KIA,HET BEDRIJF Hartelijk dank voor de aanschaf van een nieuwe Kia. Als wereldwijde autofabrikant die zich richt op het bouwen van kwalitatief hoogwaardige auto's voor een betaalbare prijs, doet Kia Motors er alles aan om u meer service te bieden dan u verwacht en de klanten een prettige ervaring te geven. Bij onze Kia-dealerbedrijven zult u de “Family-like Care”belofte ervaren, die u een gevoel van warmte, gastvrijheid en vertrouwen geeft; het gevoel dat er voor u wordt gezorgd door mensen die om u geven.
Voorwoord Hartelijk dank voor het kiezen van een KIA. Onthoud dat voor onderhoud uw dealer de aangewezen persoon is. Uw dealer heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over de aanbevolen speciale gereedschappen, originele KIA-onderdelen en zal er alles aan doen u optimaal van dienst te zijn. Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
INHOUDSOPGAVE Introductie 1 Uw auto in één oogopslag 2 Veiligheidsysteem van uw auto 3 Kenmerken van uw auto 4 Rijden met uw auto 5 Wat te doen in een noodgeval 6 Onderhoud 7 Specificaties & Consumenteninformatie 8 Index I ii
Motor / 8-2 Afmetingen / 8-2 Wattage gloeilampen / 8-3 Banden en wielen / 8-4 Massa/volume / 8-5 Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden / 8-6 Voertuig-identificatienummer (VIN) / 8-9 Voertuigcertificatielabel / 8-9 Bandenspanningslabel / 8-10 Motornummer / 8-10 Specificaties & Consumenteninformatie 8
Specificaties & Consumenteninformatie MOTOR Onderwerp Benzine 1.25 Benzine 1.4 Diesel 1.1 Diesel 1.4 Cilinderinhoud [cc (cu.in)] 1.248 (76,2) 1.396 (85,19) 1.120 (67,25) 1.
Specificaties & Consumenteninformatie WATTAGE GLOEILAMPEN Gloeilamp Koplampen Dimlicht Grootlicht Intelligente bochtverlichting* Dagrijverlichting (DRL)* Voor Richtingaanwijzers vóór Parkeerlichten Richtingaanwijzers opzij Mistlampen vóór Mistachterlicht Rem-/achterlichten (Buitenkant) Richtingaanwijzers achter (Buitenkant) Achter Achterlicht (Binnenkant) Achteruitrijlicht (Binnenkant) Derde remlicht* Kentekenplaatverlichting Kaartleeslampjes* Interieurverlichting Interieur Bagageruimteverlichting Lamp da
Specificaties & Consumenteninformatie BANDEN EN WIELEN Onderwerp Bandenmaat 175/70R14 Velgmaat 5,5J X 14 Bandenspanning bar (psi, kPa) Normale belasting Maximum belasting Voor Achter Voor Achter 2,2 (32, 220) 2,2 (32, 220) 2,2 (32, 220) 2,2 (32, 220) Aanhaalmoment wielmoeren kgm (lb.
Specificaties & Consumenteninformatie MASSA/VOLUME Benzine 1.25 Onderwerp Maximaal toelaatbaar voertuiggewicht kg (lbs.) Inhoud bagageruimte l (cu ft) Benzine 1.4 Diesel 1.1 Diesel 1.
Specificaties & Consumenteninformatie AANBEVOLEN SMEERMIDDELEN EN HOEVEELHEDEN Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend smeermiddelen van de juiste kwaliteit. Het gebruik van de juiste smeermiddelen helpt ook het motorrendement verhogen, wat een gunstiger brandstofverbruik oplevert. Deze smeermiddelen en vloeistoffen worden aanbevolen voor gebruik in uw auto.
Specificaties & Consumenteninformatie Smeermiddel/vloeistof Rem-/koppelingsvloeistof Brandstof Inhoud 0.7 ~ 0.8 l (0.7 ~ 0.8 US qt.) 43 l (11.3 US gal.) Inhoud FMVSS116 DOT-3 or DOT-4 - * : Zie de SAE-viscositeitsindex op de volgende bladzijde. *2 : Tegenwoordig zijn er energiebesparende motoroliën beschikbaar. Naast andere extra voordelen, dragen zij bij tot een laag brandstofverbruik door de hoeveelheid brandstof te beperken die nodig is om wrijving in de motor te overwinnen.
Specificaties & Consumenteninformatie Aanbevolen SAEviscositeitsindex OPMERKING Zorg ervoor dat u de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en de peilstok altijd goed reinigt alvorens het peil te controleren of de vloeistof af te tappen. Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof of zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.
Specificaties & Consumenteninformatie VOERTUIG-IDENTIFICATIENUMMER (VIN) VOERTUIGCERTIFICATIELABEL ■ Type B (indien van toepassing) ■ Type A OFS080001 OBH088005N Het voertuig-identificatienummer (VIN) is het nummer dat gebruikt wordt bij de registratie van uw auto en bij alle zaken die te maken hebben met eigendom, enz. Dit nummer is ingeslagen in de vloer onder de passagiersstoel. Verwijder de afdekking (1) om het nummer te controleren.
Specificaties & Consumenteninformatie BANDENSPANNINGSLABEL MOTORNUMMER ■ Benzinemotor (1.25L) ■ Dieselmotor (1.1L) ■ Benzinemotor (1.4L) ■ Dieselmotor (1.4L) OUB071018 De banden waarmee uw nieuwe auto is uitgerust zijn zorgvuldig geselecteerd voor de beste prestaties onder normale rijomstandigheden. Op het bandenspanningslabel op de middenstijl aan bestuurderszijde staan de bandenspanningen voor de verschillende gebruiksomstandigheden.
Index I
Index A Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden ..................8-5 Aanvullend veiligheidssysteem ......................................3-41 Achterklep ......................................................................4-22 Achteruitrijcamera ..........................................................4-83 Afmetingen ......................................................................8-2 Alarmknipperlichten ......................................................
Index I Inrijprocedure....................................................................1-6 Instrumentenpaneel ........................................................4-46 Interieurfilter ..................................................................7-36 Interieurverlichting..........................................................4-96 ISG (idle stop & go) ......................................................5-15 K Kinderzitjes ....................................................................
Index Ruitensproeiervloeistof ..................................................7-33 Ruitenwisserbladen ........................................................7-38 Ruitenwissers en ruitensproeiers ....................................4-92 S Schuif-/kanteldak ............................................................4-35 Slepen..............................................................................6-28 Sleutels..............................................................................4-3 Sloten .
Introductie 1 Gebruik van dit instructieboekje / 1-2 Vereiste brandstof / 1-2 Inrijprocedure / 1-6 Controlelampjes in het instrumentenpaneel / 1-7
Introductie GEBRUIK VAN DIT INSTRUCTIEBOEKJE VEREISTE BRANDSTOF Wij willen u helpen om het meeste rijplezier van uw auto te krijgen. Het instructieboekje kan daar op vele manieren toe bijdragen. Wij raden u ten zeerste aan het complete instructieboekje door te lezen. Om de kans op letsel te beperken, moet u met name de gedeeltes met WAARSCHUWING en OPMERKING door het gehele instructieboekje lezen. De afbeeldingen vormen een waardevolle aanvulling op de tekst.
Introductie OPMERKING GEBRUIK NOOIT LOODHOUDENDE BENZINE. Loodhoudende benzine is schadelijk voor de katalysator en de lambdasensor van het motorregelsysteem en zal de emissieregeling nadelig beïnvloeden. Voeg nooit brandstofadditieven producten toe aan het brandstofsysteem. (Neem voor details contact op met een officiële KIA-dealer.) WAARSCHUWING • Probeer de tank niet verder te vullen nadat het vulpistool automatisch is afgeslagen.
Introductie Gebruik van MTBE Geadviseerd wordt geen brandstof in uw auto te gebruiken die meer dan 15,0 volumeprocent MBTE (Methyl Tertiair Butyl Ether) (zuurstofmassa 2,7%) bevat. Brandstof die meer dan 15,0 volumeprocent MBTE (zuurstofmassa 2,7%) bevat kan de prestaties van de auto in negatieve zin beïnvloeden en dampvorming of slecht aanslaan veroorzaken.
Introductie Dieselmotor Dieselbrandstof Gebruik voor de dieselmotor alleen bij het benzinestation verkrijgbare dieselbrandstof die aan de EN 590-norm of vergelijkbaar voldoet. (EN staat voor “European Norm”). Gebruik geen dieselbrandstof die bestemd is voor de scheepvaart, lichte stookoliën of niet-goedgekeurde brandstoftoevoegingen, aangezien dit de slijtage zal bespoedigen en de motor en het brandstofsysteem kan beschadigen.
Introductie INRIJPROCEDURE Biodiesel Indien uw auto aan de EN 14214-norm of vergelijkbaar voldoet, mag bij het benzinestation verkrijgbare dieselmengsels met niet meer dan 7% biodiesel, algemeen bekend als “B7-diesel” worden gebruikt. (EN staat voor “European Norm”). Het gebruik van biobrandstoffen van meer dan 7% gemaakt uit koolzaad methylester (RME), vetzuur methylester (FAME), plantaardige methylester (VME), enz.
Introductie CONTROLELAMPJES IN HET INSTRUMENTENPANEEL Waarschuwingslampje AIRBAG* Waarschuwingslampje laag motoroliepeil* Controlelampje motormanagement Waarschuwingslampje ABS* Waarschuwingslampje parkeerrem en remvloeistofniveau Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur Waarschuwingslampje veiligheidsgordel Waarschuwingslampje laadsysteem Controlelampje ESP* Controlelampjes richtingaanwijzers Waarschuwingslampje open achterklep Controlelampje ESP OFF* Controlelampje grootlicht Waarschuwing
Introductie Waarschuwingslampje brandstoffilter (alleen dieselmotor) Waarschuwingslampje lage bandenspanning*/Controlelampje storing TPMS (controlesysteem lage bandenspanning)* CRUISE Controlelampje CRUISE* Controlelampje CRUISE SET* Controlelampje snelheidsbegrenzing* * : indien van toepassing ❈ Zie voor meer informatie deel Instrumentenpaneel in hoofdstuk 4.
Uw auto in één oogopslag Overzicht interieur / 2-2 Overzicht dashboard / 2-3 Motorruimte / 2-4 2
Uw auto in één oogopslag INTERIEUR, OVERZICHT 1. Knop vergrendelen/ontgrendelen portier* ..........................................................4-18 2. Centrale portiervergrendeling* ..........4-20 3. Schakelaar ruitbediening* .................4-25 4. Blokkeertoets ruitbediening* .............4-28 5. Schakelaar spiegelbediening ............4-44 6. Toets inklapbare buitenspiegel..........4-45 7. Hendel motorkapontgrendeling.........4-30 8. Ontgrendelhendel tankdopklep .........4-32 9. Stuurwiel ..........
Uw auto in één oogopslag DASHBOARD, OVERZICHT 1. Instrumentenpaneel ...........................4-46 2. Claxon ................................................4-42 3. Airbag bestuurder* .............................3-49 4. Schakelaar verlichting/ richtingaanwijzers ..............................4-85 5. Schakelaar ruitenwissers en -sproeiers ...........................................................4-92 6. Contactslot* of toets ENGINE START/STOP* ...............................5-5/5-9 7.
Uw auto in één oogopslag MOTORRUIMTE ■ 1.25 Benzinemotor ■ 1.4 Benzinemotor ❈ De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding. 2 4 1. Expansievat koelvloeistof ..................7-26 2. Radiateurdop ....................................7-27 3. Remvloeistofreservoir........................7-29 4. Luchtfilter ..........................................7-34 5. Peilstok motorolie ..............................7-23 6. Vuldop motorolie ................................7-23 7. Sproeierreservoir ......
Uw auto in één oogopslag ■ 1.1 Dieselmotor ■ 1.4 Dieselmotor ❈ De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding. 1. Expansievat koelvloeistof ..................7-26 2. Radiateurdop ....................................7-27 3. Remvloeistofreservoir........................7-29 4. Luchtfilter ..........................................7-34 5. Peilstok motorolie ..............................7-23 6. Vuldop motorolie ................................7-23 7. Sproeierreservoir .........................
Stoelen / 3-2 Veiligheidsgordels / 3-15 Kinderzitjes / 3-29 Aanvullend veiligheidssysteem / 3-41 Veiligheidsysteem van uw auto 3
Veiligheidsysteem van uw auto STOELEN Bestuurdersstoel (1) Voorwaartse/achterwaartse richting (2) Rugleuningverstelling (3) Zittinghoogte* (4) Stoelverwarming* (5) Hoofdsteun Passagiersstoel (6) Voorwaartse/achterwaartse richting (7) Rugleuningverstelling (8) Stoelverwarming* (9) Hoofdsteun Achterstoelen (10) Hoofdsteun* (11) Neerklappen rugleuning* * indien van toepassing OUB031001 3 2
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING - WAARSCHUWING - Losliggende voorwerpen Verantwoordelijkheid van de bestuurder voorpassagier Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken. Plaats niets onder de voorstoelen. WAARSCHUWING Opklappen van de rugleuning Zorg ervoor, indien u de rugleuning weer rechtop zet, dat u deze vasthoudt en rustig omhoog klapt.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Ga zo ver van het stuurwiel af zitten als mogelijk is zonder dat dit ten koste gaat van het bedieningscomfort om onnodig en wellicht ernstig letsel door de airbag te voorkomen. Geadviseerd wordt een minimale afstand van 250 mm tussen uw bovenlichaam en het stuurwiel. 3 4 WAARSCHUWING Rugleuning achterbank • De rugleuning achter moet goed vergrendeld zijn.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING Controleer na het afstellen van de stoel altijd of deze goed is vergrendeld, door te proberen deze naar voren of achteren te schuiven zonder de ontgrendelhendel te gebruiken. Als de bestuurdersstoel plotseling in beweging komt, kunt u de controle over de auto verliezen. WAARSCHUWING • Leg geen aansteker op de vloer of de stoel. Wanneer u de stoel verstelt, kan er gas uit de aansteker ontsnappen waardoor brand kan ontstaan.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING OUB031004 Afstellen van de zittinghoogte (bestuurdersstoel) Duw de hendel aan de zijkant van de zitting omhoog of omlaag om de hoogte van de zitting te veranderen. • Duw de hendel een aantal maal omlaag om de zitting lager af te stellen. • Trek de hendel een aantal maal omhoog om de zitting hoger af te stellen. 3 6 OPA039052 Hoofdsteun De stoelen van de bestuurder en voorpassagier zijn voor extra veiligheid en comfort voorzien van een hoofdsteun.
Veiligheidsysteem van uw auto OUB031005 OUB031006 OUB031007 Afstellen van de hoogte Hoger: trek de hoofdsteun omhoog om hem in de gewenste positie (1) te zetten. Lager: druk de ontgrendelknop (2) in en laat de hoofdsteun in de gewenste positie (3) zakken. Verwijderen en installeren Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).
Veiligheidsysteem van uw auto • Telkens als u op de toets drukt, verandert de temperatuurinstelling voor de stoel als volgt: ) → LAAG( ) → UIT → HOOG( • De standaardinstelling voor de stoelverwarming is UIT als het contact in stand ON wordt gezet. OUB031008 Stoelverwarming (indien van toepassing) Met de stoelverwarming kunnen de voorstoelen bij lage buitentemperaturen verwarmd worden.
Veiligheidsysteem van uw auto ✽ AANWIJZING Als de schakelaars voor de stoelverwarming in stand AAN staan, schakelt de stoelverwarming automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de stoel. OPMERKING • Gebruik voor het reinigen van de stoelen geen organisch oplosmiddel, zoals thinner, alcohol of wasbenzine. Hierdoor kan de stoelverwarming en de stoel zelf beschadigd worden.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING OPA039053 Afstellen van de achterbank Hoofdsteun (indien van toepassing) De zitplaatsen achterin zijn voor extra veiligheid en comfort van de inzittenden voorzien van hoofdsteunen. De hoofdsteun biedt niet alleen comfort, maar helpt tevens bij de bescherming van hoofd en nek van de inzittenden bij een aanrijding.
Veiligheidsysteem van uw auto Opklappen van de achterbank (indien van toepassing) De rugleuning achter kan worden opgeklapt om het vervoer van langere voorwerpen mogelijk te maken of de bagageruimte te vergroten. WAARSCHUWING OUB031017 Verwijderen en installeren (indien van toepassing) Trek de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog en druk vervolgens de ontgrendelknop (1) in om de hoofdsteun te verwijderen (2).
Veiligheidsysteem van uw auto OPMERKING • Let er bij het neerklappen of opklappen van de achterbank op dat de voorstoelen geheel naar voren geschoven zijn. Gebruik geen overmatige kracht als er onvoldoende ruimte is om de achterbank neer te klappen omdat hierdoor schade kan ontstaan aan de hoofdsteunen of de stoelen. • Verwijder de veiligheidsgordel voor gebruik uit de houder. Als u de veiligheidsgordel uitrolt terwijl deze nog in de houder zit, kan de gordel of de houder beschadigd raken.
Veiligheidsysteem van uw auto Terugklappen van de achterbank: 1. Til de rugleuning op en beweeg deze naar achteren om de achterstoel te kunnen gebruiken. Druk de rugleuning stevig naar achteren totdat deze vastklikt. Zorg ervoor dat de rugleuning vergrendeld is. Controleer na het rechtop zetten van de rugleuning altijd of de rugleuning goed vergrendeld is door tegen de bovenzijde van de rugleuning te drukken.
Veiligheidsysteem van uw auto OPMERKING - Voorkom beschadiging van de veiligheidsgordels achter Steek, wanneer u de rugleuning van de achterbank neerklapt, de gordelsluiting tussen de rugleuning en de zitting. Hierdoor wordt voorkomen dat de gordelsluiting beschadigd raakt. OPMERKING Veiligheidsgordels achter Vergeet niet bij het omhoog klappen van de rugleuning de schoudergordels in de juiste positie te plaatsen.
Veiligheidsysteem van uw auto VEILIGHEIDSGORDELS Veiligheidsgordels WAARSCHUWING • Voor een optimale bescherming moeten de veiligheidsgordels tijdens het rijden altijd gedragen worden. • De veiligheidsgordels zijn het meest effectief als de rugleuningen rechtop staan. • Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) Voorkomen moet worden dat de gordel in aanraking komt met polijstmiddelen, olie en chemicaliën, in het bijzonder accuzuur. De veiligheidsgordels kunnen op een veilige manier gereinigd worden met een milde zeepoplossing. De veiligheidsgordel moet worden vervangen als hij gerafeld, verontreinigd of beschadigd is. De veiligheidsgordel moet ook worden vervangen als hij gedragen is tijdens een zware aanrijding, ook al is de gordel niet zichtbaar beschadigd.
Veiligheidsysteem van uw auto Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet vastgemaakt is, zal gedurende ongeveer 6 seconden een waarschuwingszoemer klinken zodra het contact in stand ON wordt gezet. Dit gebeurt ook als de veiligheidsgordel weer losgemaakt wordt als het contact in stand ON staat. In dat geval stopt de zoemer onmiddellijk als de veiligheidsgordel is vastgemaakt.
Veiligheidsysteem van uw auto OUB031015 Achter (indien van toepassing) Als het contact in stand ON wordt gezet (motor loopt niet) terwijl de veiligheidsgordel van de achterpassagier niet is vastgemaakt, gaat het desbetreffende waarschuwingslampje branden tot de gordel is vastgemaakt. 3 18 Vervolgens gaat het desbetreffende waarschuwingslampje gedurende ongeveer 35 seconden branden als één van de volgende situaties zich voordoet; -u start de motor maar de veiligheidsgordel achter is niet vastgemaakt.
Veiligheidsysteem van uw auto Trek het bovenste bevestigingspunt (1) omhoog om het hoger af te stellen. Druk het bovenste bevestigingspunt omlaag (3) en houd daarbij de knop (2) ingedrukt om het bovenste bevestigingspunt lager af te stellen. Laat de knop los om het bovenste bevestigingspunt in de ingestelde positie te blokkeren. Probeer het bovenste bevestigingspunt omhoog of omlaag te schuiven om te controleren of het geblokkeerd is.
Veiligheidsysteem van uw auto ✽ AANWIJZING Als het u niet lukt om de veiligheidsgordel uit de blokkeerautomaat te trekken, trek dan krachtig aan de gordel en laat deze vervolgens los. U kunt dan de gordel gemakkelijk uittrekken. B200A02NF B180A01NF-1 Driepuntsgordel Vastmaken van uw gordel: Trek de gordel uit de blokkeerautomaat en plaats de metalen gesp (1) in de gordelsluiting (2). Wanneer de gesp in de gordelsluiting vergrendelt, is een klik hoorbaar.
Veiligheidsysteem van uw auto OUB031020 B210A01NF-1 OVI039066 Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER. (indien van toepassing) Losmaken van de gordel: De gordel kan worden losgemaakt door op de ontgrendelknop (1) van de gordelsluiting te drukken. Als de gordel losgemaakt is, moet hij automatisch oprollen. Controleer als dat niet gebeurt of de gordel niet gedraaid is en probeer het opnieuw.
Veiligheidsysteem van uw auto OHM039105N Te hoog OAM039023 B210A02NF-1 Gebruik voor het bevestigen van de middelste veiligheidsgordel achter de gordelsluiting met de aanduiding CENTER. Losmaken van de gordel: Druk op de knop (1) van de gordelsluiting om de gordel los te maken. WAARSCHUWING Korter maken Correct 220B01NF/H Een tweepuntsheupgordel moet handmatig zo worden afgesteld dat hij strak aanligt over uw heupen. Zet de gordel vast en trek aan het losse uiteinde om de gordel strak te trekken.
Veiligheidsysteem van uw auto OED030300 Gordelspanner veiligheidsgordel (indien van toepassing) De veiligheidsgordels van de bestuurder en voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende ligt bij bepaalde frontale aanrijdingen. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING Voor een optimale werking van de gordelspanner: 1. De veiligheidsgordel moet goed werken en goed afgesteld zijn. Lees a.u.b. de informatie en de voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheidssystemen - inclusief veiligheidsgordels en airbags - in uw auto in deze handleiding zorgvuldig door en volg de aanwijzingen op. 2. Zorg ervoor dat u en uw passagiers de veiligheidsgordels te allen tijde op de juiste manier dragen.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING • Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Nadat een gordelspanner is geactiveerd, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. • Het mechanisme van de gordelspanners wordt tijdens het activeren heet. Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn. • Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren of te vervangen.
Veiligheidsysteem van uw auto Baby's en kleine kinderen Houd u bij het vervoer van baby's en kleine kinderen aan de wettelijke voorschriften. Baby- en kinderzitjes moeten op de juiste manier op de achterbank worden geplaatst en gemonteerd. Raadpleeg voor meer informatie over baby- en kinderzitjes "Kinderzitjes" in dit hoofdstuk. WAARSCHUWING Elke inzittende in uw auto moet gebruik maken van de juiste beschermende systemen, inclusief baby's en kleine kinderen.
Veiligheidsysteem van uw auto Probeer het kind verder naar het midden plaats te laten nemen wanneer het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt. Maak gebruik van een kinderzitje wanneer de schoudergordel hun gezicht of hals nog steeds raakt. WAARSCHUWING Schoudergordels en kleine kinderen • Laat een schoudergordel nooit het gezicht of de hals van een kind raken tijdens het rijden.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING Als de rugleuning te ver horizontaal staat, neemt de kans op letsel bij een aanrijding of een noodstop aanzienlijk toe. De bescherming die de veiligheidssystemen (veiligheidsgordels en airbags) bieden, neemt aanzienlijk af als de rugleuning te ver horizontaal staat. De veiligheidsgordel moet strak over uw heupen en borst lopen voor een maximale effectiviteit.
Veiligheidsysteem van uw auto KINDERZITJES Om de kans op letsel bij een ongeval, hard remmen of plotselinge manoeuvre te minimaliseren, kunnen kinderen het beste op de achterbank zitten en dienen ze altijd goed beschermd te zijn. Volgens ongevallenstatistieken zijn kinderen veiliger in een kinderzitje op de achterbank dan in een kinderzitje op de voorstoel. Grotere kinderen die niet in een kinderzitje zitten, dienen een van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels te gebruiken.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING Om de kans op ernstig letsel te beperken: • Kinderen van elke leeftijd zijn veiliger als ze op de achterbank vervoerd worden. Een kind dat op de voorpassagiersstoel vervoerd wordt, kan ernstig letsel oplopen door een airbag die wordt geactiveerd. • Volg altijd de montage-instructies en de aanwijzingen voor het gebruik van de fabrikant van het kinderzitje.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Laat na een ongeval het kinderzitje, de veiligheidsgordels, de bevestigingsband en het onderste bevestigingspunt controleren door een officiële KIA-dealer. • Als er niet genoeg ruimte is om het kinderzitje achter de bestuurdersstoel te plaatsen, plaats dan het zitje op de zitplaats rechts achter. • Zet een kinderzitje altijd vast, ook al wordt het niet gebruikt. Een los kinderzitje kan bij een aanrijding of een noodstop door de auto worden geslingerd.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING Plaatsen van het kinderzitje • Een kind kan bij een aanrijding ernstig letsel oplopen als het kinderzitje niet goed gemonteerd is of als het kind niet goed vastgezet is in het kinderzitje. Lees voor u het kinderzitje installeert eerst de handleiding van de fabrikant. • Als de veiligheidsgordel niet functioneert zoals beschreven staat, ga dan onmiddellijk naar uw officiële KIA-dealer om het systeem na te laten kijken.
