Operation Manual

Bedieningspaneel van de printer gebruiken
31
2
4
8
7
6
910
5
Onderdeel Functie
1 Display
De printerstatus weergeven.
De printer configureren en bedienen.
2 Selecteren, knop
Menuopties selecteren.
Instellingen opslaan.
3 Pijltoetsen Bladeren door menu's of instellingen op de display.
4 Toetsenblok Nummers, letters of symbolen invoeren.
5 Slapen, knop De slaapstand of sluimerstand inschakelen.
Opmerkingen:
Als u op een fysieke knop drukt, een apparaat aansluit op een USB-poort, een
afdruktaak verzendt, of een reset uitvoert met de aan/uit-schakelaar, wordt de
slaapstand van de printer uitgeschakeld.
Als u op de slaapknop of de aan/uit-knop drukt, keert de printer terug uit de
sluimerstand.
6 knop Stop. Hiermee wordt elke activiteit van de printer gestopt.
7 Terug, knop Terugkeren naar het vorige scherm.
8 Startscherm, knop Naar het startscherm gaan.
9 Indicatielampje De status van de printer controleren.
10 USB-poort aan
voorzijde
Een camera of
flashstation
aansluiten op de printer.
Uitleg over de kleuren van de slaapknop en de
indicatielampjes
De kleuren van de slaapknop en indicatielampjes op het bedieningspaneel geven een bepaalde printerstatus
of -toestand aan.
indicatielampje Printerstatus
Uit De printer is uitgeschakeld of de sluimerstand van de printer is actief.
Knippert groen De printer is bezig met opwarmen, met het verwerken van gegevens of met afdrukken.
Omgaan met de printer 14