkbaar systeem met condensafvoer en geïsoleerde componenten (bijv. leiding, pompen ... ) worden gebruikt, mag de aanvoertemperatuur tot 5 °C worden ingesteld.
Inbedrijfstelling ▶ Verwarming/koeling kiezen. ▶ Compressiemodulatie op of Compressiemodulatie reducerenkiezen. ▶ Gewenste waarde instellen. Fabrieksinstelling 15 min (versnelling) en 5 min (rem). Aanbevolen voor nieuwbouw en bestaande bouw. 13 13.9 Drogen afwerkvloer De functie drogen is alleen beschikbaar in combinatie met vloerverwarming. Compressiemodulatie neer Het vloerdrogen moet plaatsvinden met permanente voedingsspanning.
14 14 Timer (tijdprogramma's) Timer (tijdprogramma's) 15 Storingen Alarm, dat in het display wordt getoond, geldt hoofdzakelijk voor de binnenunit. Een alarm, die in de buitenunit wordt gegeven, moet met een diagnose-tool (accessoire, hoofdstuk 15.10) worden gecontroleerd. Het menu Alarm bevat: 6 720 804 373-20.1I Afb. 85 • Alarmprotocol • Alarmlog • Informatieprotocol De regeling heeft enkele tijdprogramma's. De status van de tijdprogramma's wordt in het menu Timers getoond.
Storingen 15 Wanneer u op de draaiknop drukt, wordt Bevestigen gemarkeerd, het alarmsymbool en het waarschuwingssignaal verdwijnen. De warmtepomp start weer, wanneer warmtevraag bestaat. ▶ E11.T1 maximale streefwaarde controleren. ▶ Indien nodig instellen. Wanneer de storing niet is opgeheven, wordt het alarmsymbool ( [10] afb. 64) verder getoond en de bedrijfs- en storingslamp verandert van rood knipperen in constant rood branden. Ieder alarm wordt in het alarmprotocol opgeslagen.
15 Storingen ▶ Controleer de afsluitbruggen S1, deze moeten op afgesloten staan. ▶ Controleer de afsluitinstellingen in de kamertemperatuursensor. ▶ Controleer de voeding op de CAN-BUS. De spanning moet ca. 12 V DC zijn. ▶ Vervang defecte kamertemperatuursensor. 15.6.7 Storing op multifunctionele printplaat Storing in de multifunctionele printplaat of in de communicatie daarmee. ▶ Led op de printplaat controleren. Deze moet groen knipperen.
Storingen Mogelijke oorzaak 1: de cv is zo hoog ingesteld, dat de retourtemperatuur van de installatie te hoog wordt. ▶ Verlaag de cv-instelling. Mogelijke oorzaak 2: kranen van de vloerverwarming of de radiatoren zijn gesloten: ▶ Open de kranen. 15 15.9.1 Te warm voor warmtepompbedrijf Wanneer de temperatuur 30 minuten lang hoger is dan 46 °C, wordt het info-icoon getoond. De bijverwarming neemt het bedrijf van het systeem over. Bevestiging, wanneer de temperatuur weer onder 46 °C daalt. 15.9.
15 Storingen 15.10 Controleer de warmtepomp met het diagnose-tool (accessoire) SW9 SW7 SW8 SW5 SW4 SW1 SW6 1 6 720 644 816-34.1I Afb. 91 [1] Aansluiten van de diagnose-tool 15.10.1 Controle van de warmtepomp De werking van de warmtepomp kan door de instelling in het diagnosetool (accessoire) worden gecontroleerd. SW2 6 720 614 486-35.1I Afb.
Storingen 15 15.10.2 Schema koelcircuit 10 9 TH6 1 TH7 TH3 2 TH4 TH32 TH33 3 5 6 7 8 4 6 720 644 816-59.1I Afb.
15 Storingen 1 TH6 TH7 10 9 TH3 2 TH4 TH32 TH33 3 5 6 7 8 4 6 720 644 816-60.1I Afb.
Storingen 15 1 TH6 11 10 TH7 TH3 2 TH4 TH32 TH33 3 5 4 8 7 9 6 6 720 644 816-61.1I Afb.
16 16 Fabrieksinstellingen Fabrieksinstellingen 16.1 Fabrieksinstellingen De tabellen tonen de af fabriek vooringestelde waarden (fabrieksinstellingen). Deze waarden kunnen door de gebruiker (B) via de gebruikersniveaus Menu en Uitgebreid menu worden veranderd. De in de volgende tabellen opgesomde menupunten van het installatieen servicemenu (I/S) zijn na het veranderen van het toegangsniveau onder menu of onder uitgebreid menu voor de installateur toegankelijk.