Veiligheidsysteem van uw auto 3. Voer de heupgordel door het kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant. 4. Maak de gordel vast en stel de heupgordel af door aan het losse uiteinde van de gordel te trekken zodat deze goed om het kinderzitje past. Controleer na het installeren of het kinderzitje goed vastzit door het in alle richtingen te bewegen. MMSA3030 3. Maak de gordel vast en zorg ervoor dat de gordel overal goed aansluit.
Veiligheidsysteem van uw auto ■ Type A WAARSCHUWING Bevestigingsband OUB031010 ■ Type B OUB031013 OUB031011 Monteren van een kinderzitje met behulp van een systeem met bevestigingsbanden (indien van toepassing) De haakhouders voor het kinderzitje bevinden zich op de vloer achter de achterbank. 3 34 1. Voer de band van het kinderzitje over de rugleuning. Voer bij voertuigen met verstelbare hoofdsteun de band onder de hoofdsteun en tussen de stijlen van de hoofdsteun door.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING Controle van een kinderzitje Controleer of het kinderzitje goed vastzit door te proberen het in verschillende richtingen te duwen en te trekken. Een niet goed gemonteerd kinderzitje kan kantelen, verdraaien, overhellen of losraken, waardoor ernstig letsel kan ontstaan. WAARSCHUWING Bevestigingspunten voor een kinderzitje • De bevestigingspunten zijn alleen berekend op de belasting die er op wordt uigeoefend door een juist gemonteerd kinderzitje.
Veiligheidsysteem van uw auto OTA030014 Aan de onderzijde van de rugleuningen achter zijn symbolen aangebracht. Deze symbolen geven aan waar zich de onderste bevestigingspunten voor de kinderzitjes bevinden, indien van toepassing. Beide buitenste zitplaatsen achter zijn uitgerust met ISOFIXbevestigingspunten en een bijbehorende bevestiging voor de bovenste band op de achterzijde van de rugleuning.
Veiligheidsysteem van uw auto Vastzetten van het kinderzitje: 1. Om het kinderzitje vast te zetten in het ISOFIX-bevestigingspunt dient u de vergrendeling van het kinderzitje in het ISOFIX-bevestigingspunt vast te klikken. Controleer of een klikkend geluid hoorbaar is. OPMERKING Zorg dat het materiaal van de veiligheidsgordel achter tijdens het plaatsen niet beschadigd wordt of bekneld raakt tussen de ISOfixbevestigingen. 2.
Veiligheidsysteem van uw auto Geschiktheid kinderzitje voor gebruik van de veiligheidsgordel Gebruik kinderzitjes die officieel goedgekeurd zijn en die geschikt zijn voor uw kinderen. Zie de volgende tabel voor het gebruik van kinderzitjes.
Veiligheidsysteem van uw auto Geschikte ISOfix-bevestigingspunten voor een kinderzitje - Europa ISOFIX-bevestigingspunten Gewichtsgroep Afmetingen Bevestiging Voorpassagier Buitenste achter Buitenste achter (Bestuurderszijde) (Passagierszijde) Middelste achter F ISO/L1 - X X - G ISO/L2 - X X - 0: tot 10 kg E ISO/R1 - X X - E ISO/R1 - X X - 0+: tot 13 kg D ISO/R2 - X X - C ISO/R3 - X X - D ISO/R2 - X X - C ISO/R3 - X X - B ISO/F2 - IUF IUF - B
Veiligheidsysteem van uw auto Aanbevolen kinderzitjes - Europa Gewichtsgroep Naam Fabrikant Group 0-1 (0 ~ 18kg) FAIR G0/1 S Fair S.r.l Group 1 (9 ~ 18kg) FAIR G0/1 S Fair S.r.l CRS-fabrikantinformatie FAIR http://www.fairbimbofix.com 3 40 Type bevestiging Met het gezicht naar achteren gericht met specifiek ISOFIX-platform, type D Met het gezicht naar voren gericht met specifiek ISOFIX-platform, type “I” ECE-R 44 Goedkeuringsnr.
Veiligheidsysteem van uw auto AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) (1) Airbag bestuurder* (2) Airbag voorpassagier* (3) Zijairbag* (4) Curtain airbag* (5) ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier* *: indien van toepassing WAARSCHUWING Zelfs in auto’s uitgerust met airbags, dienen u en uw passagiers te allen tijde de aanwezige veiligheidsgordels te dragen om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij het over de kop slaan van de auto te beperken.
Veiligheidsysteem van uw auto Werking van airbagsysteem • De airbags kunnen alleen worden geactiveerd als het contact in stand ON of START staat. • De airbags worden bij zwaardere aanrijdingen van voren of opzij (indien zijairbags en/of curtain airbags aanwezig zijn) onmiddellijk geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen letsel. • Er is geen bepaalde snelheid waarbij de airbags worden geactiveerd.
Veiligheidsysteem van uw auto Geluid en rookontwikkeling Bij het opblazen van de airbags is een hard geluid hoorbaar en komt rook en poeder vrij. Dit is normaal en wordt veroorzaakt doordat het ontstekingsmechanisme van de airbag geactiveerd wordt. Nadat de airbags opgeblazen zijn, kunt u een poosje last hebben bij het ademhalen doordat uw borstkas in contact is geweest met zowel de veiligheidsgordel als de airbag en doordat u de rook en het poeder hebt ingeademd.
Veiligheidsysteem van uw auto Als uw auto is voorzien van een ON/OFF-schakelaar voor de airbag voorpassagier, kan de airbag van de voorpassagier indien nodig worden in- of uitgeschakeld. WAARSCHUWING • Plaats nooit een kinderzitje dat tegen de rijrichting in moet worden geplaatst op een stoel waarvoor een airbag zit. • Gebruik nooit een kinderzitje op de voorstoel. Als de airbag voorpassagier wordt geactiveerd, zou dit ernstig letsel kunnen veroorzaken.
Veiligheidsysteem van uw auto OPMERKING OUB031023 OUB031024 Controlelampje airbag voorpassagier AAN (indien van toepassing) Controlelampje airbag voorpassagier UIT (indien van toepassing) Het controlelampje airbag voorpassagier AAN brandt gedurende ongeveer 4 s nadat het contact in stand ON is gezet. Het controlelampje airbag voorpassagier AAN zal tevens branden wanneer de AAN/UIT-schakelaar voor de airbag in de stand AAN wordt gezet, maar gaat uit na ongeveer 60 s.
Veiligheidsysteem van uw auto 9. ON/OFF-schakelaar airbag voorpassagier* 10. Controlelampje airbag voorpassagier AAN/UIT* *: indien van toepassing OUB031036 Onderdelen aanvullend veiligheidssysteem en functies De onderdelen van het aanvullend veiligheidssysteem zijn: 1. Airbag bestuurder* 2. Airbag voorpassagier* 3. Zijairbags* 4. Curtain airbags* 5. Blokkeerautomaten met gordelspanners* 6. Waarschuwingslampje AIRBAG 7. Airbagmodule (SRSCM) 8.
Veiligheidsysteem van uw auto Airbag bestuurder (1) Airbag bestuurder (2) Airbag bestuurder (3) B240B01L B240B02L B240B03L De airbags vóór bevinden zich in het stuurwiel en boven het dashboardkastje. Als de SRSCM oordeelt dat de kracht waaraan de voorzijde van de auto wordt blootgesteld een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, activeert hij automatisch de airbags vóór. Als de airbags geactiveerd worden, scheuren de afdekkappen op vooraf bepaalde plaatsen open als gevolg van de zich vullende airbags.
Veiligheidsysteem van uw auto Airbag voorpassagier WAARSCHUWING B240B05L WAARSCHUWING • Plaats geen accessoires (bekerhouder, cassettehouder) of stickers enz. op het paneel boven het dashboardkastje in auto's met een airbag voorpassagier. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de airbag voorpassagier geactiveerd wordt. • Plaats een eventuele luchtverfrisser ook niet in de buurt van het instrumentenpaneel of op het dashboard.
Veiligheidsysteem van uw auto Dat uw auto voorzien is van een dergelijk systeem blijkt uit de letters AIR BAG die in reliëf aanwezig zijn op het stuurwiel en op het paneel boven het dashboardkastje. Airbag bestuurder Het aanvullend veiligheidssysteem bestaat uit airbags die zich bevinden in het stuurwiel en boven het dashboardkastje.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Vervoer kinderen altijd op de achterbank met de veiligheidsgordels om. Dat is de veiligste plaats voor kinderen van alle leeftijden. • De airbags vóór en de zijairbags kunnen letsel veroorzaken als de inzittenden voor niet in de juiste positie zitten. • Zet uw stoel zo ver mogelijk naar achteren, waarbij u er wel op moet letten dat u alle bedieningsorganen nog goed kunt bereiken.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Een kinderzitje dient op de achterbank geplaatst te worden. Het kind kan ernstig letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd. • Kinderen tot en met 12 jaar moeten altijd plaatsnemen op de achterbank en de gordel op de juiste manier dragen. Laat kinderen nooit op de passagiersstoel meerijden.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING De AAN/UIT-schakelaar van de voorpassagiersairbag zou kunnen worden bediend met een vergelijkbaar klein en stevig voorwerp. Controleer altijd de stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier en het controlelampje airbag voorpassagier UIT. OUB031029 In- en uitschakelen van de airbag voorpassagier: Steek om de airbag voorpassagier uit te schakelen de hoofdsleutel in de ON/OFF-schakelaar voor de airbag en zet deze in de stand OFF.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Laat de ON/OFF-schakelaar voor de airbag, het gordelspannersysteem en het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje AIRBAG knippert of niet gaat branden als het contact in stand ON wordt gezet of gaat branden tijdens het rijden. WAARSCHUWING • De bestuurder is verantwoordelijk voor de juiste stand van de ON/OFF-schakelaar van de airbag voorpassagier.
Veiligheidsysteem van uw auto De zijairbags zijn ontworpen om alleen tijdens bepaalde aanrijdingen van opzij geactiveerd te worden, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, de hoek, de snelheid en de plaats van de impact. De zijairbags zijn niet ontworpen om bij alle aanrijdingen van opzij opgeblazen te worden. Voorstoel WAARSCHUWING OUB031030 OLM032310L Zijairbag (indien van toepassing) Beide voorstoelen van uw auto zijn uitgerust met een zijairbag.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Plaats geen accessoires op of in de buurt van de zijairbag. (inclusief label zijairbag) • Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf. • Plaats geen voorwerpen (paraplu, tas, enz.) tussen het voorportier en de voorstoel. Dergelijke voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden en letsel veroorzaken wanneer de zijairbag geactiveerd wordt. • Sla niet op de zijairbagsensor wanneer het contact in stand ON staat.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING • De zijairbags en curtain airbags bieden een optimale bescherming als de inzittenden zo ver mogelijk rechtop zitten en hun gordel op de juiste manier dragen. Vooral voor kinderen is het belangrijk dat ze in een geschikt kinderzitje op de achterbank plaatsnemen. • Als kinderen plaatsnemen op een van de buitenste zitplaatsen achterin, moeten ze in een geschikt kinderzitje plaatsnemen. Plaats het kinderzitje zo ver mogelijk weg van het portier en zet het goed vast.
Veiligheidsysteem van uw auto Waarom werd de airbag bij een aanrijding niet opgeblazen? (Voorwaarden voor wel of niet activeren van de airbags) 1 Er zijn veel soorten ongevallen waarbij de airbag geen aanvullende bescherming biedt. Voorbeelden hiervoor zijn aanrijdingen van achter, tweede en volgende stoten bij een kettingbotsing en aanrijdingen bij lage snelheid. Met andere woorden, wees niet verrast wanneer de airbag(s) niet opgeblazen werd(en) hoewel uw auto beschadigd of zelfs total loss is.
Veiligheidsysteem van uw auto WAARSCHUWING • Let op dat u niet tegen plaatsen aanstoot waar de airbags of airbagsensoren zijn ingebouwd. Anders kan de airbag onverwacht geactiveerd worden waardoor ernstig persoonlijk letsel op kan treden. • Als de inbouwpositie van de airbagsensoren wordt gewijzigd, kan dit ertoe leiden dat de airbags worden geactiveerd in situaties waarin dit niet nodig is, of dat de airbags niet worden geactiveerd in situaties waar het wel nodig is.
Veiligheidsysteem van uw auto OVQ036018N Hoewel de airbags vóór (voor bestuurder en voorpassagier) ontworpen zijn voor frontale aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen waarbij een bepaalde vertraging in de lengterichting optreedt, worden geactiveerd. Ofschoon de zijairbags en gordijnairbags zijn ontworpen voor zijdelingse aanrijdingen, kunnen ze ook bij andere aanrijdingen, waarbij een bepaalde vertraging in de dwarsrichting optreedt, worden geactiveerd.
Veiligheidsysteem van uw auto OED036100 OVQ036018N 1VQA2089 • De airbags zijn niet ontworpen om te worden geactiveerd bij aanrijdingen van achter, omdat de inzittenden dan door de botskracht naar achteren worden gedrukt. In dergelijke gevallen biedt het activeren van de airbags geen extra voordelen. • De airbags vóór worden bij zijdelingse aanrijdingen soms niet geactiveerd. De inzittenden bewegen altijd in de richting van de aanrijding, waardoor het activeren van de airbags vóór overbodig kan zijn.
Veiligheidsysteem van uw auto OED036103 1VQA2091 OED036105 • Net voor een aanrijding remmen bestuurders vaak sterk af. Door zo sterk af te remmen, zakt de voorzijde van de auto in, waardoor deze gemakkelijker onder een voertuig met een grotere grondspeling zou kunnen schieten. De airbags worden in een dergelijke situaties soms niet geactiveerd omdat de deceleratie die door de sensoren gemeten wordt, lager is dan de deceleratie die zou worden gemeten als de auto niet onder de voorligger zou schuiven.
Veiligheidsysteem van uw auto Onderhoud aan aanvullend veiligheidssysteem Het aanvullend veiligheidssysteem is nagenoeg onderhoudsvrij en bevat geen onderdelen waaraan u zelf veilig onderhoud kunt plegen. Als het airbagwaarschuwingslampje niet gaat branden wanneer u het contact in stand ON zet, of als het continu blijft branden, laat uw auto dan onmiddellijk nakijken door een officiële KIA-dealer.
Veiligheidsysteem van uw auto (Vervolg) • Als onderdelen van het airbagsysteem moeten worden afgevoerd of als de auto in zijn geheel moet worden afgevoerd, moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de veiligheid in acht worden genomen. Een officiële KIA-dealer kent deze voorzorgsmaatregelen en kan u de benodigde informatie verstrekken. Het niet opvolgen van deze voorzorgsmaatregelen en procedures vergroot de kans op persoonlijk letsel.
Veiligheidsysteem van uw auto • Bevestig geen voorwerpen aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags. Voorwerpen die bevestigd zijn aan of in de buurt van de afdekkappen van de airbags vóór of de zijairbags kunnen een juiste werking van de airbags in negatieve zin beïnvloeden. • Modificeer de voorstoelen niet. Modificatie van de voorstoelen kan de werking van de sensoren van het aanvullend veiligheidssysteem of van de zijairbags in negatieve zin beïnvloeden. • Plaats niets onder de voorstoelen.
Veiligheidsysteem van uw auto Deze verplichte waarschuwingen hebben met name betrekking op het risico voor kinderen. KIA wil hierbij ook graag wijzen op de risico's voor volwassenen. Deze risico's zijn beschreven op de voorafgaande bladzijden. OUB031034 OUB031035 Waarschuwingslabel airbags (indien van toepassing) Het waarschuwingslabel van de airbags is bedoeld om de bestuurder en passagiers te waarschuwen voor de mogelijke gevaren van het airbagsysteem.
Sleutels / 4-3 Portiervergrendeling met afstandsbediening / 4-7 Smart key / 4-10 Antidiefstalsysteem / 4-13 Sloten / 4-17 Achterklep / 4-22 Ruiten / 4-25 Motorkap / 4-30 Kenmerken van uw auto Tankdopklep / 4-32 Schuif-/kanteldak / 4-35 Stuurwiel / 4-40 Spiegels / 4-43 Instrumentenpaneel / 4-46 Parkeerhulp / 4-79 Achteruitrijcamera / 4-83 Alarmknipperlichten / 4-84 Verlichting / 4-85 Ruitenwissers en ruitensproeiers / 4-92 Interieurverlichting / 4-96 Ontwaseming / 4-99 Handbediend verwarmings- en ventilatie
Kenmerken van uw auto Voorruit ontdooien en ontwasemen / 4-119 Opbergvak / 4-123 Overige voorzieningen / 4-127 Audiosysteem / 4-134 Kenmerken van uw auto 4 4 2
Kenmerken van uw auto SLEUTELS Noteer het sleutelnummer ■ Type B ■ Type A Het sleutelnummer is ingeslagen in het sleutelplaatje. Door dit nummer kan een officiële KIA-dealer bij verlies eenvoudig een sleutel bijbestellen. Verwijder het plaatje en bewaar dit op een veilige plaats. Noteer daarnaast het nummer en bewaar dit op een veilige plaats buiten de auto. OFD047002-A/OED036001A OAM049096L Type A Wordt gebruikt om de motor te starten en de portieren te vergrendelen en ontgrendelen.
Kenmerken van uw auto ■ Type C WAARSCHUWING Contactsleutel OTA040001 Type C Houd om de mechanische sleutel te verwijderen de ontgrendelknop ingedrukt en neem de mechanische sleutel uit. Druk om de mechanische sleutel te plaatsen de sleutel in de opening totdat u een klikkend geluid hoort. 4 4 Kinderen alleen achterlaten in de auto met de contactsleutel is gevaarlijk, zelfs als de contactsleutel niet in het contact steekt.
Kenmerken van uw auto OED036001A Startblokkeersysteem (indien van toepassing) Uw auto is uitgerust met een elektronisch startblokkeersysteem om de kans op ongeoorloofd gebruik te verminderen. De startblokkering bestaat uit een kleine transponder in de contactsleutel en elektronische systemen in de auto. Wanneer u uw contactsleutel in het contactslot steekt en het contact in stand ON zet, controleert het startblokkeersysteem of de sleutel geldig is.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING Bewaar geen reservesleutels in uw auto, om diefstal van uw auto te voorkomen. Uw wachtwoord van de startblokkering is uniek en strikt persoonlijk. Bewaar het nummer niet ergens in uw auto. ✽ AANWIJZING Houd bij het starten van de motor andere sleutels met transponder uit de buurt. Anders start de motor mogelijk niet of kan hij vlak na het aanslaan weer afslaan. Bewaar de sleutels die u bij uw auto krijgt gescheiden van elkaar om problemen te voorkomen.
Kenmerken van uw auto PORTIERVERGRENDELING MET AFSTANDSBEDIENING (INDIEN VAN TOEPASSING) Werking centrale portiervergrendeling met afstandsbediening ■ Type A OAM049096L ■ Type B OTA040002 Vergrendelen (1) Alle portieren (en de achterklep) worden vergrendeld als de vergrendeltoets wordt ingedrukt terwijl alle portieren zijn gesloten. De alarmknipperlichten knipperen een keer om aan te geven dat alle portieren zijn vergrendeld.
Kenmerken van uw auto Voorzorgsmaatregelen afstandsbediening ✽ AANWIJZING In de volgende omstandigheden werkt de afstandsbediening niet: • Als de contactsleutel in het contactslot zit. • Als de afstandsbediening buiten het bereik is van de ontvanger (ongeveer 10 m [30 feet]). • Als de batterij in de afstandsbediening (bijna) leeg is. • Als het signaal wordt geblokkeerd door andere auto's of objecten. • Als de buitentemperatuur extreem laag is.
Kenmerken van uw auto De afstandsbediening is voorzien van een lithium batterij van 3 V, die bij normaal gebruik enkele jaren meegaat. Vervang de batterij op de volgende manier. 1. Plaats een smal stukje gereedschap in de opening in wip het middelste dekseltje van de afstandsbediening los. 2. Vervang de batterij door een nieuwe (CR2032 - Type A en B, CR1632 Type C). Plaats de nieuwe batterij op de aangegeven manier met de pluskant "+" naar boven gericht. 3.
Kenmerken van uw auto SMART KEY (INDIEN VAN TOEPASSING) ■ Type A OTA040003 ■ Type B OUB041004 Smart Key-functies Wanneer u de Smart Key bij u hebt, kunt u de portieren (en de achterklep) vergrendelen en ontgrendelen. U kunt ook de motor starten. Meer informatie hierover vindt u in de volgende paragraaf. OTAR042240 Met de Smart Key kunt u de portieren (en achterklep) ver- en ontgrendelen en zelfs de motor starten zonder dat u de sleutel ergens in hoeft te steken.
Kenmerken van uw auto Als u wilt controleren of een portier is vergrendeld, kunt u het beste de vergrendelknop in de auto controleren (behalve Europa) of aan de portiergreep aan de buitenzijde trekken. Hoewel u op de toetsen van de portiergrepen aan de buitenzijde hebt gedrukt, worden de portieren niet vergrendeld en klinkt de zoemer gedurende 3 seconden als zich een van de volgende situaties voordoet: • De Smart Key bevindt zich in de auto. • De toets ENGINE START/STOP staat in de stand ACC of ON.
Kenmerken van uw auto Voorzorgsmaatregelen voor de Smart Key ✽ AANWIJZING • Als u de Smart Key verliest, kunt u de motor niet starten. Laat de auto, indien nodig, wegslepen en neem contact op met een officiële KIAdealer. • Er kunnen per auto maximaal 2 Smart Keys worden geregistreerd. Als u een Smart Key verliest, dient u de auto onmiddellijk naar een officiële KIA-dealer te brengen om diefstal te voorkomen.
Kenmerken van uw auto ANTIDIEFSTALSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) Alarm ingeschakeld Alarm ingeschakeld Alarm uitgeschakeld Alarm geactiveerd OJC040170 Op auto's die zijn uitgerust met een antidiefstalsysteem is een sticker aangebracht met de volgende tekst: 1. WARNING (WAARSCHUWING) 2. SECURITY SYSTEM (VEILIGHEIDSSYSTEEM) Dit systeem is ontworpen om inbraak in de auto te voorkomen. Het systeem heeft drie standen: de eerste is "ingeschakeld", de tweede is "geactiveerd" en de derde is "uitgeschakeld".
Kenmerken van uw auto • Vergrendel de portieren door op de vergrendeltoets van de Smart Key te drukken. Na het voltooien van bovenstaande stappen knipperen de alarmknipperlichten eenmaal om aan te geven dat het alarm is ingeschakeld. Als een portier (en de achterklep) of de motorkap open is, werken de alarmknipperlichten niet en schakelt het antidiefstalsysteem niet in. Als hierna alle portieren (en de achterklep) en de motorkap zijn gesloten, knipperen de alarmknipperlichten eenmaal.
Kenmerken van uw auto Alarm geactiveerd Alarm uitgeschakeld Het alarm wordt geactiveerd als een van de volgende situaties zich voordoet terwijl het alarm is ingeschakeld. • Een portier wordt geopend zonder de afstandsbediening (of Smart Key). • De achterklep wordt geopend zonder de afstandsbediening (of Smart Key). • Als de motorkap wordt geopend. De claxon klinkt en de alarmknipperlichten knipperen continu gedurende ongeveer 30 seconden.
Kenmerken van uw auto OPMERKING Breng geen wijzigingen aan in het antidiefstalsysteem, anders kan het systeem defect raken. Laat het systeem indien nodig controleren en repareren door een officiële KIAdealer. Storingen veroorzaakt door onjuiste afstelling of eigenhandige aanpassingen van het antidiefstalsysteem vallen niet onder de fabrieksgarantie.
Kenmerken van uw auto SLOTEN Ontgrendelen Ve r g r e n d e l d OUB041005 Portiersloten van buitenaf vergrendelen/ontgrendelen Mechanische sleutel • Draai de sleutel richting de achterzijde van de auto om te ontgrendelen en richting de voorzijde van de auto om te vergrendelen. • Als het portier met een sleutel wordt vergrendeld/ontgrendeld, zullen alle portieren en de achterklep worden vergrendeld/ontgrendeld.
Kenmerken van uw auto Vergrendel OUB041006 Wat te doen in noodgevallen (indien van toepassing) Als de schakelaar centrale vergrendeling niet werkt, kunnen de portieren alleen van buitenaf met de contactsleutel worden vergrendeld. De portieren zonder portierslot aan de buitenzijde kunnen als volgt vergrendeld worden; 1. Open het portier. 2. Steek de sleutel in het noodportierslot en draai de sleutel horizontaal om te vergrendelen. 3. Sluit het portier op de juiste manier.
Kenmerken van uw auto • Als u op de ontgrendelschakelaar van de centrale portiervergrendeling drukt, zullen alle portieren ontgrendeld worden. Ve r g r e n d e l d ✽ AANWIJZING Als de portieren eenmaal zijn vergrendeld met de afstandsbediening of Smart Key, kunnen de portieren niet worden ontgrendeld met de schakelaar voor de centrale portiervergrendeling/ontgrendeling.
