Operation Manual
38
BELICHTINGSMETING
BELICHTINGSMEETMETHODEN
De Leica S biedt drie verschillende belichtingsmeetmethoden:
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26)
Exposure Metering (5.3) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste variant.
Spotmeting -
Voor de spotmeting wordt uitsluitend het midden van het beeldveld gere-
gistreerd en geanalyseerd. Het gebied wordt aangeduid met een cirkel in
het midden van matglas2.
Centrum-georiënteerde meting
Deze meetmethode houdt rekening met het gehele beeldveld, maar de in
het midden geregistreerde motief-onderwerpen bepalen veel sterker dan
de randgebieden de berekening van de belichtingswaarde.
Meerveldmeting -
deze meetmethode baseert op de registratie van vijf meetwaarden. Eén
meetwaarde wordt in een veld in het midden van het beeld bepaald en de
vier andere in de omliggende velden. De vijf meetwaarden worden in een
algoritme berekend die aan de situatie is aangepast, wat resulteert in een
belichtingswaarde die is afgestemd op de passende weergave van het
veronderstelde hoofdmotief.
1
De cirkel is niet bij alle types matglazen voorhanden (zie p. 66).
OPSLAAN VAN DE MEETWAARDE
De Leica S registreert
- bij de belichtingsmeting verschillende onderdelen van het motief en
waardeert deze verschillend, afhankelijk van de meetmethode,
- bij de autofocusmeting (zie p. 37) eveneens maar een deel van het
motief.
Het opslaan van deze waarden gebeurt eerst altijd met de ontspanner
(1.1, zie p. 36). Met de 5-richtingsknop (1.18) kunt u, afhankelijk van de
menu-instelling, bovendien een van de (opgeslagen) instellingen behou-
den, ook al wordt de ontspanner losgelaten.
In tegenstelling tot de ontspanner slaat de knop de betreffende instel-
lingen niet slechts voor één opname op, maar zo lang deze ingedrukt blijft,
dus eventueel ook voor meerdere opnamen.
Met het menupunt
AE-/AF-Lock (Automatic Exposure = automatische
belichtingsregeling / AutoFocus = automatisch scherpstellen) kiest u de
toewijzing van de functies.
Opslaan met de ontspanner
1. Richt de cirkel van in de zoeker op het te meten gebied.
2. Druk de ontspanner (1.1) in tot het 2e drukpunt. Zolang u dit drukpunt
vasthoudt, blijven de opgeslagen waarden behouden.
3. Met de automatische belichtingsprogramma's
, en (zie p.
44/45) verschijnt ook de lichtschaal (2.6) die de afwijking van de
opgeslagen meetwaarde weergeeft.
Als u in deze tijd het diafragma of de belichtingstijd niet wijzigt, zal
telkens de andere waarde vanzelf worden aangepast en worden weer-
gegeven.
4. Bepaal, terwijl u het drukpunt vasthoudt, de definitieve beelduitsnede en
5. drukt u de ontspanner door.
Het geheugen wordt gewist als de vinger het drukpunt van de ontspanner
loslaat.