Fabrieksinstellingen Uitgebreid menu Niveau _”_\_”_\_”_\Actief in I/S _”_\_”_\_”_\Temperatuurverandering B _”_\_”_\_”_\Koeling blokkeren B _”_\Verwarmingsperiode _”_\_”_\Grenzen van de verwarmingsperioB de _”_\_”_\Vertraging B _”_\_”_\Grens directstart B _”_\Verwarming, maximale bedrijfstijd bij B tapwatervraag _”_\Uitschakelbeveiliging, van tapwater I/S naar cv-bedrijf _”_\Instellingen voor koeling _”_\_”_\Schakelverschil _”_\_”_\_”_\Compressormodulatie op temp.
16 Fabrieksinstellingen Uitgebreid menu Niveau Tapwater (T3) _”_\Extra warmwater _”_\_”_\Aantal uren B _”_\_”_\Stoptemperatuur B _”_\Thermische desinfectie _”_\_”_\Interval B _”_\_”_\Starttijd B _”_\Warmwatertemperatuur _”_\_”_\Bij compressorbedrijf _”_\_”_\_”_\T3 starttemperatuur I/S _”_\_”_\_”_\T9 stoptemperatuur I/S _”_\_”_\Tapwater, maximale bedrijfstijd bij B cv-vraag _”_\Tijdbesturing tapwater B _”_\Tijdbesturing tapwatercirculatie B _”_\Laagste snelheid bij tapwaterproductie I/S _”_\Maximale snelhe
Functiecontrole 17 Functiecontrole 17.1 Koudemiddelcircuit Ingrepen in het koudemiddelcircuit mogen alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd. GEVAAR: Ontsnappen van giftige gassen! Het koudemiddelcircuit bevat stoffen, die bij vrijkomen of bij brand giftige gassen kunnen vormen. Deze gassen veroorzaken al in lage concentratie ademhalingsstilstand. ▶ De ruimte bij lekkage van het koudemiddelcircuit direct verlaten en zorgvuldig ventileren. 17.
19 Inspectie Het deeltjesfilter wordt in de retourleiding naar de binnenunit gemonteerd. 1 2 In bepaalde regio's is het niet toegestaan het spoelmiddel in een kiezelbed af te voeren. Wanneer de condensafvoerleiding van de warmtepomp in een kiezelbed uitmondt: ▶ Verwijder de onderhoudsklep. ▶ Neem de flexibele condenswaterleiding van de afvoerleiding af voordat de reiniging wordt uitgevoerd. ▶ Vang het spoelmiddel op in een geschikte container. ▶ Sluit de condenswaterleiding na het reinigen weer aan.
Inbedrijfstellingsprotocol 20 20 Inbedrijfstellingsprotocol Datum van de inbedrijfstelling: Adres klant: Naam, voornaam: Straat, huisnr.: Plaats: Telefoon: Installateur: Naam, voornaam: Straat: Plaats: Telefoon: Specificaties: Toesteltype: TTNR: Serienummer: FD nr.: Controlestappen installatie Componenten van de installatie: Bevestiging / waarde Kamertemperatuursensor CAN-BUS Ja | Nee Dauwpuntbewaking (bij koeling met FBH): temp.
20 Inbedrijfstellingsprotocol Verwarming: Voordruk in expansievat bepaald? …….. bar Werd het cv-net voor de installatie gespoeld? CV-net boven de bepaalde voordruk van het expansievat gevuld tot .... bar ? binnenunit voldoende ontlucht Dichtheidstest van alle verbindingen binnen en buiten de binnenunit uitgevoerd Filter in cv-circuit op de binnenunit op reinheid gecontroleerd? Elektrische aansluiting: Zijn de laagspanningskabels met min. 100 mm t.o.v.
Inspectie- en onderhoudsprotocollen 21 21 Inspectie- en onderhoudsprotocollen De inspectie- en onderhoudsprotocollen mogen gekopieerd worden. ▶ Noteer de uitgevoerde inspectiewerkzaamheden, vul de datum in en plaats een handtekening. Algemeen Onderhoudsprotocol voor lucht/water-warmtepompen Klant/gebruiker van de installatie: Naam, voornaam: Straat, huisnr.
Inspectie- en onderhoudsprotocollen Onderhoudsprotocol voor lucht/water-warmtepompen Circulatiepompen, mengventiel, 3-wegklep op goede werking gecontroleerd: ...................................................................................... Parameterinstellingen veranderd: Menu serviceniveau (I / S) - start - Handmatig bedrijf Voordruk cv-zijde in expansievat gecontroleerd: ........bar Installatie cv-zijde gevuld tot : ..........................................................bar Warmte:............
Notities Nefit EnviLine – 6 720 810 453 (2014/02) 81
Notities 82 Nefit EnviLine – 6 720 810 453 (2014/02)
Notities Nefit EnviLine – 6 720 810 453 (2014/02) 83
Bosch Thermotechniek B.V., Postbus 3, 7400 AA Deventer DealerLine: 0570 - 67 85 66 Consumenten Infolijn: 0570 - 67 85 00 Fax: 0570 - 67 85 86 Internet: www.nefit.