Kenmerken van uw auto • Als de Smart Key zich in de auto bevindt en een portier wordt geopend, kunnen de portieren niet worden vergrendeld, ook al wordt het voorste deel (1) van de schakelaar centrale vergrendeling ingedrukt. Bestuurdersportier WAARSCHUWING Portieren OUB041010 Met schakelaar portiervergrendeling (indien van toepassing) Schakel deze in door de toets portiervergrendeling in te drukken.
Kenmerken van uw auto Portierontgrendelsysteem (indien van toepassing) Het achterportier kan worden geopend met de buitenste handgreep. Zelfs als het achterportier niet is vergrendeld, kan het portier niet met de binnenste portiergreep worden geopend, totdat het kinderslot wordt uitgeschakeld. Alle portieren worden automatisch ontgrendeld wanneer de airbags door een aanrijding worden geactiveerd.
Kenmerken van uw auto ACHTERKLEP ✽ AANWIJZING In een koud en nat klimaat werken de portiervergrendeling en portiermechanismen mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen. WAARSCHUWING OUB041012 Open van de achterklep ■ Type A • De achterklep wordt vergrendeld of ontgrendeld door de sleutel in de vergrendel- of ontgrendelstand te zetten. • Indien de achterklep is ontgrendeld, kunt u hem openen door de hendel in te drukken en de klep omhoog te trekken.
Kenmerken van uw auto OPMERKING Zorg dat er niets bij het slot en de slotvanger van de achterklep zit als u de achterklep sluit. Hierdoor kan het slot van de achterklep beschadigd raken. WAARSCHUWING OUB041014 Sluiten van de achterklep Trek de achterklep naar beneden en druk hem stevig vast om hem te sluiten. Zorg ervoor dat de achterklep goed vergrendeld is. WAARSCHUWING Controleer of er zich geen handen, voeten en andere lichaamsdelen in de buurt bevinden voordat u de achterklep sluit.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING OUB041015 Noodontgrendeling (alleen Type B) achterklep Uw auto is uitgerust met een ontgrendelknop aan de onderzijde van de achterklep om de achterklep in geval van nood vanaf de binnenzijde van de auto te kunnen openen. Als iemand per ongeluk ingesloten is in de bagageruimte, de achterklep kan geopend worden door de volgende handelingen uit te voeren: 1. Verwijder de afdekkap. 2. Druk de ontgrendelhendel naar rechts. 3. Druk de achterklep omhoog.
Kenmerken van uw auto RUITEN (1) Schakelaar ruitbediening bestuurdersportier (2) Schakelaar ruitbediening passagiersportier (3) Schakelaar ruitbediening achterportier (links)* (4) Schakelaar ruitbediening achterportier (rechts)* (5) Ruiten openen en sluiten (6) Automatische ruitbediening* (ruit bestuurdersportier) (7) Blokkeerschakelaar ruitbediening * : indien van toepassing ✽ AANWIJZING In een koud en nat klimaat werken de elektrisch bedienbare ruiten mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen.
Kenmerken van uw auto Elektrisch bedienbare ruiten (indien van toepassing) Om de ruiten elektrisch te kunnen bedienen moet het contact in stand ON staan. Ieder portier is voorzien van een schakelaar voor de bediening van de desbetreffende ruit. De bestuurder beschikt echter over een blokkeerschakelaar waarmee de ruitbediening van de schakelaars op de overige portieren uitgeschakeld kan worden. De ruiten kunnen worden bediend tot ca.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING De klembeveiliging voor de portierruit aan bestuurderszijde werkt alleen als de automatische sluitfunctie wordt geactiveerd door de schakelaar geheel omhoog te trekken. De automatische omkeerfunctie werkt niet als de ruit handmatig, met de schakelaar ruitbediening in de eerste stand, wordt bediend.
Kenmerken van uw auto OPMERKING OUB041020 Blokkeertoets ruitbediening (indien van toepassing) • De bestuurder kan de schakelaars van de ruitbediening voor een portier uitschakelen door de blokkeerschakelaar in het bestuurdersportier in te drukken. • Als de blokkeerschakelaar van de ruitbediening in stand LOCK staat (ingedrukt) kunnen alle elektrisch bedienbare ruiten worden bediend met de hoofdschakelaar in het bestuurdersportier. 4 28 • Open of sluit telkens maar één ruit tegelijk.
Kenmerken van uw auto OSA028222 Handmatig bedienbare ruiten (indien van toepassing) Om de ruit te sluiten of te openen draait u de ruitslinger rechtsom of linksom. WAARSCHUWING Controleer voordat een ruit gesloten wordt of er zich geen armen, handen of andere lichaamsdelen in de buurt van de ruitopening bevinden.
Kenmerken van uw auto MOTORKAP OUB041021 OUB041022 OUB041023 1. Trek aan de ontgrendelknop om de motorkap te ontgrendelen. De motorkap komt iets omhoog. 2. Ga naar de voorzijde van de auto en til de motorkap iets op. Druk de veiligheidshaak (1) in het midden van de motorkap naar u toe en til de motorkap omhoog (2). 3. Trek de steun uit de motorkap. 4. Ondersteun de motorkap met de steun.
Kenmerken van uw auto Sluiten van motorkap 1. Controleer de volgende punten alvorens de motorkap te sluiten: • Of alle vuldoppen correct teruggeplaatst zijn. • Of er geen handschoenen, doeken of andere brandbare materialen in de motorruimte zijn achtergebleven. 2. Zet de steun vast in de clip om te voorkomen dat hij gaat rammelen. 3. Laat de motorkap zakken tot ongeveer 30 cm (1 ft) boven zijn gesloten positie en laat de motorkap los. Controleer of de motorkap vergrendeld is.
Kenmerken van uw auto TANKDOPKLEP Sluiten van de tankdopklep 1. Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat deze klikt. Dat geeft aan dat de dop goed vastzit. 2. Sluit de tankdopklep en druk deze goed dicht. WAARSCHUWING Tanken OUB041024 Openen van de tankdopklep De tankdopklep moet van binnenuit worden geopend door aan de ontgrendelingshendel te trekken.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING Gevaren bij het tanken Brandstof is licht ontvlambaar. Neem bij het tanken de volgende richtlijnen in acht. Het niet opvolgen van deze richtlijnen kan leiden tot ernstig persoonlijk letsel als gevolg van brand of een explosie. • Lees alle waarschuwingen bij het tankstation en neem ze in acht. • Kijk vóór het tanken altijd of er een noodknop voor het afsluiten van de brandstof is bij de brandstofpomp.
Kenmerken van uw auto OPMERKING • Tank alleen de brandstof die in paragraaf 1 vermeld is onder “Vereiste brandstof”. • Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele KIA-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het emissieregelsysteem veroorzaken. • Mors geen brandstof op de buitenzijde van de auto. Brandstof kan de lak aantasten.
Kenmerken van uw auto SCHUIF-/KANTELDAK (INDIEN VAN TOEPASSING) ✽ AANWIJZING ✽ AANWIJZING • In een koud en nat klimaat werkt het schuif-/kanteldak mogelijk niet door bevriezingsverschijnselen. • Veeg na het wassen van de auto en na een regenbui het schuif-/kanteldak eerst droog alvorens het te openen. Het schuif-/kanteldak kan niet opengeschoven worden wanneer het gekanteld is en niet gekanteld worden als het geopend is.
Kenmerken van uw auto Het schuif-/kanteldak automatisch openen: Trek de hendel van het schuif-/kanteldak naar achteren in de tweede stand en laat deze dan los. Het schuif-/kanteldak zal volledig openschuiven. Beweeg de hendel kort naar voren of naar achteren om het schuiven van het schuif-/kanteldak te stoppen. OUB041027 Open-/dichtschuiven van het schuif-/kanteldak Trek om het schuif-/kanteldak te openen de hendel naar achteren. Druk om het schuif-/kanteldak te sluiten de hendel naar voren.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING WAARSCHUWING Schuif-/kanteldak • Houd nooit tijdens het sluiten van het dak een lichaamsdeel in de opening van het schuif/kanteldak om de klembeveiliging te testen. • De klembeveiliging werkt mogelijkerwijs niet als er iets klem komt te zitten vlak voor het schuif-/kanteldak volledig is gesloten. OUB041028 Kantelen van het schuif/kanteldak Om het schuif-/kanteldak te openen trekt u de hendel omhoog totdat het schuif/kanteldak in de gewenste stand staat.
Kenmerken van uw auto Resetten van het schuif/kanteldak OPMERKING • Verwijder van tijd tot tijd het vuil dat zich verzameld heeft op de geleiderail. • Wanneer u het schuif-/kanteldak probeert te openen bij temperaturen onder het vriespunt, of als het dak bedekt is met sneeuw of ijs, kan het glaspaneel of de motor beschadigd raken. • Het zonnescherm schuift gelijktijdig met het schuif/kanteldak open. Laat het zonnescherm niet dichtzitten als het schuif-/kanteldak geopend is.
Kenmerken van uw auto ❈ Neem voor meer informatie contact op met een officiële KIA-dealer. OPMERKING Mogelijk werkt het schuif/kanteldak niet goed wanneer de accu losgenomen of ontladen is geweest, of wanneer de desbetreffende zekering doorgebrand is geweest.
Kenmerken van uw auto STUURWIEL Elektronische stuurbekrachtiging (indien van toepassing) De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van een elektromotor. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar, maar is de benodigde stuurkracht veel groter.
Kenmerken van uw auto Verstelbare stuurkolom (indien van toepassing) Een verstelbare stuurkolom maakt het mogelijk het stuurwiel af te stellen voordat u gaat rijden. Daarnaast kunt u het stuurwiel omhoog kantelen zodat uw benen meer ruimte hebben bij het in- en uitstappen. Het stuurwiel moet zo worden afgesteld dat u een tijdens het rijden een comfortabele positie achter het stuur kunt vinden en tegelijkertijd een goed zicht heeft op de waarschuwingslampjes en meters/tellers in het instrumentenpaneel.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING Als u binnen een half uur na het uitschakelen van de motor het contact weer in stand ON zet (na het bedienen van de toets van de stuurwielverwarming), blijft de stuurwielverwarming ingeschakeld. Om te claxonneren, drukt u het gedeelte van het stuurwiel bij het claxonsymbool (zie afbeelding). De claxon wordt alleen bediend wanneer op dit gedeelte wordt gedrukt. OPMERKING • Plaats geen stuurwielknoppen om het stuurwiel te bedienen.
Kenmerken van uw auto SPIEGELS Binnenspiegel Buitenspiegel Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af voordat u gaat rijden. Stel de spiegels af voordat u gaat rijden. Uw auto is uitgerust met zowel een linker als een rechter buitenspiegel. De spiegels kunnen elektrisch versteld worden met de schakelaar (indien van toepassing).
Kenmerken van uw auto OPMERKING Druk vervolgens op het desbetreffende deel van de bedieningsschakelaar om de spiegel naar boven of naar beneden, naar links of rechts te verstellen. Zet de schakelaar na het verstellen terug in het midden om te voorkomen dat de spiegel onbedoeld wordt versteld. ■ Type A Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen.
Kenmerken van uw auto OPMERKING De elektrisch bedienbare buitenspiegel werkt ondanks het feit dat het contact in stand OFF staat. Stel om te voorkomen dat de accu leegraakt, de spiegels niet langer dan noodzakelijk af als de motor niet loopt. OUB041034 Buitenspiegel inklappen Elektrisch (indien van toepassing) Druk op de toets om de buitenspiegel in te klappen. Druk nogmaals op de toets om hem uit te klappen. OPMERKING Klap een elektrisch bedienbare buitenspiegel nooit in met de hand.
Kenmerken van uw auto INSTRUMENTENPANEEL ■ Type A 1. Toerenteller 2. Controlelampjes richtingaanwijzers 3. Snelheidsmeter 4. Brandstofmeter 5. Koelvloeistoftemperatuurmeter* 6. Waarschuwings- en controlelampjes ■ Type B 7. Schakelstandindicator automatische transmissie* of Schakelstandindicator handgeschakelde transmissie* 8. Kilometerteller/Boordcomputer* * : indien van toespassing ❈ Het aanwezige instrumentenpaneel kan afwijken van de afbeelding.
Kenmerken van uw auto ■ Type A ■ Type A ■ Type A ■ Type B ■ Type B ■ Type B OUB041038 Verlichting instrumentenpaneel (indien van toepassing) Type A Draai, wanneer de parkeerlichten of koplampen van de auto branden, aan de knop van de dashboardverlichting om de intensiteit van de dashboardverlichting te regelen.
Kenmerken van uw auto ■ Benzinemotor ■ Dieselmotor OPMERKING ■ Type A ■ Type B ■ Type C ■ Type D Zorg ervoor dat het motortoerental niet toeneemt tot in het rode gebied. Hierdoor kan ernstige motorschade ontstaan. OUB041045 Toerenteller De toerenteller geeft het aantal omwentelingen per minuut (omw/min) bij benadering weer. Gebruik de toerenteller om de juiste schakelmomenten te kiezen en voorkom dat de motor zwaar moet trekken of met te hoge motortoerentallen draait.
Kenmerken van uw auto De brandstofmeter is tevens voorzien van een waarschuwingslampje laag brandstofniveau dat gaat branden als de brandstoftank bijna leeg is. Bij hellingen en bochten beweegt mogelijk de naald van de brandstofmeter, knippert mogelijk het waarschuwingslampje laag brandstofniveau, of gaat het waarschuwingslampje laag brandstofniveau mogelijk branden doordat de brandstof in de brandstoftank heen en weer beweegt.
Kenmerken van uw auto ■ Type A ■ Type A OUB041049 ■ Type B ■ Type B Dagteller A Dagteller A Dagteller B Dagteller B Actieradius* Actieradius* Gemiddeld brandstofverbruik* Gemiddeld brandstofverbruik* Actueel brandstofverbruik* Actueel brandstofverbruik* Gemiddelde snelheid* Gemiddelde snelheid* Verstreken tijd Verstreken tijd Buitenthermometer* ECO ON/OFF* OUB041174 Dagteller/boordcomputer (indien van toepassing) De boordcomputer voorziet de bestuurder via een display van informatie ov
Kenmerken van uw auto ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B OUB041050 OUB041051 OUB041052 Kilometerteller (km of mijl) De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is. De kilometerteller is ook een nuttig instrument om te bepalen wanneer periodiek onderhoud nodig is. De kilometerstand wordt altijd weergegeven zolang het display is ingeschakeld.
Kenmerken van uw auto ■ Type A Als de rijsnelheid boven de 1 km/h komt nadat er ten minste 6 liter is bijgetankt, wordt het gemiddelde brandstofverbruik teruggezet naar nul (---). ■ Type B ■ Type A ■ Type B OUB041053 OUB041054 Gemiddeld brandstofverbruik (indien van toepassing) (l/100 km of MPG) In deze stand wordt het gemiddelde brandstofverbruik berekend uit het totale brandstofverbruik en de afstand die is afgelegd sinds het gemiddelde brandstofverbruik voor het laatst gereset werd.
Kenmerken van uw auto ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B OUB041055 OUB041056 OUB041057 Gemiddelde snelheid (km/h of MPH) In deze stand wordt de gemiddelde snelheid berekend sinds de laatste keer dat de gemiddelde snelheid gereset werd. Zolang de motor draait, blijft de gemiddelde snelheid doorlopen, ook als de auto stilstaat.
Kenmerken van uw auto ■ Type A ✽ AANWIJZING ■ Type B OUB041058 Stand ECO ON/OFF (indien van toepassing) U kunt in deze stand het controlelampje ECO in-/uitschakelen in het instrumentenpaneel. Als u in de stand ECO ON gedurende ten minste 1 seconde op de toets RESET drukt, wordt ECO OFF op het scherm weergegeven en dooft het controlelampje ECO tijdens het rijden. Als u het controlelampje ECO weer wilt weergeven, druk dan gedurende ten minste 1 seconde op de toets RESET in de stand ECO OFF.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B • Wanneer het systeem niet correct functioneert, wordt er geen pijl omhoog, pijl omlaag of geselecteerde versnelling weergegeven. • Als u de optie ECO OFF in de tripcomputer selecteert, gaat de schakelindicator voor de handgeschakelde transmissie niet branden. OUB041177 Positie-indicator automatische transmissie (indien van toepassing) In het display wordt weergegeven welke van de stand van de selectiehendel geselecteerd is.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING ■ Type A ■ Type B ■ Type B Als het waarschuwingslampje voor een glad wegdek gaat branden tijdens het rijden, moet u met meer aandacht en veiliger rijden en te hoge snelheden, snelle acceleratie, plotseling afremmen en plotselinge stuurbewegingen vermijden. OUB041062 Verlichting De lichtsterkte voor het dashboard wordt weergegeven als de schakelaar voor de dashboardverlichting wordt bediend. Zie voor details “Dashboardverlichting” in deel 4.
Kenmerken van uw auto OUB041064 OUB041065 OUB041066 Optie “Car” (alleen instrumentenpaneel type B, indien van toepassing) Stuurwiel uitlijnen (stuurpositie) (indien van toepassing) On - De waarschuwing wordt weergegeven op het LCD-scherm wanneer het stuurwiel niet is uitgelijnd met de toets ENGINE START/STOP in stand ON. Off - De waarschuwing wordt niet weergegeven op het LCD-scherm wanneer het stuurwiel niet is uitgelijnd met de toets ENGINE START/STOP in stand ON.
Kenmerken van uw auto OUB041067 Taalinstellingen Kies de taal die u weergegeven wil zien in het LCD-display. OUB041068 Onderhoudssysteem (alleen instrumentenpaneel type B, indien van toepassing) Het onderhoudssysteem waarschuwt de bestuurder wanneer de motorolie moet worden ververst en wanneer de banden moeten worden verwisseld. 4 58 OUB041069 Onderhoud 1. Druk, wanneer de auto stilstaat, de toets TRIP minimaal 2 Seconden in met de toets ENGINE START/STOP in stand ON of bij een draaiende motor.
Kenmerken van uw auto OUB041070 OUB041071 OUB041072 Onderhoudsschema 1. Selecteer het gewenste onderhoudsschema voor het verversen van de motorolie (het verwisselen van de banden). 2. Daarna kunt u de modus "Maintenance" verlaten door de toets TRIP langer dan 2 seconden ingedrukt te houden. Onderhoud vereist - motorolie verversen (banden verwisselen) 1. Als onderhoud vereist is, wordt er een melding weergegeven. 2.
Kenmerken van uw auto Waarschuwings- en controlelampjes De waarschuwingslampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in stand ON te zetten (start de motor niet). Ieder lampje dat niet gaat branden, moet worden gecontroleerd door een officiële KIA-dealer. Controleer nadat de motor aanslaat of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Eventuele lampjes die nog branden, kunnen op een storing duiden. Het waarschuwingslampje van het remsysteem moet uitgaan zodra de parkeerrem vrij is.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingslampje AIRBAG (indien van toepassing) Waarschuwingslampje ABS (indien van toepassing) Dit lampje zal ongeveer 6 seconden gaan knipperen iedere keer dat het contact in stand ON wordt gezet. Dit lampje zal ook gaan branden als het aanvullend veiligheidssysteem niet goed werkt.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingslampje remsysteem Waarschuwing ingeschakelde parkeerrem Dit lampje gaat branden wanneer het contact in stand START of ON wordt gezet en de parkeerrem ingeschakeld is. Zodra de parkeerrem niet langer meer is aangetrokken en de motor draait, moet het lampje UIT zijn. Waarschuwing laag remvloeistofniveau Als het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit duiden op een laag remvloeistofpeil in het reservoir. Handel als volgt wanneer het waarschuwingslampje blijft branden: 1.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingssysteem voor de veiligheidsgordels (indien van toepassing) Controlelampjes richtingaanwijzers Controlelampje grootlicht Waarschuwingslampje veiligheidsgordel Als herinnering voor de bestuurder knippert of brandt telkens wanneer het contact in stand ON wordt gezet het waarschuwingslampje van de veiligheidsgordel gedurende ongeveer 6 seconden, ongeacht of de gordel is vastgemaakt. Zie voor meer informatie "Veiligheidsgordels" in hoofdstuk 3.
Kenmerken van uw auto Controlelampje mistlampen vóór (indien van toepassing) Oliedruklampje Dit lampje gaat branden als de mistlampen vóór worden ingeschakeld. Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk van de motor laag is. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden: 1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto tot stilstand. 2. Controleer het motoroliepeil wanneer de motor uit is. Vul indien nodig olie bij wanneer het peil laag is.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingslampje motoroliepeil (indien van toepassing) Het waarschuwingslampje motoroliepeil gaat branden wanneer het motoroliepeil moet worden gecontroleerd. Controleer als het lampje gaat branden het motoroliepeil zo snel mogelijk en vul indien nodig motorolie bij. Giet de aanbevolen olie voorzichtig in een trechter. (Hoeveelheid olie: ongeveer 0,6 ~ 1,0 l) Gebruik alleen de voorgeschreven motorolie. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingslampje open achterklep Controlelampje startblokkeersysteem (indien van toepassing) Dit waarschuwingslampje gaat branden als de achterklep niet goed gesloten is (in alle standen van het contact). Zonder Smart Key-systeem Dit lampje gaat branden als de sleutel in het contact gestoken wordt en naar stand ON wordt gedraaid. Op dat moment kunt u de motor starten. Het lampje dooft nadat de motor is aangeslagen.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingslampje laag brandstofniveau Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Als dit lampje gaat branden, moet u zo spoedig mogelijk tanken. Doorrijden met een brandend waarschuwingslampje voor een laag brandstofniveau of een lager brandstofniveau dan "E" op de brandstofmeter, kan leiden tot overslaan van de motor en beschadiging van de katalysator (indien van toepassing).
Kenmerken van uw auto OPMERKING - Dieselmotor (indien voorzien van een roetfilter (DPF)) Wanneer het storingslampje gaat knipperen, ga dan gedurende een bepaalde tijd (ongeveer 25 minuten) rijden met een snelheid van ten minste 60 km/h of in een hogere versnelling dan de tweede met een toerental van 1.500 - 2.000 omw/min. Het lampje zal mogelijk stoppen met knipperen. Ga naar een officiële KIA-dealer als het storingslampje desondanks blijft knipperen en laat het DPF-systeem nakijken.
Kenmerken van uw auto Controlelampje ESP OFF (indien van toepassing) Waarschuwingszoemer "sleutel in contactslot" (indien van toepassing) Het controlelampje EPS OFF gaat branden op het moment dat het contact in stand ON wordt gezet en moet na ongeveer 3 seconden weer doven. Druk op de schakelaar ESP OFF om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen. Het controlelampje ESP OFF gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld.
Kenmerken van uw auto Waarschuwing te hoge snelheid (indien van toepassing) 120 km/h Waarschuwingslampje te hoge snelheid Als u harder dan 120 km/h rijdt, gaat het waarschuwingslampje voor een te hoge snelheid knipperen. Dit dient om te voorkomen dat u te hard rijdt. Waarschuwingszoemer te hoge snelheid (indien van toepassing) Als u harder dan 120 km/h rijdt, klinkt gedurende ongeveer 5 seconden de waarschuwingszoemer voor een te hoge snelheid. Dit dient om te voorkomen dat u te hard rijdt.
Kenmerken van uw auto Controlelampje laag niveau ruitensproeiervloeistof Dit controlelampje geeft aan dat het sproeierreservoir bijna leeg is. Vul zo snel mogelijk ruitensproeiervloeistof bij. Waarschuwingslampje lage bandenspanning (indien van toepassing) De waarschuwingslampjes lage bandenspanning en positie lage bandenspanning gaan gedurende 3 seconden branden nadat het contact in stand ON is gezet. Als het waarschuwingslampje niet gaat branden, werkt het controlesysteem lage bandenspanning niet goed.
Kenmerken van uw auto Controlelampje voorgloeien (dieselmotor) Waarschuwingslampje brandstoffilter (dieselmotor) Het controlelampje gaat branden zodra het contact in stand ON wordt gezet. De motor kan gestart worden zodra het controlelampje voorgloeien uitgaat. De voorgloeitijd is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, de luchttemperatuur en de conditie van de accu. Dit waarschuwingslampje gaat gedurende 3 s na het in stand ON zetten van het contact branden en gaat vervolgens weer uit.
Kenmerken van uw auto Waarschuwing LCD-scherm (indien van toepassing) • Auto's uitgerust met Smart Key-systeem Key is not detected Key is not in vehicle (Smart key niet gevonden) (Smart key niet in auto) Press start with smart key (Druk op start met smart key) OUB041073 OUB041074 OUB041075 Als de Smart Key zich niet in de auto bevindt en als een portier wordt geopend of gesloten met de toets engine start/stop in stand ACC, ON of START, gaat de waarschuwing branden op het LCD-scherm.
Kenmerken van uw auto • Auto's uitgerust met Smart Key-systeem Low key battery (Batterij Smart Key bijna leeg) Press brake pedal to start engine (Druk rem in voor starten motorautomatische transmissie) Press clutch pedal to start engine (Druk koppeling in voor startenhandgeschakelde versnellingsbak) OUB041076 Als de toets engine start/stop naar de stand OFF gaat wanneer de Smart Key in de auto leeg raakt, gaat de waarschuwing gedurende ongeveer 10 seconden branden op het LCD-scherm.
