Operation Manual
20
FUNCTIE MENU
Hieronder een beschrijving van de verschillende opties van het functiemenu.
TRANSPONEREN
Wanneer
je met andere instrumenten samenspeelt, kan het handig
zijn het keyboard een paar tonen hoger of lager te laten spelen.
Ook bijvoorbeeld wanneer je er bij wilt zingen, maar de melodie
te hoog gaat. Zonder dat je zelf andere noten hoeft te spelen,
speelt he
t keyboard dan toch in de juiste (gemakkelijkere)
toonsoort. Behalve via de menu functie kun je het keyboard ook
transponeren met de speciale transpose knoppen. Dit werkt dan
het zelfde als met het volume van de begeleiding en het tempo. Je
kunt 12 halve tonen omhoog of omlaag transponeren.
OKTAVEREN
Oktaveren wil je wanneer je een instrument in een ander bereik
wilt bespelen. Bijvoorbeeld wanneer je een basgitaar hebt
gekozen, dan zet je die met deze functie een octaaf lager. Wil je
piccolo spelen, dan o
ctaveer je omhoog. Je kunt deze functie ook
gebruiken om interessante combinaties met het tweede
instrument te maken. Kies bijvoorbeeld voor zowel het hoofd
instrument als het tweede instrument een piano, waarvan je er één
twee octaven hoger instelt. Of k
ies twee verschillende strings,
waarvan je er een een octaaf lager zet.
BEAT
Met BEAT wordt hier 'maatsoort' bedoelt. Hier stel je de
maatsoort in voordat je gaat opnemen in de recorder van de
MD500. De metronoom geeft op de eerste tel een accent. Keu
ze
uit 9 verschillende maatsoorten.
SPLITPUNT
Met deze functie kun je instellen waar het splitpunt tussen de
melodie (rechts) en het begeleiding gedeelte (links) van het
toetsenbord zit. Dit splitpunt kun je ook instellen door op de
toets te drukken
waar je het splitpunt wilt hebben. Dit splitpunt
geldt meteen ook voor het linker instrument ('lower voice'.)