Kenmerken van uw auto • Auto's uitgerust met Smart Key-systeem Shift to "P" position (Schakel naar "P"automatische transmissie) Press start button again (Druk nogmaals op Start) Shift to "P" or "N" to start the engine (Kies "P" of "N" voor startenautomatische transmissie) OUB041080 OUB041079 Als u probeert de motor uit te schakelen zonder de selectiehendel in de stand P (parkeren) te zetten, draait de toets engine start/stop naar de stand ACC.
Kenmerken van uw auto • Auto's uitgerust met Smart Key-systeem Press start button while turn steering (Draai stuur/druk op start) Check steering wheel lock system (Stuurwielvergrendeling controleren) OUB041082 OUB041084 Als het stuurwiel niet normaal ontgrendeld wordt wanneer de toets engine start/stop wordt ingedrukt, brandt de waarschuwing gedurende ongeveer 10 seconden op het LCD-scherm. Ook klinkt de zoemer eenmaal en het lampje van de toets engine start/stop knippert gedurende 10 seconden.
Kenmerken van uw auto Low washer liquid (Laag ruitensproeiervloeistofniveau) (indien van toepassing) Check stop lamp fuse (Controle zekering remlicht) (indien van toepassing) Door open ! (Portier geopend!) (indien van toepassing) OUB041087 OUB041085 OUB041086 Wanneer de zekering van het remlicht verwijderd wordt, verschijnt er gedurende 10 seconden een waarschuwing op het LCD-display. Vervang de zekering door een nieuwe.
Kenmerken van uw auto Align steering wheel (Stuurwiel uitlijnen) (indien van toepassing) Rear parking assist warning (Waarschuwing parkeerhulp) (indien van toepassing) OUB041171 Geeft de omgeving weer als er een obstakel wordt gesignaleerd terwijl de auto achteruitrijdt. Zie “Parkeerhulp-systeem achter” in hoofdstuk 4 voor meer informatie.
Kenmerken van uw auto PARKEERHULP (INDIEN VAN TOEPASSING) WAARSCHUWING De parkeerhulp dient slechts als hulpmiddel. De werking van de parkeerhulp kan worden beïnvloed door verschillende factoren (inclusief de luchtverontreiniging). Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om het gebied achter de auto te controleren alvorens achteruit te rijden.
Kenmerken van uw auto • Het systeem wordt ingeschakeld als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en het contact in stand ON staat. Bij een snelheid van meer dan 10 km/h wordt het systeem mogelijk niet juist geactiveerd. • Het bereik van de parkeersensoren bedraagt ongeveer 120 cm. • Als er zich meerdere voorwerpen achter de auto bevinden, zal het dichtstbijzijnde als eerste worden geregistreerd.
Kenmerken van uw auto Gevallen waarin de parkeerhulp niet werkt De parkeerhulp werkt mogelijk niet goed in de volgende gevallen: 1. Er zit ijs op de sensor. (Het systeem werkt weer normaal zodra het ijs gesmolten is.) 2. Er zit vuil, zoals sneeuw of water, of een andere substantie op de sensor. (De sensor werkt weer normaal zodra deze vrij is gemaakt.) 3. Bij het rijden op oneffen wegen en op hellingen. 4.
Kenmerken van uw auto Waarschuwingen parkeerhulp ✽ AANWIJZING Zelfdiagnose • Het waarschuwingssignaal klinkt mogelijk niet regelmatig als het voorwerp achter de auto beweegt of een grillige vorm heeft. • De correcte werking van de parkeerhulp kan verstoord raken als de bumperhoogte of de inbouwpositie van de sensoren is gewijzigd of als de bumper of sensor beschadigd is. Achteraf gemonteerde accessoires kunnen het bereik van de sensoren beïnvloeden.
Kenmerken van uw auto ACHTERUITRIJCAMERA (INDIEN VAN TOEPASSING) ✽ AANWIJZING De waarschuwing “Warning! Check surroundings for safety” [Waarschuwing! Controleer of de omgeving veilig is] verschijnt op het beeld van de achteruitrijcamera als de achteruitrijcamera wordt ingeschakeld. WAARSCHUWING OUB041092 OUB041093 De achteruitrijcamera wordt geactiveerd als het achteruitrijlicht brandt met het contact in stand ON en de versnellingspook in de achteruitversnelling (R).
Kenmerken van uw auto ALARMKNIPPERLICHTEN OUB041094 De alarmknipperlichten moeten worden gebruikt als u door omstandigheden gedwongen bent de auto op een gevaarlijke plaats tot stilstand te brengen. Zet, als u de auto in noodsituaties tot stilstand moet brengen, de auto zo ver mogelijk naast de rijbaan. De alarmknipperlichten worden ingeschakeld door de schakelaar voor de alarmknipperlichten in te drukken. Hierdoor gaan alle richtingaanwijzers tegelijk knipperen.
Kenmerken van uw auto VERLICHTING Energiebesparingsfunctie • Deze functie voorkomt dat de accu ontladen raakt. Het systeem schakelt automatisch de parkeerlichten uit wanneer de contactsleutel wordt verwijderd (Smart Key: het contact uitgeschakeld wordt) en het portier aan bestuurderszijde wordt geopend. • De parkeerlichten worden automatisch uitgeschakeld als de auto in het donker langs de kant van de weg wordt geparkeerd.
Kenmerken van uw auto ■ Type A ■ Type A OED040806 ■ Type B OED040046 ■ Type B OBK049045 Bediening verlichting De lichtschakelaar heeft een stand voor het dimlicht en het parkeerlicht.
Kenmerken van uw auto OPMERKING OFS040084 Automatisch (indien van toepassing) Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat, worden de achterlichten en koplampen automatisch inof uitgeschakeld, afhankelijk van hoe donker het buiten is. • Bedek de sensor (1) op het dashboard nooit, zodat een optimale werking van de automatische verlichting gegarandeerd blijft. • Reinig de sensor niet met een ruitenreiniger. Deze laat een dunnen film achter op de sensor, waardoor deze niet meer goed werkt.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING ■ Type A ■ Type A Gebruik het grootlicht niet wanneer er andere voertuigen in de buurt zijn. Het gebruik van grootlicht kan het zicht van de andere bestuurders belemmeren. OED040802 ■ Type B OED040804 ■ Type B OAM049043 Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de combischakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie (dimlicht). De verlichting hoeft niet ingeschakeld te zijn om een lichtsignaal te kunnen geven.
Kenmerken van uw auto De groene, pijlvormige controlelampjes op het instrumentenpaneel geven aan welke richtingaanwijzer in werking is. Na het nemen van de bocht, worden de lampjes automatisch uitgeschakeld. Zet de combischakelaar handmatig terug in de middenstand als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen. Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast (B) om een wisseling van rijstrook aan te geven.
Kenmerken van uw auto OPMERKING ✽ AANWIJZING ■ Type A Mistachterlicht bevindt zich alleen aan de bestuurderskant. De mistlampen verbruiken zeer veel stroom. Gebruik de mistlampen alleen bij slecht zicht om te voorkomen dat de laadstroom volledig wordt gebruikt door de mistlampen en de accu leegraakt.
Kenmerken van uw auto Hieronder staan voorbeelden van een correcte afstelling. Stel bij een andere mate van belasting dan hieronder vermeld de koplampen af volgens de situatie in het overzicht die zoveel mogelijk aansluit bij de actuele situatie.
Kenmerken van uw auto RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS ■ Voor • Type A ■ Achter (indien van toepassing) • Type A A : Snelheidsregelknop ruitenwissers (voor) · 2/HI – Hoge wissersnelheid · 1/LO – Lage wissersnelheid · ---/INT – Intervalstan · AUTO* – Automatisch wissen · O/OFF – Uit · /MIST – Eénmaal wissen B : Instelling lengte Interval • Type B • Type B C : Sproeien en kort wissen (voor) D : Achterruitenwisser en -sproeier · /ON – Continu wissen · ---/INT – Intervalstan · O/OFF – Uit E : Sproeien en k
Kenmerken van uw auto Ruitenwissers (voor) De werking is als volgt als het contact in stand ON staat. /MIST : Druk voor een enkele wisbeweging de bedieningsschakelaar in deze positie en laat hem weer los. De ruitenwissers zullen blijven werken zolang de schakelaar in deze stand wordt gehouden. O/OFF : Ruitenwisser is uitgeschakeld ---/INT : De ruitenwissers werken met regelmatige intervallen. Gebruik deze stand bij motregen of mist. Draai aan de snelheidsregelknop om de snelheid te wijzigen.
Kenmerken van uw auto OPMERKING Zet de schakelaar tijdens het wassen van de auto in stand O (OFF) om te voorkomen dat de ruitenwissers automatisch worden ingeschakeld. Als de ruitenwissers tijdens het wassen worden ingeschakeld, raken ze mogelijk beschadigd. Verwijder de behuizing van de regensensor bovenaan de voorruit aan passagierszijde niet. Eventuele schade aan onderdelen die hierdoor kan ontstaan, valt niet onder de fabrieksgarantie.
Kenmerken van uw auto OPMERKING • Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers en de voorruit te voorkomen. • Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen in de buurt van de ruitenwisserbladen om beschadiging te voorkomen. • Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en van andere onderdelen te voorkomen.
Kenmerken van uw auto INTERIEURVERLICHTING (2) OFF In stand OFF blijft de verlichting uit, zelfs als een portier wordt geopend. Type A OPMERKING Laat de interieurverlichting niet te lang branden als de motor niet draait. Hierdoor kan de accu ontladen raken. WAARSCHUWING Gebruik de interieurverlichting niet wanneer u in het donker rijdt.
Kenmerken van uw auto (4) ON In stand AAN blijft de verlichting continu branden. OPMERKING Laat de schakelaar niet gedurende langere tijd in deze stand staan als de motor niet draait. OUB041099 OLM049105 Bagageruimteverlichting (indien van toepassing) Verlichting make-upspiegel (indien van toepassing) De bagageruimteverlichting gaat branden zodra de achterklep wordt geopend. • : De verlichting wordt ingeschakeld als er op deze toets wordt gedrukt.
Kenmerken van uw auto OPMERKING - Verlichting make-upspiegel (indien van toepassing) Zet de schakelaar altijd uit als de verlichting van de make-upspiegel niet wordt gebruikt. Als de zonneklep wordt teruggeklapt terwijl het lampje nog brandt, kan de accu ontladen raken en de zonneklep beschadigd worden. OUB041100 Verlichting dashboardkastje (indien van toepassing) De verlichting in het dashboardkastje gaat branden als het dashboardkastje wordt geopend.
Kenmerken van uw auto ONTWASEMING OPMERKING Gebruik om beschadiging van de verwarmingsdraden te voorkomen nooit scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen met schurende bestanddelen om de achterruit te reinigen. Spiegelverwarming (indien van toepassing) Als uw auto voorzien is van een spiegelverwarming, zal deze gelijktijdig met de achterruitverwarming in werking treden.
Kenmerken van uw auto HANDBEDIEND VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) 1. Aanjagerknop 2. Luchtcirculatieknop 3. Temperatuurregelknop 4. Toets A/C (indien van toepassing) 5. Toets achterruitverwarming 6.
Kenmerken van uw auto Verwarming en airconditioning 1. Start de motor. 2. Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste stand. Voor een effectieve verwarming en koeling: - Verwarmen: - Koelen: 3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde. 4. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets. 5. Zet de aanjager op de gewenste snelheid. 6. Als u de uitstromende lucht gekoeld wilt hebben, kunt u het airconditioningssysteem aanzetten (indien van toepassing).
Kenmerken van uw auto Stand FACE (B, D) De lucht stroomt naar de romp en naar het hoofd. Daarnaast kan iedere uitstroomopening versteld worden om de richting van de luchtstroom te wijzigen. Stand FLOOR/DEFROST (A, C, D, E) De meeste lucht stroomt naar de voetenruimte en de voorruit en een klein gedeelte stroomt door de zijruitontwaseming. Stand BI-LEVEL (B, D, C, E) Stand DEFROST (A, D) OUB041105 Luchtcirculatie De luchtcirculatieknop regelt de circulatie van de lucht door het ventilatiesysteem.
Kenmerken van uw auto OUB041106 OUB041107 OUB041108 Stand MAX A/C (B, D) (indien van toepassing) De stand MAX A/C wordt gebruikt om het interieur van de auto sneller af te koelen. In deze stand worden de airconditioning en de stand RECIRCULATIE automatisch aangestuurd. Uitstroomopeningen dashboard De uitstroomopening kan afzonderlijk worden geopend of gesloten met het horizontale wieltje. Draai het wieltje helemaal omlaag om de uitstroomopening te sluiten.
Kenmerken van uw auto Stand RECIRCULATIE In de stand RECIRCULATIE wordt de lucht uit het passagierscompartiment door het systeem gerecirculeerd en, afhankelijk van de gekozen functie, gekoeld of verwarmd. OUB041109 Luchttoevoertoets Hiermee kan de stand BUITENLUCHT of de stand RECIRCULATIE worden gekozen. Druk op de desbetreffende toets om de stand van de luchttoevoer te wijzigen. 4 104 Stand BUITENLUCHT In de stand BUITENLUCHT stroomt de lucht van buitenaf in het passagierscompartiment.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING • Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt. • Ga niet slapen in de auto wanneer het airconditioningssysteem of de verwarming ingeschakeld is. Door een afname van de zuurstofconcentratie en/of de lichaamstemperatuur kunnen de inzittenden letsel oplopen.
Kenmerken van uw auto Werking systeem Ventilation 1. Zet de luchtcirculatietoets in stand ( ). 2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets. 3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde. 4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid. Verwarmen 1. Zet de luchtcirculatietoets in stand ( ). 2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets. 3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde. 4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid. 5.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING • Houd de temperatuurmeter nauwlettend in de gaten wanneer de airconditioning wordt gebruikt als u lange hellingen oprijdt of als u in druk verkeer rijdt bij hoge buitentemperaturen. Door het gebruik van het airconditioningssysteem kan de motor oververhit raken. Blijf de aanjager gebruiken en schakel het airconditioningssysteem uit wanneer de temperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit raakt.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING Buitenlucht Gerecircule erde lucht Aanjager Interieurfilter Verdamper Kachelradiateur OHM048209 Interieurfilter (indien van toepassing) Het interieurfilter, dat achter het dashboardkastje is gemonteerd, filtert de lucht die via het verwarmings- en airconditioningssysteem naar het interieur wordt gevoerd.
Kenmerken van uw auto AUTOMATISCH VERWARMINGS- EN VENTILATIESYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) 1. Temperatuurregelknop 2. Toets AUTO (automatische regeling) 3. Display verwarmings- en ventilatiesysteem 4. Aanjagerknop 5. Toets OFF 6. Toets voorruitontwaseming 7. Toets achterruitverwarming 8. Luchtcirculatietoets 9. Toets A/C (indien van toepassing) 10.
Kenmerken van uw auto OUB041121 Automatische verwarming airconditioning en Het automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem wordt bediend door eenvoudigweg de gewenste temperatuur in te stellen. De volautomatische temperatuurregeling regelt het verwarmen en het koelen als volgt: 1. Druk op toets AUTO. De te gebruiken uitstroomopeningen, de aanjagersnelheid, de luchtinlaat en de airconditioning worden automatisch geregeld op basis van de gekozen temperatuur. 4 110 2.
Kenmerken van uw auto Handmatig bediende verwarming en airconditioning Het verwarmingsen airconditioningssysteem kan ook handmatig geregeld worden met de toetsen anders dan de toets AUTO. In deze stand werkt het systeem sequentieel, afhankelijk van de gekozen toetsen. Wanneer u in de automatische stand op een van de andere toetsen dan de toets AUTO drukt (of knop verdraait), blijven de overige functies automatisch werken. 1. Start de motor. 2. Zet de luchtcirculatietoets in de gewenste stand.
Kenmerken van uw auto OUB041124 OUB041107 OUB041126 Stand ontwaseming Als u de stand ontwasemen selecteert, schakelt het systeem automatisch de volgende instellingen in: • De airconditioning zal worden ingeschakeld. • De stand BUITENLUCHT zal worden ingesteld. • De aanjager zal op de hoogste stand gaan draaien. Druk om de stand ontwasemen weer uit te schakelen op de keuzetoets voor de standen, nogmaals op de toets ontwasemen of op de toets AUTO.
Kenmerken van uw auto Temperatuuraanduiding wijzigen U kunt de temperatuur als volgt overschakelen van graden Celsius naar graden Fahrenheit: Houd, terwijl u op de toets OFF drukt, de toets AUTO ten minste 4 seconden ingedrukt. De temperatuuraanduiding verandert van graden Celsius in graden Fahrenheit of andersom. De temperatuureenheid zal gereset worden naar graden Celsius wanneer de accu ontladen is of als de accupolen zijn losgenomen.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING Let op: door langdurig gebruik van de stand RECIRCULATIE kunnen de ruiten beslaan en zal de lucht in het passagierscompartiment muf worden. Daarnaast kan de lucht in het passagierscompartiment extreem droog worden bij langdurig gebruik van de airconditioning in de stand RECIRCULATIE. 4 114 WAARSCHUWING • Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.
Kenmerken van uw auto Werking systeem Ventilation 1. Zet de luchtcirculatietoets in stand ( ). 2. Schakel de stand BUITENLUCHT in met de luchttoevoertoets. 3. Stel de temperatuur in op de gewenste waarde. 4. Zet de aanjager op de gewenste snelheid. OUB041131 OUB041132 Airconditioning (A/C) Druk op de toets A/C om de airconditioning in te schakelen (het controlelampje gaat branden). Druk nogmaals op de toets om de airconditioning uit te schakelen.
Kenmerken van uw auto Tips voor het gebruik • Om te voorkomen dat stof of onaangename geuren in het interieur van de auto terechtkomen, kan de schakelaar voor de luchttoeevoer tijdelijk in de stand RECIRCULATIE worden gezet. Selecteer de stand BUITENLUCHT weer zodra de bron van irritatie gepasseerd is om weer frisse lucht toe te laten tot het interieur. Frisse lucht is beter voor de fysieke gesteldheid van de bestuurder en bovendien aangenamer.
Kenmerken van uw auto Aanwijzingen voor gebruik airconditioning • Open de ruiten een tijdje wanneer de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd is geweest, zodat de warme lucht naar buiten kan. • Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen. • Tijdens de werking van de airconditioning ziet u het motortoerental zo nu en dan iets veranderen wanneer de aircocompressor inschakelt.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING • Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema. Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, bijvoorbeeld in een stoffige omgeving of op slechte wegen, moet het interieurfilter vaker worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen. • Als de hoeveelheid uitstromende lucht plotseling sterk vermindert, moet het systeem door een officiële KIA-dealer worden gecontroleerd.
Kenmerken van uw auto VOORRUIT ONTDOOIEN EN ONTWASEMEN WAARSCHUWING Voorruitverwarming Gebruik de standen ( ) of ( ) niet in combinatie met koelen bij een extreem hoge luchtvochtigheid. Door het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit, kan de voorruit plotseling beslaan, waardoor het zicht wegvalt. Zet in dat geval de luchtcirculatieknop of toets in de stand ( ) en de aanjager op de laagste stand.
Kenmerken van uw auto OUB041134 Buitenzijde voorruit ontdooien 1. Zet de aanjager in de hoogste stand (geheel naar rechts). 2. Stel de temperatuur in op maximaal. 3. Kies stand ( ). 4. Het systeem schakelt de toevoer van buitenlucht en de airconditioning automatisch in. 4 120 OUB041135 Automatisch verwarmings- en ventilatiesysteem Binnenzijde voorruit ontwasemen 1. Zet de aanjagerknop in de gewenste stand. 2. Stel de gewenste temperatuur in. 3. Druk op de toets voorruitontwaseming ( ). 4.
Kenmerken van uw auto Ontwasemfunctie (indien van toepassing) Om de kans op beslaan van de binnenkant van de ruit tot een minimum te beperken, wordt de luchttoevoer of de airconditioning automatisch afgestemd op omstandigheden als het inschakelen van stand ( ) of ( ). Voer de volgende handelingen uit om de ontwasemfunctie uit te schakelen of te activeren. OUB041137 OUB041138 Handbediend verwarmings- en ventilatiesysteem 1. Zet het contact in stand ON. 2.
Kenmerken van uw auto Deze indicator geeft aan dat het automatische ontwasemingssysteem heeft geregistreerd dat er vocht aanwezig is op de binnenzijde van de voorruit en dat het systeem in werking is. Als er meer vocht in de auto aanwezig is, gaat het systeem steeds een stap verder.
Kenmerken van uw auto OPBERGVAK In deze opbergvakken kunnen kleine voorwerpen voor bestuurder of passagiers worden bewaard. ■ Type A OPMERKING • Laat geen waardevolle spullen achter in de opbergvakken, om diefstal te voorkomen. • Houd de deksels van de opbergvakken tijdens het rijden gesloten. Plaats niet te veel voorwerpen in de opbergvakken om te voorkomen dat de deksels niet gesloten kunnen worden.
Kenmerken van uw auto WAARSCHUWING Leg geen bederfelijke etenswaren in de koelbox, want deze kan mogelijk niet de vereiste lage temperatuur behouden die noodzakelijk is om deze etenswaren vers te houden. ✽ AANWIJZING OUB041143 Koelbox (indien van toepassing) U kunt blikjes frisdrank en andere zaken koelen in het dashboardkastje. 1. Schakel de airconditioning in. 2. Schuif het hendeltje (1) van de uitstroomopening in het dashboardkastje in de stand open. 3.
Kenmerken van uw auto OPMERKING Om beschadiging van de goederen of de auto te voorkomen, moet bij het vervoer van kwetsbare of volumineuze lading in de bagageruimte de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen. OUB041147 Bagagenet houder (indien van toepassing) Om te voorkomen dat uw spullen door de bagageruimte heen en weer schuiven, kunt u de 4 haken in de bagageruimte gebruiken om het bagagenet vast te zetten. Neem voor het aanschaffen van een bagagenet contact op met een officiële KIA-dealer.
Kenmerken van uw auto OUB041148 OUB041151 OUB041150 OUB041178 Laadruimte vergroten (indien aanwezig) Als u de laadruimte wilt vergroten: 1. Pak de handgreep aan de bovenzijde van de afdekkap en trek hem omhoog 2. Klap de achterzijde van de afdekkap van het opbergvak in de bagageruimte naar voren 3. Trek het scharnier van de afdekkap van het opbergvak in de bagageruimte omhoog en in de richting van het uiteinde van de sleuf 4.
Kenmerken van uw auto OVERIGE VOORZIENINGEN WAARSCHUWING • Houd de aansteker niet ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan. • Verwijder, om oververhitting te voorkomen, de aansteker met de hand wanneer deze niet binnen 30 seconden naar buiten springt. OUB041152 Aansteker (indien van toepassing) Als de motor niet draait, moet het contact in stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken. Druk de aansteker in de houder om hem te kunnen gebruiken.
Kenmerken van uw auto Bekerhouder ■ Type A WAARSCHUWING - Hete vloeistoffen • Plaats geen bekers met hete vloeistof in de houder tijdens het rijden. Het morsen van hete vloeistof kan brandwonden tot gevolg hebben. Als dit bij de bestuurder gebeurt, zou deze de controle over de auto kunnen verliezen. • Om het risico van persoonlijk letsel bij een aanrijding of een noodstop tot een minimum te beperken, mogen tijdens het rijden geen open flesjes, bekers, blikjes, enz. in de bekerhouder worden geplaatst.
Kenmerken van uw auto ■ Type A WAARSCHUWING Belemmer, voor uw eigen veiligheid, uw zicht niet wanneer u de zonneklep gebruikt. OUB041157 OUB041156 ■ Type B Zonneklep Gebruik de zonneklep om verblinding door direct zonlicht via de voor- en zijruiten tegen te gaan. Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken. Trek de zonneklep omlaag, neem hem uit de steun (1) en draai hem naar de zijruit (2) om bescherming te verkrijgen tegen zon van opzij.
Kenmerken van uw auto Neem voor een voedingskabel voor uw draagbare navigatiesysteem contact op met een officiële KIA-dealer, indien nodig. Vraag een officiële KIA-dealer of deze aansluiting voor een draagbaar navigatiesysteem gebruikt kan worden voor uw navigatiesysteem. WAARSCHUWING Steek geen vingers of vreemde voorwerpen (pen, enz.) in een 12Vaansluiting en raak de aansluiting niet aan met natte handen. Als u dat wel doet, kan dat leiden tot een elektrische schok.
Kenmerken van uw auto ■ Type A ■ Type B WAARSCHUWING OEL049222 Bevestigingspunt (EN) vloermat (indien van toepassing) Wanneer u voorin de auto gebruikt maakt van een vloermat op de vloerbedekking, zorg er dan voor dat deze op de bevestigingspunten wordt bevestigd. Dit voorkomt dat de vloermat kan wegglijden. Neem het volgende in acht bij het plaatsen van vloermatten in de auto. • Controleer of de vloermatten zorgvuldig bevestigd zijn aan de bevestigingspunten voordat u gaat rijden.
Kenmerken van uw auto Digitale klok en kalender (indien van toepassing) Met ingeschakeld audiosysteem 1. Druk op de toets [SETUP] of [Clock] tot de stand voor het instellen van de klok wordt weergegeven. 2. Stel de klok in door aan de knop (1) te draaien en deze vervolgens in te drukken. ■ Type A Als de accukabels of de bijbehorende zekeringen zijn losgenomen, moeten de klok en de kalender opnieuw worden ingesteld.
Kenmerken van uw auto OUN026348 Jashaak (indien van toepassing) Trek het bovenste deel van de jashaak naar beneden om de jashaak te kunnen gebruiken. OPMERKING Hang geen zware kleren aan de hanger omdat deze hierdoor beschadigd kan worden.
Kenmerken van uw auto AUDIOSYSTEEM ✽ AANWIJZING OPMERKING Als u achteraf een HID-koplamp monteert, treden er mogelijk storingen op in het audiosysteem en de elektronische onderdelen van uw auto. OUB041162 Antenne Dakantenne Uw auto maakt gebruik van een dakantenne om zowel AM- als FMsignalen te ontvangen. Deze antenne kan verwijderd worden. Draai de antenne linksom om hem te verwijderen. Draai de antenne rechtsom om deze te plaatsen.
Kenmerken van uw auto OPMERKING Bedien nooit meerdere schakelaars van het audio-schakelaarpaneel tegelijkertijd. OUB041163 VOLUME ( / ) (1) • Druk de toets ( ) omhoog om het volume te verhogen. • Druk de toets ( ) omlaag om het volume te verlagen. SEEK/PRESET ( / ) (2) De toets SEEK/PRESET heeft verschillende functies op basis van de systeemmodus. Voor de volgende functies moet de toets ten minste 0,8 seconden worden ingedrukt. Als de radio is ingeschakeld Werkt als toets AUTO SEEK.
Kenmerken van uw auto MODE ( ) (3) Druk op de toets om de audiobron te wijzigen. FM ➟ AM ➟ CD ➟ USB/AUX(iPod) ➟ MY MUSIC*... * : indien van toepassing MUTE ( ) (4, indien van toepassing) • Druk op de toets om het geluid uit te schakelen. • Druk op de toets om de microfoon tijdens een telefoongesprek uit te schakelen.
Kenmerken van uw auto Bluetooth handsfree-systeem (indien van toepassing) FM-ontvangst AM (MW,LW)-ontvangst U kunt de telefoon draadloos gebruiken dankzij Bluetooth. Meer informatie over het Bluetoothhandsfreesysteem vindt u in het afzonderlijke instructieboekje. JBM001 De werking van een autoradio AM (MW, LW) en FM radiosignalen worden door het radiostation uitgezonden. Deze signalen worden ontvangen door de radioantenne op het spatscherm van uw wagen.
Kenmerken van uw auto FM radiostation Bergen Gebouwen Onbelemmerd gebied Ijzeren bruggen JBM003 JBM004 JBM005 FM signalen worden met een hoge frequentie uitgezonden en volgen hierbij niet het aardoppervlak. Daarom ontstaat bij FM uitzendingen op een relatief korte afstand van het radiostation vervorming. Bovendien ondervinden FM signalen nadelige invloeden door gebouwen, bergen of andere obstakels.
Kenmerken van uw auto Gebruik van een mobiele telefoon of radiozender Bij gebruik van een mobiele telefoon in de auto kan de audio apparatuur storende geluiden voortbrengen. Dit betekent niet dat er iets verkeerd is met de audioapparatuur. In dat geval moet de mobiele telefoon op een zo groot mogelijke afstand van de audioapparatuur worden gebruikt. OPMERKING Bij gebruik van een mobiele telefoon of een radiozender in de auto, moet een afzonderlijke antenne worden gemonteerd.
Kenmerken van uw auto ■ H800UB 4 140
Kenmerken van uw auto SYSTEEMBEDIENING EN FUNCTIES 5. 1 : Herhalen 6. 4 : Random Audiosysteem 7. AST/SCAN : Bestanden scannen of automatisch opslaan van uitzendfrequenties. 1. RADIO : Inschakelen modus van 3. Aan/uit-/volumeknop • Aan/uit-knop : aan- en uitzetten • Volumeknop : instellen van het volume 4. 10. 3 : MENU In de iPod-modus: om naar de hoofdmap te gaan bij het zoeken per categorie FM/AM- 2. MEDIA : Inschakelen van USB-, iPoden AUX-modus 9.
Kenmerken van uw auto 12. FOLDER / : Zoeken en schakelen tussen mappen FOLDER 13. 1 ~ 6 (Voorkeuze) In de radiomodus: opslaan en kiezen van frequenties (zenders) 1. AUX-aansluiting: aansluiting voor externe apparatuur 2. USB-aansluiting: aansluiting voor USB-kabel 3. iPod-aansluiting: aansluiting voor iPod ❈ Gebruik voor het aansluiten van een iPod altijd een iPod-kabel voor in de auto.
Kenmerken van uw auto Instellen van klok Deze functie wordt gebruikt om de klok in te stellen. Houd de toets CLOCK ingedrukt (langer dan 0,8 seconden) Bevestig met behulp van de afstemknop ❈ Wijzig de huidige weergave. Stel de [uren] in en druk op de afstemknop om de [minuten] in te stellen. • Door kort op de toets CLOCK te drukken (korter dan 0,8 seconden) wordt de huidige tijd weergegeven en wordt na 5 seconden teruggekeerd naar het vorige scherm.
Kenmerken van uw auto RADIO SEEK Wijzigen van RADIO-modus Druk op de toets AST (Auto Store) RADIO SEEK , TRACK Druk op de toets RADIO om de radiomodus te wijzigen in de volgorde FM1➟ FM2 ➟AM. • Druk in uitgeschakelde toestand op de toets RADIO om het systeem in te schakelen en naar de radio te luisteren. Instellen van volume Draai de volumeknop naar links/ rechts om het volume in te stellen. 4 144 • Kort indrukken (korter dan 0,8 seconden): Automatisch zoeken naar de volgende frequentie.
Kenmerken van uw auto OPMERKING BIJ GEBRUIK USB-APPARAAT • Zorg, om een USB-apparaat te gebruiken, dat het apparaat niet is aangesloten wanneer de motor wordt gestart. Sluit het apparaat aan nadat de motor is gestart. • Als u de motor start terwijl het USB-apparaat is aangesloten, kan het apparaat beschadigd raken. (USB-flashdrives zijn zeer gevoelig voor statische elektriciteit.) • Als de motor wordt gestart of afgezet terwijl het externe USBapparaat is aangesloten, werkt het apparaat mogelijk niet.
Kenmerken van uw auto (Vervolg) • Via de USB-aansluiting kunnen geen video's worden afgespeeld. • Het gebruik van USB-toebehoren als een lader of een verwarming die gebruikmaken van USB I/F kan de prestaties negatief beïnvloeden of storingen veroorzaken. • Als u een apart aangeschaft apparaat als bijvoorbeeld een USB-hub gebruikt, zal het audiosysteem het apparaat mogelijk niet herkennen. Sluit het USB-apparaat rechtstreeks aan op de multimedia-aansluiting van de auto.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING - Het afspelen van niet-compatibele audioCD's met kopieerbeveiliging CD's met kopieerbeveiliging die niet compatibel zijn met internationale standaarden voor audio-CD's (Red Book) kunnen wellicht niet worden afgespeeld op het audiosysteem van uw auto. Als u deze toch probeert af te spelen en uw CD-speler werkt niet naar behoren, dan ligt dat waarschijnlijk aan de desbetreffende CD en niet aan de CD-speler.
Kenmerken van uw auto ✽ AANWIJZING VOOR GEBRUIK VAN iPod • Sommige iPod-modellen ondersteunen het communicatieprotocol mogelijk niet en de bestanden zullen niet worden afgespeeld. Ondersteunde iPod-modellen: - iPod Mini - iPod 4e (Photo) - 6e (Classic) generatie - iPod Nano 1e - 4e generatie - iPod Touch 1e - 2e generatie • De zoek- of afspeelvolgorde van nummers in de iPod kan verschillen van de volgorde in het audiosysteem. • Reset de iPod als deze uit zichzelf is vastgelopen.
Kenmerken van uw auto (Vervolg) Afzonderlijke USB/AUX-aansluiting All-in-one USB/AUXaansluiting • Gebruik voor het aansluiten van de iPod de USB/AUXaansluitingen. • Neem wanneer u de iPod losneemt beide USB/AUXaansluitingen los. • De iPod-kabel dient te worden aangesloten op beide USB/AUXaansluitingen voor het opladen en bedienen.
Kenmerken van uw auto BASISGEBRUIK: USB/iPod Druk op de toets MEDIA om de modus te wijzigen in de volgorde USB (iPod) ➟ AUX. ❈ USB-bestanden worden automatisch afgespeeld zodra er een extern apparaat op de USB-aansluiting wordt aangesloten. ❈ Als er geen extern apparaat is aangesloten, wordt gedurende 5 seconden No Media weergegeven en keert het systeem terug naar de vorige modus.
Kenmerken van uw auto iPod-modus: A.RDM wordt weergegeven op het scherm • Afspelen in willekeurige volgorde van alle muziekstukken: Houd de toets ingedrukt (langer dan 0,8 seconden) om alle muziekstukken in de huidige categorie af te spelen in willekeurige volgorde. ❈ Druk nogmaals op de toets 4 om de functie uit te schakelen.
Kenmerken van uw auto Zoeken in mappen: USB-modus Bestanden zoeken AUX Bij het afspelen van een bestand toets FOLDER (map omhoog) • Zoeken in de hoofdmap van de huidige map. Bij het afspelen van een bestand toets FORDER (map omlaag) • Zoeken in de submap van de huidige map. ❈ Als een map wordt geselecteerd door op de afstemknop te drukken, wordt het eerste bestand van de geselecteerde map afgespeeld.
Kenmerken van uw auto ■ AM100IHEE ❋ Er zal geen ■ AM110IHEE logo verschijnen wanneer Bluetooth niet wordt ondersteund.
Kenmerken van uw auto ■ AM100IHEG ■ AM100IHGG ■ AM110IHEG ■ AM110IHGG ❋ Er zal geen 4 154 logo verschijnen wanneer Bluetooth niet wordt ondersteund.
Kenmerken van uw auto SYSTEEMBEDIENING EN FUNCTIES ❈ Weergave en instelling zijn mogelijk afhankelijk van de geselecteerde audiobron. Audiosysteem 1. (UITWERPEN) • Uitwerpen van de CD. 2. RADIO • Inschakelen van FM/AM-modus. • Iedere keer dat de toets wordt ingedrukt wijzigt de modus in de volgorde FM1 ➟ FM2 ➟ FMA ➟ AM ➟ AMA ❈ In Setup>Display wordt het radio-popupscherm weergegeven als [Mode On Pop up] is.
Kenmerken van uw auto 6. Aan-uitknop/volumeknop • Aan-uitknop: Aan- en uitzetten van het systeem door de knop in te drukken • Volumeknop: Instellen van het volume door de knop naar links/rechts te draaien 7.
Kenmerken van uw auto • CD-, USB-, iPod-modus - Kort indrukken van de toets (korter dan 0,8 seconden): Elk muziekstuk (bestand) wordt gedurende 10 seconden weergegeven ❈ Druk nogmaals op de toets SCAN om te blijven luisteren naar het op dat moment weergegeven muziekstuk (bestand). 11. MEMU Weergeven van de menu's voor de huidige modus. FOLDER PTY 12. , • Modus MP3, CD, USB: Zoeken in mappen • iPod-modus: Naar hoofdmap • FM: Zoeken op RDS-programmatype FOLDER 13.
Kenmerken van uw auto DISPLAY-INSTELLINGEN Pop-up-modus [Mode Pop up] Druk op de toets SETUP Selecteer [Display] met de afstemknop of toets 1 u Selecteer het menu met de afstemknop On / GELUIDSINSTELLINGEN Voor het wijzigen van Off • Druk in de stand On op toets RADIO of MEDIA om de pop-up-modus te wijzigen. Tekst scrollen [Text Scroll] Kies On / Off • On : Continu scrollen • Off : Een (1) keer scrollen.
Kenmerken van uw auto • Bass, Middle, Treble: Selecteren van het te wijzigen frequentiegebied. • Fader, Balance: Naar het instellen van balans voor/achter en links/rechts. • Default: Terug naar standaardinstellingen. ❈ Return: Als tijdens het instellen nogmaals op de afstemknop wordt gedrukt, wordt teruggegaan naar het hoofdmenu. Virtual Sound Power Bass, Power Treble en Surround kunnen worden ingeschakeld.
Kenmerken van uw auto KLOKINSTELLINGEN Instellen van klok Instellen van de dag Druk op de toets SETUP Selecteer [Clock] met de afstemknop of toets 3 Selecteer het menu met de afstemknop Dit menu wordt gebruikt om de tijd in te stellen. Selecteer [Clock Settings] Stel de tijd in met de afstemknop Druk op de afstemknop Dit menu wordt gebruikt om de datum in te stellen (DD/MM/JJJJ).
Kenmerken van uw auto Tijdsweergave Automatische RDS-tijd Deze functie wordt gebruikt om de tijdsweergave van het audiosysteem in te stellen op 12/24 uur. Selecteer [Time Format] Kies 12Hr/24Hr met de afstemknop Deze optie wordt gebruikt om de tijd automatisch in te stellen door synchronisatie met het RDS. Selecteer [Automatic RDS Time] Set On / Off met de afstemknop Weergave klok als contact UIT is • On Selecteer [Clock Disp.
Kenmerken van uw auto INSTELLEN TELEFOON Druk op de toets SETUP Selecteer [Phone] met de afstemknop of toets 4 Selecteer het menu met de afstemknop Telefoon aanmelden OPMERKING Om een Bluetooth® mobiele telefoon aan te melden bij het systeem, moeten eerst verificatieen verbindingsprocedures worden doorlopen. Daarom kunt u uw telefoon niet aanmelden bij het systeem tijdens het rijden. Breng uw auto eerst tot stilstand.
Kenmerken van uw auto Telefoonlijst De namen van maximaal 5 aangemelde telefoons kunnen worden weergegeven. Een [ ] wordt weergegeven voor de telefoon die op dat moment aangemeld is bij het systeem.
Kenmerken van uw auto • Wijzigen van verbindingsvolgorde (prioriteit) Deze functie wordt gebruikt om de volgorde (prioriteit) voor het automatisch verbinden met aangemelde mobiele telefoons te wijzigen. Selecteer [Phone List] Selecteer [Priority] met de afstemknop Selecteer de mobiele telefoon die prioriteit 1 moet krijgen ➀ Selecteer [Priority]. ➁ Selecteer uit de aangemelde telefoons de telefoon die prioriteit 1 moet krijgen. ➂ De gewijzigde prioriteitsvolgorde wordt weergegeven.
Kenmerken van uw auto Downloaden van contacten Automatisch downloaden Uitgangsvolume Met deze functie kunnen contacten en oproepgeschiedenissen worden gedownload door het audiosysteem. Selecteer [Contacts Download] Selecteer met de afstemknop Bij het verbinding maken met een mobiele telefoon kunnen nieuwe contacten en oproepgeschiedenissen automatisch worden gedownload. Selecteer [Auto Download] Kies On / Off met de afstemknop.
Kenmerken van uw auto Bluetooth-systeem uitschakelen Deze functie wordt gebruikt als u het Bluetooth-systeem niet wilt gebruiken. Selecteer [Bluetooth System Off] Bevestig met de afstemknop ❈ Als er al verbinding met een telefoon is, moet deze verbinding worden verbroken en moet het Bluetooth®systeem uitgeschakeld worden. Gebruiken van het Bluetoothsysteem Volg onderstaande stappen om gebruik te maken van het Bluetooth®-systeem als het systeem op dit moment uitgeschakeld is.
Kenmerken van uw auto SYSTEEMCONFIGURATIE Druk op de toets SETUP Selecteer [System] met de afstemknop of toets 5 Selecteer het menu met de afstemknop Geheugeninformatie Taal Weergeven van het op dit moment gebruikte geheugen en het totale systeemgeheugen. Selecteer [Memory Information] OK Het op dat moment gebruikte geheugen wordt links weergegeven en het totale systeemgeheugen rechts. Dit menu wordt gebruikt om de displaytaal en de taal voor de spraakbesturing in te stellen.
Kenmerken van uw auto RADIO SEEK Wijzigen van RADIO-modus Druk op de toets SCAN RADIO SEEK , TRACK • Kort indrukken (korter dan 0,8 seconden): Wijzigen van de frequentie. • Toets ingedrukt houden (langer dan 0,8 seconden): Automatisch zoeken naar de volgende frequentie. Druk op de toets RADIO om de modus te wijzigen in de volgorde FM1 ➟ FM2 ➟ FMA ➟ AM ➟ AMA.
Kenmerken van uw auto Traffic announcement (TA; verkeersinformatie) Druk kort op de toets (korter dan 0,8 seconden): Kies On / Off voor de TAmodus (Traffic Announcement) MENU AF (Alternative Frequency) Onder de toets MENU bevinden zich de A.Store (Auto Store)- en Info-functies. Druk op de toets MENU Kies [ AF] met de afstemknop of toets 2 . De alternatieve frequentie-optie kan aan en uit worden gezet.
Kenmerken van uw auto Onderhoud van CD's • Als de temperatuur in de auto te hoog is opgelopen, open dan eerst de ruiten voordat u het audiosysteem van uw auto aanzet. • Het is verboden om MP3/WMAbestanden zonder toestemming te kopiëren en te gebruiken. Gebruik uitsluitend legale CD's. • Breng geen vluchtige stoffen zoals alcohol, thinner, reguliere schoonmaakmiddelen en antistatische spray aan op CD's.
Kenmerken van uw auto 2. Volgorde waarin mappen worden afgespeeld: ❋ Als er geen muziekbestanden in de map staan, wordt die map niet weergegeven. Root Map ABB Map A Map BA Map AA Map BB Map ABA OPMERKING BIJ GEBRUIK USB-APPARAAT • Zorg, om een USB-apparaat te gebruiken, dat het apparaat niet is aangesloten wanneer de motor wordt gestart. Sluit het apparaat aan nadat de motor is gestart. • Als u de motor start terwijl het USB-apparaat is aangesloten, kan het apparaat beschadigd raken.
Kenmerken van uw auto (Vervolg) • Als u het USB-apparaat in korte tijd herhaaldelijk aansluit en weer losneemt, kan het apparaat defect raken. • U hoort mogelijk een vreemd geluid bij het aansluiten of losnemen van het USB-apparaat. • Als u het externe USB-apparaat tijdens het afspelen losneemt, kan het apparaat beschadigd raken of niet goed meer werken. Neem daarom het externe USBapparaat los wanneer de motor is afgezet of wanneer het audiosysteem in een andere weergave staat.
Kenmerken van uw auto (Vervolg) • Maak geen gebruik van USBsticks die als sleutelhanger of accessoire voor mobiele telefoons kunnen worden gebruikt, aangezien ze het USBsysteem kunnen beschadigen. Zorg dat u alleen producten gebruikt met een stekkerverbinding zoals hieronder weergegeven. ✽ AANWIJZING VOOR GEBRUIK VAN iPod • Sommige iPod-modellen ondersteunen het communicatieprotocol mogelijk niet en de bestanden zullen niet worden afgespeeld.
Kenmerken van uw auto OPMERKING BIJ GEBRUIK VAN iPod • Steek de stekker van het iPodvoedingskabeltje bij het aansluiten van de iPod volledig in de multimedia-aansluiting. Als u dat niet doet, wordt de communicatie tussen de iPod en het audiosysteem mogelijk onderbroken. • Wanneer u de geluidseffecten van de iPod en het audiosysteem aanpast, zullen de effecten van beide apparaten elkaar overlappen en kan de geluidskwaliteit afnemen of verstoord raken.
Kenmerken van uw auto BASISGEBRUIK: Audio-CD/ MP3-CD/USB/iPod/My Music Druk op de toets MEDIA om de modus te wisselen in de volgorde CD ➟ USB (iPod) ➟ AUX ➟ My Music ➟ BT Audio. De map-/bestandsnaam wordt weergegeven op het scherm. ❈ De CD wordt automatisch afgespeeld zodra hij in de CD-speler geplaatst is. ❈ USB-bestanden worden automatisch afgespeeld zodra er een extern apparaat op de USB-aansluiting is aangesloten.
Kenmerken van uw auto Afspelen in willekeurige volgorde Wijzigen van muziekstuk/bestand SCAN Bij het afspelen van een muziekstuk (bestand) toets 2 (RDM) Audio-CD-, My Music-modus: RDM op het scherm • Afspelen in willekeurige volgorde: Kort indrukken (korter dan 0,8 seconden): Afspelen van alle muziekstukken in willekeurige volgorde. MP3-CD-, USB-modus: FLD.
Kenmerken van uw auto Zoeken in mappen: MP3-, CD-, USB-modus Bij het afspelen van een bestand toets ) (map omhoog) FOLDER ( PTY • Zoeken in de volgende map. Bij het afspelen van een bestand toets FORDER (map omlaag) • Zoeken in de hoofdmap. ❈ Als een map wordt geselecteerd door op de afstemknop te drukken, wordt het eerste bestand van de geselecteerde map afgespeeld. ❈ In de iPod-modus, naar hoofdmap.
Kenmerken van uw auto MENU: MP3-CD/USB Herhalen Druk in de CD MP3-modus op de toets MENU voor de instellingen voor herhalen, afspelen in willekeurige volgorde in map, map herhalen, alles afspelen in willekeurige volgorde, informatie en kopiëren. Druk op de toets MENU Kies [ RPT] met de afstemknop of toets 1 om het muziekstuk waar naar geluisterd wordt te herhalen. ❈ Druk nogmaals op RPT om de functie uit te schakelen. Druk op de toets MENU Kies [ A.
Kenmerken van uw auto Kopiëren MENU: iPod Druk op de toets MENU Kies [ Copy] met de afstemknop of toets 6 . • Deze functie wordt gebruikt om het huidige muziekstuk te kopiëren naar My Music. U kunt de gekopieerde muziek afspelen in de My Musicmodus. ❈ Als er een andere toets wordt ingedrukt tijdens het kopiëren verschijnt er een pop-upvenster waarin u gevraagd wordt of het kopiëren moet worden beëindigd.
Kenmerken van uw auto MENU: My Music-modus Afspelen in willekeurige volgorde Wissen Druk in de My Music-modus op de toets MENU voor de instellingen voor herhalen, afspelen in willekeurige volgorde, informatie, wissen, alles wissen en selectie wissen in album. Druk op de toets MENU Kies [ RDM] met de afstemknop of toets 2 . Alle nummers in de huidige map worden in willekeurige volgorde afgespeeld. ❈ Druk nogmaals op RDM om het afspelen in willekeurige volgorde uit te schakelen.
Kenmerken van uw auto Alles wissen AUX Druk op de toets MENU Kies [ Del.All] met de afstemknop of toets 5 . Alle muziekstukken uit My Music worden gewist. AUX wordt gebruikt om MEDIAbestanden af te spelen die zijn opgeslagen op het externe apparaat dat op dat moment is aangesloten op de AUX-aansluiting. De AUX-modus wordt automatisch geactiveerd als een extern apparaat wordt aangesloten op de AUXaansluiting.
Kenmerken van uw auto OPMERKING BIJ HET GEBRUIK VAN EEN BLUETOOTH®-TELEFOON • Gebruik uw mobiele telefoon niet tijdens het rijden en pas de Bluetooth®-instellingen niet tijdens het rijden aan (bijvoorbeeld koppelen van een telefoon). • Sommige Bluetooth®-telefoons worden mogelijkerwijs niet door het systeem herkend of zijn niet volledig compatibel met het systeem.
Kenmerken van uw auto Bluetooth®, wat is dat eigenlijk? Bluetooth® is een techniek waarbij meerdere apparaten (zoals handsfreesets, stereoheadsets, afstandsbediening op het stuurwiel) draadloos over een korte afstand met elkaar verbonden kunnen worden. Surf voor meer informatie naar de Bluetooth®-website www.Bluetooth.com. OPMERKING • Bluetooth -functies kunnen alleen worden gebruikt als de mobiele telefoon is aangemeld bij en verbonden met het systeem.
Kenmerken van uw auto Bluetooth®-audio Voor het gebruik van Bluetooth®audiofuncties • Bluetooth®-audio wordt wellicht niet ondersteund, dat is afhankelijk van de compatibiliteit van uw Bluetooth®telefoon. • Om Bluetooth®-audio te kunnen gebruiken, moet u uw Bluetooth®telefoon eerst aanmelden en verbinding maken met het systeem. • Bluetooth®-audio kan alleen worden gebruikt als de [Audio Streaming] voor Phone On is.
Kenmerken van uw auto TELEFOON Bellen met behulp van stuurwieltoetsen Voor het gebruik van de Bluetooth®telefoonfuncties • Om de Bluetooth®-telefoon te kunnen gebruiken, moet u uw Bluetooth®telefoon eerst aanmelden en verbinding maken met het systeem. • Als de mobiele telefoon niet aangemeld is of als er geen verbinding is, kan de Phone-modus niet worden ingeschakeld. Als de telefoon aangemeld is of als er verbinding is, wordt het begeleidingsscherm weergegeven.
Kenmerken van uw auto MENU telefoon Contacten Instellen telefoon Druk op de toets PHONE om de drie menu's weer te geven (gespreksgeschiedenis, telefoonboek, telefooninstellingen). Druk op de toets PHONE Kies [ Phone book] met de afstemknop of toets 2 . De contacten worden weergegeven en kunnen worden gebruikt om een nummer te selecteren dat vervolgens gebeld kan worden.
Vóór het rijden / 5-3 Standen contactslot / 5-5 Starten van de stop / 5-7 Toets engine start/stop / 5-9 ISG (idle stop & go) / 5-15 Handgeschakelde transmissie / 5-20 Automatische transmissie / 5-23 Remsysteem / 5-29 Cruise control-systeem / 5-42 Snelheidslimietregelsysteem / 5-48 Brandstofbesparing / 5-52 Rijden met uw auto Rijden onder speciale rijomstandigheden / 5-54 Rijden in de winter / 5-59 Rijden met een aanhanger / 5-63 Massa van de auto / 5-72 5
Rijden met uw auto WAARSCHUWING - WAARSCHUWING - UITLAATGASSEN KUNNEN GEVAARLIJK ZIJN! Uitlaatgassen kunnen bijzonder gevaarlijk zijn. Draai onmiddellijk de ruiten open als u in de auto uitlaatgas ruikt. • Inhaleer uitlaatgassen niet. Uitlaatgassen bevatten koolmonoxide, een kleurloos en reukloos gas dat bewusteloosheid en dood door verstikking kan veroorzaken. • Controleer of het uitlaatsysteem niet lekt.
Rijden met uw auto VÓÓR HET RIJDEN Vóór het instappen Noodzakelijke controles Vóór het starten • Zorg ervoor dat alle ruiten, buitenspiegel(s) en lampen schoon zijn. • Controleer de toestand van de banden. • Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn. • Controleer of er zich geen obstakels achter de auto bevinden wanneer u achteruit wilt rijden.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van anderen, in het bijzonder kinderen, alvorens u de transmissie in stand D (Drive) of R (Reverse) zet. 5 4 WAARSCHUWING Rijden onder invloed van alcohol of drugs Rijden onder invloed is gevaarlijk. Rijden onder invloed is de belangrijkste doodsoorzaak in het verkeer. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemingsen beoordelingsvermogen verminderen.
Rijden met uw auto STANDEN CONTACTSLOT ■ Type A LOCK ACC ON START OUB051002 OUB051001 ■ Type B Verlicht contactslot LOCK Het stuurslot beschermt tegen diefstal. De contactsleutel kan alleen uit het contact worden verwijderd als het contact in stand LOCK staat. Om de contactsleutel in stand LOCK te zetten, moet deze in stand ACC worden ingedrukt en vervolgens naar de stand LOCK worden gedraaid. ACC (Accessoires) Het stuurwiel is van het stuurslot en de elektrische accessoires werken.
Rijden met uw auto START (4) Draai de contactsleutel in stand START om de motor te starten. De startmotor draait totdat u de sleutel loslaat. De sleutel keert vervolgens terug in stand ON. In deze stand gaat het waarschuwingslampje van het remsysteem ter controle branden. 5 6 WAARSCHUWING Contactsleutel • Zet het contact nooit in stand LOCK of ACC terwijl de auto rijdt. Hierdoor kunt u de controle over de auto verliezen en neemt de remkracht af, wat tot een ongeval kan leiden.
Rijden met uw auto STARTEN VAN DE MOTOR Starten van de motor WAARSCHUWING Draag altijd geschikte schoenen tijdens het rijden. Ongeschikte schoenen (hoge hakken, skischoenen, enz.) kunnen het bedienen van het rempedaal, het gaspedaal en het koppelingspedaal (indien van toepassing) bemoeilijken. ✽ AANWIJZING - Kickdown-mechanisme (indien van toepassing) Het kickdown-mechanisme in het gaspedaal voorkomt dat er onbedoeld met volgas wordt gereden door het gaspedaal extra weerstand te geven.
Rijden met uw auto Starten van de dieselmotor Om de dieselmotor te starten bij koude motor moet deze voorgegloeid worden voordat de motor wordt gestart, en vervolgens opgewarmd worden voordat u gaat rijden. 1. Controleer of de parkeerrem is geactiveerd. 2. Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingspook in de vrijstand. Houd het koppelingspedaal en rempedaal ingetrapt en draai de contactsleutel naar de stand START.
Rijden met uw auto TOETS ENGINE START/STOP (INDIEN VAN TOEPASSING) Positie van de toets ENGINE START/STOP UIT Wit • Met handgeschakelde transmissie Om de motor (stand START/RUN) of het contact (stand ON) uit te schakelen, brengt u de auto tot stilstand en drukt u op de toets ENGINE START/STOP. OUB051004 Verlichte toets ENGINE START/STOP Wanneer het voorportier wordt geopend, gaat de verlichting van de toets ENGINE START/STOP branden.
Rijden met uw auto ✽ AANWIJZING Als het stuurwiel niet correct wordt ontgrendeld, zal de toets ENGINE START/STOP niet werken. Druk de toets ENGINE START/STOP in terwijl u het stuurwiel naar rechts en naar links draait. • Als het contact moeilijk in stand ACC is te zetten, draai dan het stuurwiel naar rechts en naar links terwijl u de toets ENGINE START/STOP indrukt om de spanning te verminderen. • Schakel de motor pas uit wanneer de auto tot stilstand is gekomen.
Rijden met uw auto ✽ AANWIJZING START/RUN Als u de toets ENGINE START/STOP lang in stand ACC of ON laat staan, zal de accu ontladen raken. Niet verlicht • Met handgeschakelde transmissie Om de motor te starten trapt u het koppelingspedaal en het rempedaal in en drukt u de toets ENGINE START/STOP in met de selectiehendel in stand N (vrijstand).
Rijden met uw auto Starten van de motor WAARSCHUWING Draag altijd geschikte schoenen tijdens het rijden. Ongeschikte schoenen (hoge hakken, skischoenen, enz.) kunnen het bedienen van het rempedaal en bemoeilijken. ✽ AANWIJZING - Kickdown-mechanisme (indien van toepassing) Het kickdown-mechanisme in het gaspedaal voorkomt dat er onbedoeld met volgas wordt gereden door het gaspedaal extra weerstand te geven.
Rijden met uw auto Glow indicator light W-60 3. Druk de toets Engine Start/Stop in terwijl u het rempedaal ingetrapt houdt. 4. Houd het rempedaal ingetrapt totdat het controlelampje voorgloeien dooft. (ongeveer 5 seconden) 5. De motor start wanneer het controlelampje voorgloeien dooft. ✽ AANWIJZING Als u de toets Engine Start/Stop nogmaals indrukt terwijl de motor voorgegloeid wordt, kan de motor aanslaan.
Rijden met uw auto OPMERKING Probeer de selectiehendel niet in stand P (Park) te zetten wanneer de motor tijdens het rijden afslaat. Als de verkeersomstandigheden het toelaten kunt u de selectiehendel in stand N (vrijstand) zetten terwijl de auto nog rijdt en vervolgens de toets ENGINE START/STOP indrukken om te proberen de motor opnieuw te starten. ■ Type A OUB051003 ■ Type B (Vervolg) • Wanneer de remlichtzekering is doorgebrand, kunt u de motor niet normaal starten.
Rijden met uw auto ISG (IDLE STOP & GO) (INDIEN VAN TOEPASSING) Uw auto kan zijn uitgerust met het ISGsysteem dat het brandstofverbruik vermindert door de motor automatisch uit te schakelen als de auto stilstaat. (Bijvoorbeeld: rood verkeerslicht, stopbord en file) De motor wordt automatisch gestart zodra aan de startvoorwaarden wordt voldaan. Het ISG-systeem is INGESCHAKELD wanneer de motor draait.
Rijden met uw auto OUB051020 (Vervolg) • Als u de veiligheidsgordel losmaakt of het bestuurdersportier (de motorkap) opent in de stand waarbij de motor automatisch is uitgezet, gaat het lampje in de ISG OFF-knop branden en wordt het ISG-systeem gedeactiveerd. Als uw auto uitgerust is met een controlepaneel, dan verschijnt de melding in het LCDdisplay. Draai de contactsleutel in stand START om de motor handmatig te starten.
Rijden met uw auto ■ Type A OUB051006 ■ Type B OUB051019 De motor wordt in de volgende gevallen ook automatisch gestart zonder dat de bestuurder iets hoeft te doen: - De aanjagersnelheid van het handbediende verwarmingsen ventilatiesysteem staat in een hogere stand dan stand 3 terwijl de airconditioning is ingeschakeld. - De aanjagersnelheid van het automatische verwarmingsen ventilatiesysteem staat in een hogere stand dan stand 6 terwijl de airconditioning is ingeschakeld.
Rijden met uw auto ■ Type A OUB051022 ■ Type B ■ Type B ■ Type B OUB051006/OUB051059 OUB051011 Deactiveren van ISG-systeem OUB051021 ✽ AANWIJZING • Als er niet aan die bedrijfsomstandigheden wordt voldaan, dan wordt het ISG-systeem gedeactiveerd. Het lampje in de ISG OFF-knop gaat branden en er verschijnt een melding in het LCD-display (indien van toepassing). • Controleer de werking als het lampje continu blijft branden of de melding continu verschijnt.
Rijden met uw auto Als uw auto uitgerust is met een controlepaneel, dan verschijnt de melding in het LCD-display. ✽ AANWIJZING • Als het lampje in de ISG OFF-knop niet uit gaat wanneer u opnieuw op de ISG OFF-knop drukt of als het ISGsysteem continu niet goed blijft werken, neem dan zo snel mogelijk contact op met een officiële KIA Erkend Reparateur.
Rijden met uw auto HANDGESCHAKELDE TRANSMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING) ■ Type A Bedienen van de handgeschakelde transmissie ■ Type B De versnellingspook kan worden bediend zonder de knop (1) omhoog te trekken. Druk op de toets (1) wanneer u de selectiehendel in de achteruitversnelling zet. OUB051012/OUB051013 5 20 De handgeschakelde transmissie 5 (of 6) versnellingen vooruit. Het schakelpatroon is aangebracht in de pookknop.
Rijden met uw auto • Bij zeer lage buitentemperaturen kan het schakelen wat moeizamer gaan zolang de transmissieolie nog koud is. Dat is normaal en niet schadelijk voor de transmissie. • Als de auto geheel tot stilstand is gekomen en de 1e versnelling of de achteruit moeilijk ingeschakeld kunnen worden, zet dan de versnellingspook in de vrijstand en laat de koppeling opkomen. Trap het koppelingspedaal weer in en schakeel vervolgens de 1e versnelling of de achteruit in.
Rijden met uw auto Terugschakelen Schakel in druk verkeer of bij het oprijden van een steile helling terug voordat de motor te hard moet werken. Door terug te schakelen wordt de kans op afslaan beperkt en kan beter worden geaccelereerd wanneer u uw snelheid weer op moet voeren. Als de auto op een steile helling naar beneden rijdt, kan door terug te schakelen een veilige snelheid worden gehandhaafd en wordt bovendien de levensduur van de remmen verlengd.
Rijden met uw auto AUTOMATISCHE TRANSMISSIE Bediening automatische transmissie Selectiehendel Knop + (Opschakelen) De uiterst efficiënte automatische transmissie heeft 4 (6*) versnellingen vooruit en 1 versnelling achteruit. De verschillende versnellingen worden automatisch ingeschakeld, welke versnellingen er beschikbaar zijn, is afhankelijk van de stand van de selectiehendel.
Rijden met uw auto Trap voor een soepele en veilige bediening het rempedaal in bij het overschakelen van stand N naar een vooruitversnelling of de achteruitversnelling. WAARSCHUWING Automatische transmissie • Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van anderen, in het bijzonder kinderen, alvorens u de transmissie in stand D of R zet. • Controleer altijd of stand P is ingeschakeld, trek de parkeerrem volledig aan en zet de motor uit voordat u de auto verlaat.
Rijden met uw auto OPMERKING De transmissie kan beschadigd raken wanneer u stand P tijdens het rijden inschakelt. R (achteruit) Gebruik deze stand om de auto achteruit te rijden. OPMERKING Laat de auto helemaal tot stilstand komen alvorens de selectiehendel in of uit stand R te zetten. Anders zou de transmissie kunnen beschadigen, behalve onder de omstandigheden uitgelegd onder “Op eigen kracht lostrekken van de auto” in dit hoofdstuk. N (neutraal) De wielen en de transmissie zijn niet geblokkeerd.
Rijden met uw auto Gebruik van de selectiehendel Opschakelen (+) : Druk de selectiehendel één keer naar voren om één versnelling op te schakelen. Terugschakelen (-): Trek de selectiehendel één keer naar achteren om één versnelling terug te schakelen. ✽ AANWIJZING • In de sportstand moet de bestuurder zelf opschakelen overeenkomstig de rijomstandigheden en ervoor zorgen dat het motortoerental beneden het rode gebied blijft. • In de sportstand kunnen alleen de 4 of 6 versnellingen vooruit gekozen worden.
Rijden met uw auto Goede rijgewoonten • Houd het gaspedaal nooit ingetrapt als de selectiehendel van stand P of N in een andere stand wordt gezet. • Zet de selectiehendel nooit in stand P als de auto nog niet volledig tot stilstand is gekomen. • Zorg ervoor dat de auto volledig tot stilstand is gekomen voordat stand R, D wordt ingeschakeld. • Laat de auto nooit in zijn vrij een helling af rijden. Dit is bijzonder gevaarlijk. Laat de auto bij het rijden altijd in een versnelling staan.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING Als u met u auto vast komt te zitten in de sneeuw, modder, zand, enz., kunt u proberen de auto weer los te krijgen door afwisselend voor- en achteruit te rijden. Doe dat echter niet als er mensen of obstakels in de directe nabijheid van de auto aanwezig zijn. Tijdens het voor- of achteruitrijden kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor personen letsel kunnen oplopen of schade kan ontstaan.
Rijden met uw auto REMSYSTEEM Rembekrachtiging Uw auto is voorzien van bekrachtigde remmen die bij normaal gebruik automatisch afgesteld worden. Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te trappen. De remweg zal echter langer dan gewoonlijk zijn. Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds minder naarmate u vaker het rempedaal indrukt.
Rijden met uw auto Problemen bij het remmen Als de bedrijfsremmen tijdens het rijden uit zouden vallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal. WAARSCHUWING Parkeerrem Wanneer tijdens het rijden met een normale snelheid de parkeerrem wordt aangetrokken, kunt u plotseling de controle over de auto verliezen. Trek de parkeerrem voorzichtig aan wanneer u deze gebruikt om de auto tot stilstand te brengen.
Rijden met uw auto Trommelremmen achter (indien van toepassing) De trommelremmen achter zijn niet voorzien van slijtage-indicatoren. Laat de remvoeringen controleren als u hoort dat de remmen achter aanlopen. Laat daarnaast de remmen achter controleren wanneer u de wielen verwisselt of vervangt en wanneer de remmen vóór vervangen worden. OPMERKING • Wanneer met ingetrapte parkeerrem gereden wordt, zullen de remblokken overmatig slijten.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING OUB051017 Deactiveren van de parkeerrem Trap het rempedaal in en trek parkeerremhendel iets omhoog. Druk vervolgens de ontgrendelknop in en beweeg de parkeerremhendel naar beneden terwijl u ontgrendelknop ingedrukt houdt. de (1) (2) de Laat de auto controleren door een officiële KIA-dealer als de parkeerrem niet of niet helemaal in de vrijstand terugkeert. 5 32 • Gebruik stand P niet in plaats van de parkeerrem om de auto op zijn plaats te houden.
Rijden met uw auto Antiblokkeersysteem (ABS) (indien van toepassing) WAARSCHUWING ABS (of ESP) kan geen ongelukken voorkomen die het gevolg zijn van gevaarlijk rijgedrag. Hoewel de auto bij een noodstop beter onder controle gehouden kan worden, is het toch noodzakelijk voldoende afstand tot uw voorligger te bewaren. U moet uw rijsnelheid altijd aanpassen aan de omstandigheden en zo nodig uw snelheid verlagen.
Rijden met uw auto • Zelfs met het antiblokkeersysteem heeft uw auto nog steeds voldoende remweg nodig. Bewaar altijd een veilige afstand tot de auto voor u. • Rem altijd af voor een bocht. Het antiblokkeersysteem kan geen ongevallen voorkomen die het gevolg zijn van te snel rijden. • Op wegen met los grind of wegen die niet vlak zijn kan het antiblokkeersysteem voor een langere remweg zorgen dan bij auto’s zonder antiblokkeersysteem.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING OUB051018 Voertuigstabiliteitsregeling (ESP - Electronic stability program) (indien van toepassing) Het ESP-systeem is ontworpen om de stabiliteit van de auto in bochten te verbeteren. Het ESP controleert in welke richting u stuurt en in welke richting de auto daadwerkelijk beweegt. Het ESP remt de wielen gericht af en grijpt indien nodig in in het motormanagementsysteem om de auto te stabiliseren.
Rijden met uw auto Werking voertuigstabiliteitsregeling Voertuigstabiliteitsregeling ingeschakeld • Als het contact in stand ON wordt gezet, gaan de controlelampjes ESP en ESP OFF gedurende ongeveer 3 seconden branden, waarna de voertuigstabiliteitsregeling wordt ingeschakeld. • Houd, om de voertuigstabiliteitsregeling uit te schakelen, de schakelaar ESP OFF ten minste 0,5 seconden ingedrukt nadat het contact in stand ON is gezet. (Het controlelampje ESP OFF gaat branden.
Rijden met uw auto ■ Controlelampje ESP ■ Controlelampje ESP OFF Controlelampje Als het contact in stand ON wordt gezet, gaat het controlelampje branden. Als het systeem in orde is dooft het lampje na enige tijd weer. Het controlelampje ESP knippert als het ESP werkt of gaat branden als het ESP niet in werking treedt. Het controlelampje ESP OFF gaat branden als het ESP wordt uitgeschakeld met de schakelaar.
Rijden met uw auto ✽ AANWIJZING • Schakel de voertuigstabiliteitsregeling uit (controlelampje ESP OFF brandt) als de auto op een rollenbank getest wordt. • Het uitschakelen van de voertuigstabiliteitsregeling heeft geen gevolgen voor een correcte werking van het ABS en het remsysteem. WAARSCHUWING Druk nooit op de schakelaar ESP OFF als de voertuigstabiliteitsregeling in werking is. Als het systeem in dat geval toch wordt uitgeschakeld, kan de auto gaan slippen.
Rijden met uw auto Vehicle stability management (VSM) (indien van toepassing) Dit systeem zorgt voor nog meer stabiliteit en een betere stuurreactie bij het rijden op een glad wegdek of wanneer de auto tijdens het remmen een verschil in weerstand waarneemt tussen de rechter- en linkerwielen. Werking VSM Als het VSM in werking is, gaat het controlelampje ESP ( ) knipperen. Als het Vehicle Stability Management werkt, voelt u mogelijk lichte trillingen in de auto.
Rijden met uw auto ESS: Noodstopsignaal (indien van toepassing) Het ESS-systeem waarschuwt achteropkomende bestuurders door het remlicht te laten knipperen wanneer de auto plotseling tot stilstand komt of het ABS wordt geactiveerd. (Het systeem wordt geactiveerd wanneer de rijsnelheid hoger dan 55 km/h is en de auto ten minste 7 m/s² decelereert of het ABS wordt geactiveerd wanneer de auto een noodstop maakt.
Rijden met uw auto • Zet de transmissie tijdens het afrijden van een helling niet in de vrijstand. Dit is bijzonder gevaarlijk. Rijd met een ingeschakelde versnelling, gebruik het remsysteem om de snelheid te verlagen en schakel vervolgens een lagere versnelling in. Door tevens op de motor af te remmen, kunt u de snelheid op een veilige manier verlagen. • Houd het rempedaal niet langdurig achter elkaar ingetrapt.
Rijden met uw auto CRUISE CONTROL-SYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) De cruise control stelt u in staat een bepaalde rijsnelheid te programmeren die de auto vervolgens aanhoudt, zonder dat u de voet op het gaspedaal hoeft te houden. Dit systeem is ontworpen om bij een snelheid van meer dan 40 km/h in werking te treden. 5 42 WAARSCHUWING • Als het systeem niet wordt uitgeschakeld (controlelampje CRUISE blijft branden) kan de cruise control mogelijk onbedoeld worden geactiveerd.
Rijden met uw auto ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B ■ Type C ■ Type D ■ Type C ■ Type D OUB051030/OUB051031/OUB051032/OUB051033 OUB051034/OUB051038/OUB051042/OUB051046 Cruise control-schakelaar Rijsnelheid instellen: CANCEL : Schakelt de cruise control uit. / ON/OFF : Uit- of inschakelen cruise control-systeem. RES+ : Hervatten of verhogen snelheid cruise control. SET- : Hervatten of verlagen snelheid cruise control. 1.
Rijden met uw auto ■ Type A ■ Type B ■ Type A ■ Type B ■ Type C ■ Type D ■ Type C ■ Type D OUB051036/OUB051040/OUB051044/OUB051048 3. Beweeg de combischakelaar omlaag (naar SET-) en laat deze los bij de gewenste snelheid. Het controlelampje cruise set in het instrumentenpaneel zal gaan branden. Laat op dat moment ook het gaspedaal los. De snelheid wordt nu automatisch aangehouden. Op steile hellingen kan de snelheid van de auto tijdelijk iets hoger of lager worden.
Rijden met uw auto ■ Type A ■ Type B Tijdelijk accelereren met ingeschakelde cruise control: Trap het gaspedaal in als u tijdelijk sneller wilt gaan rijden terwijl de cruise control is ingeschakeld. De cruise control wordt niet uitgeschakeld en de rijsnelheid die oorspronkelijk was ingesteld blijft behouden. Laat het gaspedaal los om weer terug te keren naar de oorspronkelijke rijsnelheid.
Rijden met uw auto ■ Type A ■ Type B ■ Type C ■ Type D OUB051037/OUB051041/OUB051045/OUB051049 Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit: • Trap het rempedaal in. • Trap, in het geval van een handgeschakelde transmissie, het koppelingspedaal in. • Zet de selectiehendel in stand N (neutraal), indien uitgerust met een automatische transmissie. • Druk op de toets O/CANCEL op het stuurwiel.
Rijden met uw auto ■ Type A ■ Type B Schakel de cruise control op één van de volgende manieren uit: • Druk op de toets / ON/OFF (het controlelampje cruise op het instrumentenpaneel gaat uit). • Zet het contact in stand LOCK. In deze beide gevallen wordt het systeem uitgeschakeld. Volg de aanwijzingen onder “Rijsnelheid instellen” op de vorige bladzijde om de cruise control opnieuw in te schakelen.
Rijden met uw auto SNELHEIDSLIMIETREGELSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) U kunt de snelheidslimiet instellen wanneer u niet harder dan een bepaalde snelheid wilt rijden. Als u harder rijdt dan de ingestelde snelheidslimiet, zal de ingestelde snelheidslimiet gaan knipperen en de zoemer klinken tot u de rijsnelheid verlaagt tot maximaal de snelheidslimiet. ■ Type A ■ Type A ✽ AANWIJZING Als de snelheidslimietregeling is ingeschakeld, kan de cruise control niet worden geactiveerd.
Rijden met uw auto Het controlelampje voor de snelheidsbegrenzing zal gaan branden. ■ Type A De ingestelde snelheidslimiet wordt in het instrumentenpaneel weergegeven. OUB051061 OUB051054 ■ Type B OUB051055 2. Beweeg de hendel omlaag (naar SET-). 3. Beweeg de hendel omhoog (naar RES+) of omlaag (naar SET-) en laat hem los bij de gewenste snelheid. Beweeg de hendel omhoog (RES+) of omlaag (SET-) en houd hem in die stand vast. De snelheid wordt met 5 km/h verhoogd of verlaagd.
Rijden met uw auto ■ Type A OUB051056 OUB051062 OUB051065 De ingestelde snelheidsbegrenzing wordt weergegeven. Om harder te rijden dan de ingestelde snelheid moet u het gaspedaal ver intrappen (verder dan voor ongeveer 80%) totdat het kick-downmechanisme met een klikkend geluid in werking treedt. Dan wordt de ingestelde snelheid knipperend weergegeven en klinkt de zoemer totdat u weer langzamer gaat rijden dan de ingestelde snelheid.
Rijden met uw auto Als u de toets CANCEL één keer indrukt, annuleert u de ingestelde snelheidslimiet; het systeem blijft echter ingeschakeld. Als u de snelheidslimiet opnieuw wilt instellen, beweeg dan de hendel omhoog (naar RES+) of omlaag (naar SET-) tot de gewenste snelheid is bereikt. OUB051064 CAUTION Bij een probleem in het snelheidsbegrenzingssysteem gaat het controlelampje OFF knipperen. Laat in dat geval het systeem zo snel mogelijk controleren door een officiële KIA-dealer.
Rijden met uw auto BRANDSTOFBESPARING Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl, de plaatsen waar u rijdt en de omstandigheden waaronder u rijdt. Al deze factoren zijn van invloed op het totale aantal kilometers dat u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en bespaart u geld op zowel de brandstof als op reparaties en onderhoud: • Rijd zo vloeiend mogelijk.
Rijden met uw auto • Houd uw auto schoon. Om optimaal service aan uw auto te kunnen laten uitvoeren, moet uw auto schoon zijn en moeten materialen die corrosie kunnen veroorzaken, verwijderd worden. Het is vooral belangrijk opeenhopingen van modder, vuil, ijs, enz. aan de onderzijde van de auto te voorkomen. Het extra gewicht van dergelijke opeenhopingen verhoogt het brandstofverbruik en het materiaal kan corrosie veroorzaken omdat het lang vochtig kan blijven. • Houd uw auto zo licht mogelijk.
Rijden met uw auto RIJDEN ONDER SPECIALE RIJOMSTANDIGHEDEN Rijden onder moeilijke omstandigheden Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt: • Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer. • Vermijd abrupt remmen of sturen. • Rem “pompend”als uw auto niet voorzien is van ABS. • Probeer weg te rijden in de tweede versnelling als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING Slippende wielen Laat de wielen niet doorslippen, vooral niet bij snelheden hoger dan 56 km/h. Het met hoge snelheid door laten slippen van de wielen wanneer de auto stilstaat, kan oververhitting van de banden veroorzaken waardoor deze kunnen exploderen en voorbijgangers kunnen verwonden. ✽ AANWIJZING De voertuigstabiliteitsregeling (indien van toepassing) moet in stand OFF wordt gezet voordat de auto op eigen kracht losgetrokken wordt.
Rijden met uw auto OMC035004 Rijden in het donker Omdat het rijden in het donker meer gevaren oplevert dan het rijden bij daglicht, volgen hier een aantal belangrijke tips om te onthouden: • Rijd langzamer en houd meer afstand tussen u en uw voorliggers omdat het zicht in het donker beperkter is, vooral in gebieden waar geen straatverlichting is. 5 56 • Stel uw spiegels bij om schittering door de koplampen van andere auto's te beperken.
Rijden met uw auto • Wanneer de banden niet in een goede staat verkeren, kunnen de wielen bij een noodstop op een nat wegdek gaan slippen, waardoor een ongeluk kan ontstaan. Zorg ervoor dat de banden in goede staat verkeren. • Schakel uw verlichting in zodat anderen u beter kunnen zien. • Te snel door grote waterplassen rijden kan uw remmen aantasten. Als u door plassen moet rijden, probeer dit dan langzaam te doen.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING • Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn. Controleer voordat u gaat rijden altijd eerst de bandenspanning. Zie voor de juiste bandenspanning “Banden en velgen” in hoofdstuk 8. • Het rijden met banden zonder of met onvoldoende profiel is gevaarlijk.
Rijden met uw auto RIJDEN IN DE WINTER Sneeuw en ijs OBH058040 De slechtere weersomstandigheden in de winter leiden tot meer slijtage en andere problemen. Volg onderstaande aanwijzingen om de problemen tijdens het rijden in de winter tot een minimum te beperken: Om met uw auto op een besneeuwd wegdek te kunnen rijden, kan het noodzakelijk zijn gebruik te maken van winterbanden of sneeuwkettingen onder uw auto te monteren.
Rijden met uw auto OPMERKING 1JBA4068 Sneeuwkettingen Omdat de wangen van een radiaalband vrij dun zijn, kunnen ze door sommige typen sneeuwkettingen beschadigd raken. Daarom wordt aanbevolen om winterbanden te gebruiken in plaats van sneeuwkettingen. Monteer geen sneeuwkettingen op auto’s met lichtmetalen velgen, omdat de velgen daardoor beschadigd kunnen raken. Als het onvermijdelijk is om sneeuwkettingen te gebruiken, gebruik dan sneeuwkettingen met een dikte van minder dan 12 mm (0,47 in).
Rijden met uw auto WAARSCHUWING Sneeuwkettingen • Het rijgedrag van de auto kan door het gebruik van kettingen negatief beïnvloed worden. • Rijd nooit sneller dan 30 km/h (20 mph) of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd de laagste snelheid aan. • Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten, scherpe bochten en andere situaties waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren. • Vermijd het maken van scherpe bochten en het remmen met geblokkeerde wielen.
Rijden met uw auto Voorkom bevriezing van de sloten Spuit een goedgekeurde slotontdooier of glycerine in het sleutelgat om bevriezing van de sloten te voorkomen. Verwijder het ijs van een bevroren slot door het in te spuiten met een goedgekeurde slotontdooier. Een inwendig bevroren slot kunt u proberen te ontdooien met behulp van een verwarmde sleutel. Zorg ervoor dat u zich niet brandt aan de verwarmde sleutel.
Rijden met uw auto RIJDEN MET EEN AANHANGER (EUROPA) Stel u voordat u met uw auto een aanhanger gaat trekken eerst op de hoogte van de wettelijke voorschriften. Dat is noodzakelijk omdat de voorschriften met betrekking tot de aanhanger, de auto en dergelijke per land kunnen verschillen. Vraag een officiële KIA-dealer om meer informatie voordat u met uw auto een aanhanger gaat trekken. WAARSCHUWING Rijden met een aanhanger Bij verkeerd gebruik van de aanhanger kunt u de controle over de auto verliezen.
Rijden met uw auto Uw auto is geschikt om met een aanhanger te rijden. Raadpleeg de informatie onder “Aanhangwagengewicht” verderop in dit hoofdstuk om te bepalen hoe zwaar de aanhanger maximaal mag zijn. Let op dat rijden met een aanhanger anders is dan rijden zonder aanhanger. Bij rijden met een aanhanger is de besturing anders en nemen slijtage en brandstofverbruik toe.
Rijden met uw auto Trekhaak Losbreekvoorziening Remsysteem aanhanger Een goede trekhaak is zéér belangrijk. Zijwind, rukwinden door passerende vrachtwagens en hobbelige wegen vormen een zware belasting voor de trekhaak. Neem de volgende regels in acht: • Moeten er voor het bevestigen van de trekhaak gaten worden geboord in het chassis? Zorg er in dat geval voor dat, wanneer de trekhaak weer wordt verwijderd, deze gaten weer worden afgedicht.
Rijden met uw auto Rijden met een aanhanger Voor het rijden met een aanhanger is enige ervaring vereist. Ga, voordat u zich op de openbare weg begeeft, eerst oefenen met het rijden met een aanhanger. Probeer vertrouwd te raken met het gewijzigde stuur- en remgedrag. Houd altijd in gedachten dat de auto met aanhanger langer is en minder snel reageert.
Rijden met uw auto Richtingaanwijzers aanhanger De aanhanger dient te zijn voorzien van richtingaanwijzers. Als u de richtingaanwijzers inschakelt, gaan de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen. De richtingaanwijzers van de aanhanger dienen gelijktijdig mee te knipperen. Ook als de richtingaanwijzers van de aanhanger niet werken, zullen de groene pijlen in het instrumentenpaneel knipperen.
Rijden met uw auto OPMERKING • Houd de motortemperatuur goed in de gaten als u met een aanhanger een steile helling (meer dan 6%) oprijdt. Hierdoor kan de motor oververhit raken. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken en de naald op "H (of 130°C)" staat, breng de auto dan op een veilige plaats tot stilstand om de motor af te laten koelen. Zodra de motor voldoende is afgekoeld, kunt u uw weg vervolgen.
Rijden met uw auto WAARSCHUWING Parkeerrem Stap niet uit voordat de parkeerrem goed is aangetrokken. Als u de motor laat draaien, kan de auto plotseling in beweging komen. Uzelf of andere mensen kunnen hierdoor ernstig letsel oplopen. Wegrijden op een helling 1. Zet de handgeschakelde transmissie in de vrijstand of de automatische transmissie in stand P, houd het rempedaal ingetrapt en: • Start de motor. • Zet de transmissie in de eerste versnelling of in stand D. • Ontgrendel de parkeerrem. 2.
Rijden met uw auto Als u gaat rijden met een aanhanger Let op de volgende punten als u gaat rijden met een aanhanger: • Overweeg de aanschaf van stabilisatorkoppeling. Raadpleeg de leverancier van uw aanhanger voor meer informatie. • Trek tijdens de inrijperiode van uw auto, gedurende de eerste 2.000 km geen aanhanger. Als u dat wel doet, kan schade aan de motor of de transmissie ontstaan. • Neem contact op met een officiële KIAdealer over de benodigde zaken als een trekhaak, enz.
Rijden met uw auto De kogeldruk mag maximaal 10% van het totale aanhangwagengewicht bedragen. Controleer na het beladen van de aanhanger of de kogeldruk in orde is. Als dat niet het geval is, kan deze worden aangepast door de belading van de aanhanger anders te verdelen.
Rijden met uw auto MASSA VAN DE AUTO In dit deel vindt u informatie over de juiste manier van beladen van uw auto en/of aanhanger, zodat u ervoor kunt zorgen dat u het maximaal toelaatbaar totaalgewicht, met of zonder aanhanger, niet overschrijdt. Een juiste manier van beladen zorgt ervoor dat de prestaties van de auto zo min mogelijk in negatieve zin beïnvloed worden.
Waarschuwingssignalen / 6-2 Wat te doen in een noodgeval tijdens het rijden / 6-3 Als de motor niet gestart kan worden / 6-4 Starten met hulpaccu / 6-5 Als de motor oververhit raakt / 6-7 Lekke band / 6-8 Lekke band (Met TireMobilityKit) / 6-16 Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) / 6-22 Slepen / 6-28 Wat te doen in een noodgeval 6
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWINGSSIGNALEN • De alarmknipperlichten werken ongeacht of de motor draait of niet. • De richtingaanwijzers werken niet wanneer de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn. • Wees voorzichtig bij het gebruiken van de alarmknipperlichten wanneer de auto gesleept wordt. OUB041094 Alarmknipperlichten De alarmknipperlichten dienen ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto.
Wat te doen in een noodgeval WAT TE DOEN IN EEN NOODGEVAL TIJDENS HET RIJDEN Als de motor afslaat op een kruising of kruispunt Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt Als de motor afslaat tijdens het rijden Zet de selectiehendel in stand N als de motor afslaat op een kruising of kruispunt en duw de auto naar een veilige plek. Als tijdens het rijden een band leegloopt: 1. Laat het gaspedaal los en verminder vaart terwijl u rechtuit blijft rijden.
Wat te doen in een noodgeval ALS DE MOTOR NIET GESTART KAN WORDEN Als de motor niet of langzaam ronddraait Als de motor wel ronddraait maar niet aanslaat 1. Controleer als uw auto is uitgerust met een automatische transmissie of de selectiehendel in stand N of P staat en of de parkeerrem geactiveerd is. 2. Controleer of de accuklemmen schoon zijn en goed vastzitten. 3. Schakel de interieurverlichting in.
Wat te doen in een noodgeval STARTEN MET HULPACCU Starten met een hulpaccu Startkabels (-) (+) (-) (+) Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg daarom de procedures voor het starten met een hulpaccu om te voorkomen dat u letsel oploopt of de auto en de accu beschadigd raken. Wij adviseren u met klem om bij twijfel een expert te raadplegen.
Wat te doen in een noodgeval Startprocedure met behulp van een hulpaccu OPMERKING - AGM-accu (indien van toepassing) • AGM-accu's (Absorbed Glass Mat) zijn onderhoudsvrij en mogen alleen worden onderhouden door een officiële KIA-dealer. Gebruik voor het laden van uw AGM-accu alleen volautomatische acculaders die speciaal zijn ontworpen voor AGM-accu's. • Gebruik voor het vervangen van de AGM-accu een originele KIAaccu voor het ISG-systeem. • Open of verwijder de afdekkap bovenop de accu niet.
Wat te doen in een noodgeval ALS DE MOTOR OVERVERHIT RAAKT Als uw temperatuurmeter een te hoge temperatuur aangeeft, als u een vermogensverlies bespeurt of wanneer u luid kloppende of pingelende geluiden hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit geraakt. Als dat gebeurt moet u: 1. De auto zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand brengen. 2. De selectiehendel in stand P (automatische transmissie) of de vrijstand (handgeschakelde transmissie) zetten en de parkeerrem activeren.
Wat te doen in een noodgeval LEKKE BAND Aanwijzingen voor krikken De krik is uitsluitend bedoeld voor het verwisselen van een wiel. Berg de krik zorgvuldig op om te voorkomen dat hij tijdens het rijden gaan rammelen. Neem de onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen. OUB061002 Krik en gereedschap De krik, de krikslinger en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de bagageruimte. Til de afdekplaat omhoog om het gereedschap te kunnen bereiken.
Wat te doen in een noodgeval (Vervolg) • Anders zou de krik gemakkelijk om kunnen vallen en ernstig letsel veroorzaken. Begeef u nooit onder een auto die alleen met een krik wordt ondersteund. Plaats altijd eerst extra steunen. • Start de motor niet en laat hem niet draaien zolang de auto is opgekrikt. • Zorg dat er niemand meer in de auto aanwezig als deze wordt opgekrikt. • Zorg ervoor dat kinderen op een veilige afstand van de auto en van de weg worden gehouden voordat de auto wordt opgekrikt.
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWING - 1VQA4023 4. Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto. 5. Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt. 6 10 Wielen verwisselen • Trek de parkeerrem altijd volledig aan en blokkeer het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt om te voorkomen dat de auto tijdens het verwisselen van een wiel beweegt.
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWING Krikpunten Gebruik altijd de bij de auto aanwezige krik en de juiste kriksteunpunten. Gebruik nooit andere delen van de carrosserie om de auto op te krikken. Dit om de kans op letsel te beperken. OUB061008 OUB061006 7. Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel. De krikpunten zijn extra verstevigd en zijn herkenbaar aan de uitsparingen in de dorpelrand. 8.
Wat te doen in een noodgeval 9. Draai de wielmoeren verder los en verwijder ze. Schuif het wiel van de wielbouten af en leg het wiel plat neer, zodat het niet kan wegrollen. Pak het reservewiel op, breng de gaten voor de wielbouten in lijn met de wielbouten en schuif het wiel op de wielbouten. Houd het wiel iets scheef en begin met het bovenste gat in lijn te brengen met de bovenste wielbout als het niet lukt het wiel in één keer tegelijk op alle wielbouten te schuiven.
Wat te doen in een noodgeval Aanhaalmoment wielmoeren: Stalen velg en lichtmetalen velg: 9 - 11 kgm (65 - 79 lb.ft) OUB061007 Plaats de wielmoersleutel vervolgens zoals in de afbeelding is aangegeven en draai de wielmoeren vast. Zorg ervoor dat de moer helemaal in de dop valt. Ga niet op de hendel staan en gebruik ook geen pijp om de hendel te verlengen. Draai de moeren om en om vast tot alle moeren vastgedraaid zijn. Controleer vervolgens elke moer nogmaals op vastzitten.
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWING Tapeinden Wanneer de tapeinden beschadigd zijn, kunnen ze het wiel niet meer goed op zijn plaats houden. Hierdoor kan het wiel losraken en een ongeval veroorzaken, waardoor letsel kan ontstaan. Plaats de krik, de krikslinger, de wielmoersleutel en het gereedschapsetui zorgvuldig om te voorkomen dat ze tijdens het rijden gaan rammelen.
Wat te doen in een noodgeval Neem bij het gebruik van het compacte reservewiel de volgende voorzorgsmaatregelen in acht: • Rijd niet harder dan 80 km/h (50 mph); bij een hogere snelheid kan de band beschadigd raken. • Rijd langzaam genoeg om objecten op de weg te kunnen ontwijken. Objecten als putdeksels of afgevallen lading en andere voorwerpen, kunnen het compacte reservewiel ernstig beschadigen.
Wat te doen in een noodgeval LEKKE BAND (MET TIREMOBILITYKIT, INDIEN VAN TOEPASSING) OUB061009 OUB061010 Lees voordat u de TireMobilityKit gaat gebruiken eerst de instructies. (1) Compressor (2) Fles dichtmiddel Introductie Met de TireMobilityKit blijft u mobiel, ook na een lekke band.
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWING Gebruik de TireMobilityKit niet bij een band die ernstig beschadigd is door het te lang blijven rijden met de lekke band of door het te lang blijven rijden met een te lage bandenspanning. Alleen lekken in het loopvlak van de band kunnen met de TireMobilityKit worden gerepareerd. Uit veiligheidsoverwegingen mag het systeem niet gebruikt worden om beschadigingen aan de wangen te repareren. OAM060015L Componenten van de TireMobilityKit 3.
Wat te doen in een noodgeval 7. Drukmeter voor de bandenspanning 8. Knop om de bandenspanning te verlagen 9. Slang om de compressor aan te sluiten op de fles dichtmiddel of de compressor aan te sluiten op de band De stekkers, kabel en vulslang kunnen opgeborgen worden in de compressorbehuizing. WAARSCHUWING Lees en volg voor het gebruik van de TireMobilityKit de instructies op de fles dichtmiddel. Verwijder het label met de snelheidsbeperking van de fles dichtmiddel en breng dit op het stuurwiel aan.
Wat te doen in een noodgeval 9) Schakel de compressor uit. 10) Verwijder de vulslang van de fles dichtmiddel en het ventiel van de band. Plaats de TireMobilityKit terug in het opbergvak in de auto. WAARSCHUWING Koolmonoxidevergiftiging en verstikking kunnen het gevolg zijn als de motor draait in een nietof onvoldoende geventileerde ruimte. Het dichtmiddel verdelen Rijd onmiddellijk ongeveer 3 km om het dichtmiddel in de band gelijkmatig te verdelen. OPMERKING Rijd hierbij niet harder dan 80 km/h.
Wat te doen in een noodgeval - De bandenspanning verlagen: Druk knop 8 op de compressor in. OPMERKING Rijd opnieuw een stukje als de band niet op spanning blijft. Volg de aanwijzigen in 'Het dichtmiddel verdelen'. Herhaal dan de stappen 1 tot en met 4. De TireMobilityKit kan mogelijk niet gebruikt worden bij bandbeschadigingen groter dan ongeveer 4 mm.
Wat te doen in een noodgeval Technische specificaties Systeemspanning: 12 V gelijkspanning Werkspanning: 10 - 15 V gelijkspanning Opgenomen ampèrage: maximaal 15 A Geschikt voor gebruik bij temperaturen van: -30 - +70°C Max. werkdruk: 6 bar (87 psi) Afmeting Compressor: 170 x 150 x 60 mm Fles dichtmiddel: 85 x 77 mm Gewicht compressor: 0.8 kg Hoeveelheid dichtmiddel: 200 ml ❈ Dichtmiddel en reserveonderdelen zijn verkrijgbaar bij de officiële dealer of de bandenspecialist.
Wat te doen in een noodgeval CONTROLESYSTEEM LAGE BANDENSPANNING (TPMS) (INDIEN VAN TOEPASSING) Waarschuwingslampje lage bandenspanning/ Controlelampje storing TPMS Controleer iedere maand bij koude banden of de bandenspanning van alle banden, inclusief het reservewiel (indien van toepassing), overeenkomt met de aanbevolen spanning op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel.
Wat te doen in een noodgeval Wanneer het controlelampje brandt, kan het systeem mogelijk niet naar behoren een te lage bandenspanning vaststellen. Storingen in het TPMS kunnen door verschillende oorzaken ontstaan, waaronder het plaatsen, vervangen of wisselen van banden of velgen waardoor het TPMS niet goed werkt. Controleer na het vervangen van een of meerdere band(en) of velg(en) het controlelampje storing TPMS om ervoor te zorgen dat het TPMS goed werkt.
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWING - Schade door lage bandenspanning Een te lage bandenspanning zorgt ervoor dat de auto instabiel wordt en kan ervoor zorgen dat u de controle over de auto verliest en dat de remweg wordt verlengd. Doorrijden op banden met een te lage spanning heeft oververhitte en defecte banden tot gevolg.
Wat te doen in een noodgeval Een wiel wisselen met TPMS Bij een lekke band gaat het waarschuwingslampje lage bandenspanning branden. Laat de lekke band zo snel mogelijk door een officiële KIA-dealer repareren of vervang het wiel door het compacte reservewiel. OPMERKING Gebruik nooit een niet door KIA g o e d g e k e u r d bandenreparatiemiddel om de band met een te lage spanning te repareren. Het niet door KIA goedgekeurde middel kan de bandenspanningssensoren beschadigen.
Wat te doen in een noodgeval OPMERKING Wanneer een oorspronkelijk gemonteerde band vervangen wordt door het reservewiel, moet de TPMS-sensor op het reservewiel geïnitialiseerd en de TPMS-sensor op de oorspronkelijk gemonteerde band gedeactiveerd worden. Als de TPMS-sensor op de oorspronkelijk gemonteerde band in de reservewielhouder geactiveerd blijft, zal het controlesysteem lage bandenspanning mogelijk niet correct werken. Laat de band met TPMS repareren of vervangen door een officiële KIA-dealer.
Wat te doen in een noodgeval WAARSCHUWING - TPMS • Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge schade aan de banden veroorzaakt door externe factoren, zoals spijkers en dergelijke. • Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet van het gaspedaal, trap het rempedaal licht in en breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand.
Wat te doen in een noodgeval SLEPEN De auto mag gesleept worden met de achterwielen op de grond (zonder dollies) en de voorwielen van de grond. Als een van de aangedreven wielen of de wielophanging voor beschadigd is of als de auto wordt gesleept met de voorwielen van de grond, plaats dan een dolly onder de voorwielen. Als er geen dollies worden gebruikt, moet de auto worden gesleept met de voorwielen van de grond.
Wat te doen in een noodgeval Slepen in noodgevallen zonder dollies: 1. Zet het contact in stand ACC. 2. Zet de transmissie in stand N (neutraal). 3. Ontgrendel de parkeerrem. Voor OPMERKING Als de selectiehendel niet in stand N wordt gezet, kan dit inwendige schade in de transmissie tot gevolg hebben. OUB061012 OUB061011 Achter Afneembare trekhaak (Voor) (indien van toepassing) 1. Open de achterklep en verwijder het sleepoog uit de gereedschapsset. 2.
Wat te doen in een noodgeval Als dit niet mogelijk is, mag de auto tijdelijk worden gesleept met een sleepkabel of -ketting die aan het sleepoog aan de voor-of achterzijde van de auto is bevestigd. Wees voorzichtig bij het slepen van de auto. Laat een ervaren bestuurder in de gesleepte auto achter om te sturen en de remmen te bedienen. Op deze manier slepen mag alleen op verharde wegen, over een korte afstand en met lage snelheid.
Wat te doen in een noodgeval OED066029 • Gebruik een sleepkabel van maximaal 5 meter. Bevestig een rode doek in het midden. • Rijdt voorzichtig tijdens het slepen om te voorkomen dat de sleepkabel slap komt te hangen. Voorzorgsmaatregelen bij slepen in een noodgeval • Zet het contact in stand ACC, zodat het stuurslot niet kan worden ingeschakeld. • Zet de transmissie in stand N (neutraal). • Ontgrendel de parkeerrem. • Vanwege de verminderde remwerking, moet het rempedaal krachtiger worden bediend.
Motorruimte / 7-2 Onderhoudswerkzaamheden / 7-4 Door de eigenaar uit te voeren onderhoudswerkzaamheden / 7-6 Onderhoudsschema / 7-8 Uitleg bij onderhoudsschema / 7-20 Motorolie / 7-23 Koelvloeistof / 7-25 Remvloeistof / 7-29 Automatische-transmissievloeistof / 7-30 Brandstoffilter (Diesel) / 7-32 Ruitensproeiervloeistof / 7-33 Parkeerrem / 7-33 Luchtfilter / 7-34 Interieurfilter / 7-36 Ruitenwisserbladen / 7-38 Onderhoud 7 Battery / 7-41 Banden en wielen / 7-44 Zekeringen / 7-56 Gloeilampen / 7-70 Onderho
Onderhoud MOTORRUIMTE ■ Benzinemotor (1.25L) 1. Expansievat koelvloeistof 2. Radiateurdop 3. Remvloeistofreservoir 4. Luchtfilter 5. Peilstok motorolie 6. Vuldop motorolie 7. Sproeierreservoir ■ Benzinemotor (1.4L) 8. Zekeringkast 9. Pluspool accu 10. Minpool accu 11. Peilstok automatischetransmissievloeistof* * indien van toepassing ❈ De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.
Onderhoud ■ Dieselmotor (1.1L) 1. Expansievat koelvloeistof 2. Radiateurdop 3. Remvloeistofreservoir 4. Luchtfilter 5. Peilstok motorolie 6. Vuldop motorolie 7. Sproeierreservoir ■ Dieselmotor (1.4L) 8. Zekeringkast 9. Pluspool accu 10. Minpool accu 11. Brandstoffilter ❈ De uiteindelijke motorruimte kan afwijken van de afbeelding.
Onderhoud ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN Neem bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en controles de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht om schade aan uw auto en/of persoonlijk letsel te voorkomen. Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door een officiële KIAdealer.
Onderhoud Voorzorgsmaatregelen voor onderhoud uitgevoerd door eigenaar Verkeerd of onvolledig onderhoud kan problemen opleveren. In dit hoofdstuk worden alleen aanwijzingen gegeven voor werkzaamheden die eenvoudig uit te voeren zijn. Zoals eerder uitgelegd in dit hoofdstuk kunnen verschillende werkzaamheden alleen door een officiële KIA-dealer worden uitgevoerd die de beschikking heeft over speciaal gereedschap.
Onderhoud DOOR DE EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN De eigenaar of officiële KIA-dealer dient de onderstaande controles volgens het aangegeven interval uit te voeren om een veilige en betrouwbare werking van de auto te garanderen. Neem bij bijzonderheden zo spoedig mogelijk contact op met uw dealer.
Onderhoud Ten minste maandelijks: • Controleer het koelvloeistofniveau in het expansievat. • Controleer de werking van alle verlichting van uw auto, inclusief de remlichten, richtingaanwijzers en alarmknipperlichten. • Controleer de bandenspanning van alle wielen inclusief het reservewiel. Twee keer per jaar (in het voorjaar en in het najaar): • Controleer de radiateurslangen en de slangen van de verwarming en de airconditioning op lekkage en beschadigingen.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA Volg het “Onderhoudsschema bij normaal gebruik” wanneer de auto normaalgesproken wordt gebruikt onder andere dan de hieronder vermelde omstandigheden. Volg in de onderstaande gevallen het “Onderhoudsschema bij verzwaard gebruik”. • Veel korte ritten. • Rijden in extreem stoffige of zanderige gebieden. • Intensief gebruik van het remsysteem. • Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt. • Rijden op ruwe, modderige wegen.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK Onderstaand onderhoud moet worden uitgevoerd voor een goede emissieregeling en goede prestaties. Houd voor behoud van de garantie kwitanties bij voor al het uitgevoerde onderhoud aan emissiesystemen. Wanneer zowel de gereden afstand als de tijd wordt aangegeven, is de onderhoudsfrequentie afhankelijk van wat het eerste wordt bereikt. *1 : Controleer het motoroliepeil elke 500 km of voor een lange reis.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 15,000 km of 12 maanden ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Elke 15.000 km of 12 maanden) ❑ Vervang motorolie en filter (benzine 1,25) *1 *5 (Elke 15.000 km of 12 maanden) 7 10 30.000 km of 24 maanden ❑ Vervang motorolie en filter (benzine 1,25) *1 *5 (Elke 15.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 60.000 km of 48 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Elke 15.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 90.000 km of 72 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Iedere 15.000 km of 12 maanden) ❑ Controleer luchtfilter ❑ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing) ❑ Controleer accutoestand ❑ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen ❑ Controleer koelsysteem ❑ Controleer remschijven en remblokken ❑ Controleer aandrijfriem (benzine) *9 ❑ Controleer aandrijfriem (diesel) *9 (Eerste 90.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 120.000 km of 96 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Iedere 15.000 km of 12 maanden) ❑ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing) ❑ Controleer accutoestand ❑ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen ❑ Controleer koelsysteem ❑ Controleer remschijven en remblokken ❑ Controleer aandrijfriem (benzine) *9 ❑ Controleer aandrijfriem (diesel) *9 (Eerste 90.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 150.000 km of 120 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Iedere 15.000 km of 12 maanden) ❑ Controleer luchtfilter ❑ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing) ❑ Controleer accutoestand ❑ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen ❑ Controleer koelsysteem ❑ Controleer remschijven en remblokken ❑ Controleer aandrijfriem (benzine) *9 ❑ Controleer aandrijfriem (diesel) *9 (Eerste 90.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 180.000 km of 144 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Iedere 15.000 km of 12 maanden) ❑ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing) ❑ Controleer accutoestand ❑ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen ❑ Controleer koelsysteem ❑ Controleer remschijven en remblokken ❑ Controleer aandrijfriem (benzine) *9 ❑ Controleer aandrijfriem (diesel) *9 (Eerste 90.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 210.000 km of 168 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Iedere 15.000 km of 12 maanden) ❑ Controleer luchtfilter ❑ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing) ❑ Controleer accutoestand ❑ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen ❑ Controleer koelsysteem ❑ Controleer remschijven en remblokken ❑ Controleer aandrijfriem (benzine) *9 ❑ Controleer aandrijfriem (diesel) *9 (Eerste 90.
Onderhoud ONDERHOUDSSCHEMA BIJ NORMAAL GEBRUIK (VERVOLG) 240.000 km of 192 maanden (Vervolg) ❑ Toevoegen van brandstofadditieven *12 (Iedere 15.000 km of 12 maanden) ❑ Controleer koudemiddel airconditioning/aircocompressor (indien van toepassing) ❑ Controleer accutoestand ❑ Controleer remleidingen, -slangen en aansluitingen ❑ Controleer koelsysteem ❑ Controleer remschijven en remblokken ❑ Controleer aandrijfriem (benzine) *9 ❑ Controleer aandrijfriem (diesel) *9 (Eerste 90.
Onderhoud ONDERHOUD BIJ GEBRUIK ONDER ZWARE OMSTANDIGHEDEN Controleer de volgende zaken vaker wanneer de auto veelvuldig onder zware rijomstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste onderhoudsintervallen. R: Vervangen I : Controleren en indien nodig af- of bijstellen, reinigen of vervangen Onderhoudswerkzaamheden ONDERHOUDSINTERVAL 1.25L R Elke 7.500 km of 6 maanden 1.4L *1 R Elke 15.000 km of 6 maanden R Elke 15.
Onderhoud ONDERHOUDSPUNT Onderhoudswerkzaamheden Schijfremmen en remblokken, remklauwen en remschijven I Parkeerrem I Aandrijfassen en aandrijfashoezen I Interieurfilter (indien van toepassing) R ZWARE RIJOMSTANDIGHEDEN A : Veel korte ritten B : Langdurig stationair draaien C : Rijden op stoffige, onverharde wegen D : Rijden in gebieden waar veel zout of andere agressieve stoffen worden gebruikt.
Onderhoud UITLEG BIJ ONDERHOUDSSCHEMA Motorolie en oliefilter Brandstoffilter(element) De motorolie moet worden ververst en het filter moet worden vervangen volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Als er onder ongunstige omstandigheden gereden wordt, moet de olie vaker ververst en het filter vaker vervangen worden. Door een verstopt filter kan de snelheid waarmee gereden kan worden, afnemen, het emissiesysteem beschadigd raken of slecht aanslaan veroorzaakt worden.
Onderhoud Ontluchtingsslang en tankdop Koelsysteem De ontluchtingsslang en de tankdop moeten worden gecontroleerd volgens de intervallen van het onderhoudsschema. Zorg ervoor dat de ontluchtingsslang of tankdop op de juiste manier vervangen wordt. Controleer de onderdelen van het koelsysteem, zoals radiateur, koelvloeistofreservoir, slangen en aansluitingen op lekkage en beschadigingen. Vervang beschadigde onderdelen.
Onderhoud Remleidingen en -slangen Controleer visueel op juiste bevestiging, schaafplekken, scheurtjes, veroudering en lekkage. Vervang verouderde of beschadigde onderdelen direct. Remvloeistof Controleer het vloeistofniveau in het remvloeistofreservoir. Het vloeistofniveau dient zich tussen de merktekens MIN en MAX aan de zijkant van het reservoir te bevinden. Gebruik uitsluitend de voorgeschreven hydraulische remvloeistof (DOT3 of DOT4).
Onderhoud MOTOROLIE WAARSCHUWING Radiateurslang Wees voorzichtig met de radiateurslang tijdens het controleren of bijvullen van de motorolie. Deze kan namelijk nog zo warm zijn, dat u zich eraan kunt branden. OUB071002 Controle van het motoroliepeil 1. Controleer of de auto horizontaal staat. 2. Start de motor en laat deze op de normale bedrijfstemperatuur komen. 3. Zet de motor uit en wacht ongeveer 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen. 4.
Onderhoud OPMERKING • Vul niet te veel motorolie bij. Dit kan schade aan de motor veroorzaken. • Mors geen motorolie wanneer u olie bijvult of ververst. Als u motorolie morst in de motorruimte, verwijder dit dan onmiddellijk. Motorolie verversen en filter vervangen Laat de motorolie verversen en het filter vervangen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema.
Onderhoud KOELVLOEISTOF Het hogedruk-koelsysteem is voorzien van een reservoir dat gevuld is met een koelvloeistof die ook voldoende bescherming biedt tegen bevriezing. Het reservoir is in de fabriek gevuld. Controleer de vorstbescherming en het koelvloeistofpeil ten minste één keer per jaar, aan het begin van het winterseizoen en voordat u naar een kouder klimaat reist.
Onderhoud ■ Benzinemotor Vul als het peil laag is voldoende gedestilleerd of gedemineraliseerd water bij om het systeem tegen vorst en corrosie te beschermen. Vul bij tot de F (vol), maar vul niet te veel bij. Laat het koelsysteem door een officiële KIA-dealer nakijken indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen. WAARSCHUWING De elektromotor (koelventilator) wordt aangestuurd op basis van de koelvloeistoftemperatuur, de koudemiddeldruk en de rijsnelheid.
Onderhoud Aanbevolen koelvloeistof • Vul het koelsysteem alleen bij met gedestilleerd of gedemineraliseerd water en vul het koelsysteem niet bij met gewoon kraanwater. Een onjuist koelvloeistofmengsel kan storingen en schade aan de motor veroorzaken. • De motor van uw auto heeft aluminium onderdelen. Gebruik daarom een koelvloeistof op ethyleen-glycolbasis ter voorkoming van corrosie en bevriezing.
Onderhoud Koelvloeistof verversen Laat de koelvloeistof verversen door een officiële KIA-dealer overeenkomstig het in het begin van dit hoofdstuk beschreven onderhoudsschema. OPMERKING Leg een flinke doek rond de vulopening om te voorkomen dat als er gemorst wordt, koelvloeistof terechtkomt of de dynamo of andere onderdelen van de motor. WAARSCHUWING • Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
Onderhoud REMVLOEISTOF Dit is normaal en wordt veroorzaakt door het slijten van de remblokken. Laat het remsysteem controleren door een officiële KIA-dealer wanneer het niveau erg laag is. Gebruik alleen de voorgeschreven remvloeistof. (Zie "Aanbevolen smeermiddelen en hoeveelheden" in hoofdstuk 8.) OUB071007 Het remvloeistofniveau controleren Controleer regelmatig het niveau in het reservoir.
Onderhoud AUTOMATISCHE-TRANSMISSIEVLOEISTOF (INDIEN VAN TOEPASSING) OPMERKING Als u de peilstok omgekeerd plaatst, kan de peilstok vervormen (of beschadigen). OUB071008 Controleren van niveau automatischetransmissievloeistof Het peil van de automatischetransmissievloeistof moet regelmatig gecontroleerd worden. Zorg er voor dat de auto horizontaal staat en dat de parkeerrem is aangetrokken. Controleer het vloeistofpeil als volgt: 1. Zet de selectiehendel in stand N en laat de motor stationair draaien.
Onderhoud WAARSCHUWING Transmissievloeistof Het niveau van de transmissievloeistof dient te worden gecontroleerd als de motor op de normale bedrijfstemperatuur is. Dit betekent dat de motor, de radiateur, de radiateurslang, het uitlaatsysteem, enz. erg heet zijn. Let goed op dat u bij deze procedure geen brandwonden oploopt. OPMERKING • Een te laag vloeistofpeil kan ertoe leiden dat de transmissie gaat slippen.
Onderhoud BRANDSTOFFILTER (DIESEL) Aftappen van water uit het brandstoffilter De waterafscheider vangt het water uit de brandstof op. Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer het contact in stand ON staat en water zich in de waterafscheider verzameld heeft. Laat het brandstofsysteem controleren en het water aftappen door een officiële KIA-dealer als het waarschuwingslampje gaat branden.
Onderhoud RUITENSPROEIERVLOEISTOF PARKEERREM WAARSCHUWING Koelvloeistof OUB071009 Ruitensproeiervloeistofniveau controleren Het reservoir is transparant, zodat het niveau snel visueel kan worden gecontroleerd. Controleer het vloeistofpeil in het sproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in koude klimaten echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
Onderhoud LUCHTFILTER OUB071010 Filter vervangen Dit moet indien nodig worden vervangen en mag niet worden gereinigd. U kunt het filter schoonmaken wanneer u het luchtfilterelement controleert. Reinig het filter met behulp van perslucht. 7 34 OUB071011 OUB071012 1. Neem de bevestigingsclips los om het lichtfilterdeksel te verwijderen. 2. Veeg de binnenkant van het luchtfilter schoon. 3. Vervang het luchtfilter. 4. Bevestig het deksel met de bevestigingsclips.
Onderhoud Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema. Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto wordt gebruikt in gebieden met zeer veel stof of zand. (Raadpleeg "Onderhoudsschema bij gebruik onder zware omstandigheden" in dit hoofdstuk.) OPMERKING • Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
Onderhoud INTERIEURFILTER Controle filter Het interieurfilter moet worden vervangen volgens het onderhoudsschema. Als er veelvuldig met de auto gereden wordt in druk stadsverkeer of een stoffige omgeving, moet het filter vaker worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen. Als u als eigenaar het filter zelf wilt vervangen, volg dan onderstaande procedure en let erop geen andere onderdelen te beschadigen. Vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema. 7 36 OUB041142 Filter vervangen 1.
Onderhoud OHG070041 4. Verwijder het interieurfilter. 5. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen. ✽ AANWIJZING Plaats het nieuwe interieurfilter op de juiste manier. Als het filter is omgekeerd, zal het systeem veel lawaai produceren en zal het filter minder effectief zijn.
Onderhoud RUITENWISSERBLADEN 1JBA5122 Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effect van de ruitenwissers verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, sap van bomen en hot waxbehandelingen gebruikt in sommige wasstraten. Indien de bladen niet goed wissen, reinig dan zowel de ruit als de bladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel grondig na met schoon water.
Onderhoud OHM078060 OHM078059 1LDA5023 Voorruitenwisserblad Type A 1. Trek de ruitenwisserarm omhoog. Type B 1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en klap het ruitenwisserblad om zodat de kunststof vergrendeling zichtbaar wordt. OPMERKING Laat de ruitenwisserarm niet tegen de voorruit slaan. Anders kan de voorruit beschadigd raken of barsten. OPMERKING OHG070043 2. Til de wisserbladklem omhoog. Trek vervolgens het ruitenwisserblad omlaag en verwijder dit. 3.
Onderhoud 1JBA7037 OED076040 Achterruitenwisserblad 1. Trek de ruitenwisserarm omhoog en verwijder het ruitenwisserblad. 1JBA7038 2. Druk de vergrendeling in en schuif het wisserblad omlaag. 3. Verwijder het wisserblad van de ruitenwisserarm. 4. Plaats het ruitenwisserblad in de omgekeerde volgorde van het verwijderen. 7 40 OED076041 2. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad door het middelste deel in de opening van de ruitenwisserarm te steken tot het ruitenwisserblad vastklikt. 3.
Onderhoud BATTERY WAARSCHUWING - (Vervolg) Gevaren accu Spoel uw ogen gedurende ten minste 15 minuten en roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u elektrolyt in uw ogen krijgt. Was uw huid grondig wanneer deze in aanraking komt met elektrolyt. Roep onmiddellijk medische hulp in wanneer u pijn of een brandend gevoel heeft. Draag een veiligheidsbril tijdens het opladen van en het werken in de buurt van accu's. Zorg altijd voor ventilatie wanneer in een afgesloten ruimte wordt gewerkt.
Onderhoud (Vervolg) De accu bevat lood. Gooi deze na gebruik niet weg. Breng de accu naar een officiële KIA-dealer, zodat deze gerecycled kan worden. • Bij het optillen van een accu met een kunststof behuizing kan door de druk accuzuur naar buiten komen, waardoor persoonlijk letsel optreedt. Houd bij het optillen uw handen aan de zijkant van de accu. • Laad nooit een accu bij terwijl de accukabels nog aangesloten zijn. • Het ontstekingssysteem werkt met hoogspanning.
Onderhoud Te resetten onderdelen WAARSCHUWING Laden van de accu Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht: • De accu moet uit de auto worden verwijderd en in een goed geventileerde ruimte geplaatst worden. • Houd sigaretten, vonken en open vuur uit de buurt van de accu.
Onderhoud BANDEN EN WIELEN Onderhoud van de banden Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden. Aanbevolen bandenspanning koud De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient dagelijks bij koude banden gecontroleerd te worden.
Onderhoud OPMERKING • Een te lage bandenspanning resulteert ook in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen en een verhoogd brandstofverbruik. Vervorming van de band is ook mogelijk. Houd de banden op de juiste spanning. Laat een band controleren door een officiële KIA-dealer wanneer er regelmatig lucht bij moet. • Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en zorgt voor een verhoogde slijtage in het midden van het loopvlak.
Onderhoud OPMERKING Bandenspanning Let altijd op het volgende: • Controleer de bandenspanning bij koude banden. (Nadat er de laatste drie uur niet met de auto is gereden of niet meer dan 1,6 km.) • Controleer ook altijd de spanning van het reservewiel. • Overschrijd het laadvermogen van de auto niet. Plaats niet te veel bagage op het roof rack als uw auto hiermee is uitgerust. • Versleten, oude banden kunnen ongelukken veroorzaken.
Onderhoud WAARSCHUWING • Controleer de bandenspanning regelmatig. Controleer de banden daarnaast op slijtage en beschadigingen. Gebruik altijd een bandenspanningsmeter. • Banden met een te hoge of een te lage spanning hebben een negatieve invloed op het rijgedrag en kunnen ervoor zorgen dat u de macht over de auto verliest, waardoor een aanrijding met (ernstig) letsel het gevolg kan zijn.
Onderhoud Controleer bij het verwisselen van de wielen tevens de remblokken op slijtage. Met een volwaardig reservewiel (indien van toepassing) S2BLA790 ✽ AANWIJZING Verwissel radiaalbanden met een asymmetrisch profiel alleen van voren naar achteren en niet van links naar rechts.
Onderhoud WAARSCHUWING - Vervangen van banden Slijtage-indicator OEN076053 Banden vervangen Als de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt de slijtage-indicator als een onderbroken lijn door het loopvlak. Dit geeft aan dat er minder dan 1,6 mm profieldikte op de band aanwezig is. Vervang in dat geval de band. Wacht niet met het vervangen van de band totdat de slijtage-indicator over de gehele profielbreedte zichtbaar is.
Onderhoud (Vervolg) • Het is het beste om alle vier de banden gelijktijdig te vervangen. Vervang als dit niet mogelijk of nodig is alleen de twee voor- of achterbanden. De rijeigenschappen van de auto kunnen ernstig beïnvloed worden wanneer slechts één band wordt vervangen. • Het ABS vergelijkt de snelheid van de wielen. De bandenmaat heeft invloed op de snelheid van de wielen. Zorg er bij het vervangen van de banden voor dat ze dezelfde maat hebben als de originele banden.
Onderhoud Grip De grip van de banden kan verslechteren als de banden versleten zijn of niet op de juiste spanning zijn, of als u op een glad wegdek rijdt. Banden moeten worden vervangen als de slijtageindicatoren zichtbaar zijn. Pas uw snelheid aan als er regen, sneeuw of ijzel op de weg ligt om de kans te verkleinen dat u de controle over de auto verliest. Onderhoud van banden Naast een juiste bandenspanning, draagt een juiste wieluitlijning bij tot het beperken van de bandenslijtage.
Onderhoud 2. Aanduiding bandenmaat Aanduiding velgmaat Snelheidsclassificatie banden De bandenmaat staat aangegeven op de wang van de banden. Deze informatie zal nodig zijn bij de aanschaf van nieuwe banden voor uw auto. De letters en cijfers in de aanduiding van de bandenmaat hebben de volgende betekenis. Voorbeeld aanduiding bandenmaat: (Deze maat dient slechts ter illustratie; de bandenmaat van uw auto is afhankelijk van de uitvoering.
Onderhoud 3. Controleren van de leeftijd van de banden (TIN: identificatienummer) Banden die ouder zijn dan 6 jaar (af te leiden uit de productiedatum), inclusief de reserveband, moeten worden vervangen, ongeacht het aantal kilometers dat er mee gereden is. U kunt de productiedatum vinden op de zijkant van de band (aan de binnen- of buitenzijde). De productiedatum heeft de vorm van een DOT-nummer (Department Of Transportation), bestaande uit letters en cijfers.
Onderhoud 6. Maximum belasting Slijtage van het profiel Grip - AA, A, B en C Dit getal geeft het maximale gewicht in kilo's en ponden aan die de band kan dragen. Gebruik altijd banden met dezelfde maximale belasting als de banden die vanuit de fabriek zijn geplaatst. De slijtageclassificatie van het loopvlak is een relatieve classificatie gebaseerd op de mate van slijtage onder gecontroleerde omstandigheden op een officieel erkende testbaan.
Onderhoud Temperatuur - A, B en C Er zijn drie temperatuurclassificaties mogelijk: A (de hoogste), B en C. Deze classificaties geven aan in hoeverre de band hittebestendig is en in welke mate de band warmte afvoert, zoals getest onder gecontroleerde omstandigheden op een testwiel in een officieel erkend laboratorium. Door aanhoudende hoge temperaturen gaat het materiaal van de banden achteruit, waardoor de banden minder lang meegaan.
Onderhoud ZEKERINGEN Plat type D o o rg e b r a n d Cartridge type D o o rg e b r a n d Draadzekering D o o rg e b r a n d OTA070039 Het elektrisch systeem van een auto is tegen overbelasting beveiligd door middel van zekeringen. 7 56 Deze auto heeft 2 zekeringkasten, één in het zijpaneel aan bestuurderszijde en de andere in de motorruimte vlak bij de accu. Controleer de zekering van het desbetreffende circuit wanneer een bepaalde verlichting, accessoire of bedieningsorgaan niet werkt.
Onderhoud Controleer de zekeringkast in de motorruimte wanneer de koplampen of andere elektrische componenten niet werken. Vervang een doorgebrande zekering. OUB071019 Vervangen zekering zijpaneel 1. Zet het contact in stand LOCK en alle andere schakelaars uit. 2. Open het deksel van de zekeringkast. OUB071020 3. Trek de verdachte zekering recht naar buiten. Gebruik het demontagegereedschap dat zich in de zekeringkast in de motorruimte bevindt. 4.
Onderhoud ✽ AANWIJZING OUB071021 Backup-zekering Uw auto is uitgerust met een backupzekering, waarmee u kunt voorkomen dat de accu leeg raakt, wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt. Bereid de auto op de volgende manier voor wanneer deze voor langere tijd niet gebruikt wordt. 1. Zet de motor uit. 2. Schakel de verlichting uit. 3. Open het zijpaneel aan bestuurderszijde en trek de backupzekering omhoog.
Onderhoud 3. Controleer de verwijderde zekering. Vervang deze indien deze is doorgebrand. Gebruik de zekeringtrekker in de zekeringkast in de motorruimte om de zekering te verwijderen of te plaatsen. 4. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterkte en controleer of de zekering goed vastzit. Neem contact op met een officiële KIAdealer als de zekering niet goed vastzit. OUB071023 OPMERKING Plaats het deksel op de juiste manier nadat de zekeringkast in de motorruimte is gecontroleerd.
Onderhoud Zekering-/relaiskast Aan de binnenzijde van de deksels vindt u een label met daarop de naam van de zekeringen en relais en de capaciteit. Zekeringkast zijpaneel bestuurder Zekeringkast motorruimte ✽ AANWIJZING Mogelijk zijn niet alle beschrijvingen van de zekeringkast van toepassing op uw auto. Deze golden ten tijde van het ter perse gaan. Raadpleeg het label in de zekeringkast als u de zekeringkast controleert.
Onderhoud Dashboard (zekeringkast bestuurderszijde) Naam zekering Symbool Stroomsterkte zekering Beveiligd onderdeel 10A Bandenspanningscontrolemodule, instrumentenpaneel, digitale klok, module klimaatregeling, bagageruimteverlichting, BCM, schakelaar open portier 20A Met ISG: DC-DC-laagspanningsconverter Zonder ISG: audiosysteem, hoofdunit audio-, video- en navigatiesysteem P/WDW LH 25A Hoofdschakelaar ruitbediening, schakelaar ruitbediening links achter, module elektrisch bedienbare ruit met kl
Onderhoud Naam zekering Symbol Stroomsterkte zekering Beveiligd onderdeel START 10A Met inbraakalarm: relais inbraakalarm Zonder inbraakalarm: transmissiestandschakelaar (AT), Smart Key-module (MT), ECM (MT), contactslot (MT), Zekering- en relaiskast PCB (startrelais) (MT) HAZARD 15A Relais alarmknipperlichten, schakelaar alarmknipperlichten, BCM PDM_1 25A Smart Key-module SUN ROOF 15A Motor schuif-/kanteldak TCU 15A Smart Key-module, module startblokkering, DSL: Zekering- en relaiskast P
Onderhoud Naam zekering Symbol Stroomsterkte zekering Beveiligd onderdeel MODULE 1 10A Schakelaar selectiehendel AT, schakelaar open portier STOP LP 15A Diagnosestekker, Smart Key-module, remlichtschakelaar, remlichtrelais, zekering- en relaiskast PCB (relais HAC) CLUSTER 10A Audiosysteem, BCM, verlichting selectiehendel AT, stuurkussenschakelaar, instrumentenpaneel, bandenspanningscontrolemodule IGN1_1 10A Sensor parkeerhulp achter (opzij/midden) links/rechts, multifunctionele servicestekke
Onderhoud Naam zekering Symbol Stroomsterkte zekering Beveiligd onderdeel MODULE 2 10A BCM MDPS 2 10A EPS-module R/WPR 15A Multifunctionele schakelaar, relais ruitenwisser achter, motor ruitenwisser achter HTD STRG 15A Stuurwielverwarming 7 64
Onderhoud Hoofdzekeringkast motorruimte Symbol MULTIZEKERING ZEKERING Stroomsterkte zekering 80A 125A (G) 150A (D) Beveiligd onderdeel EPS-module Dynamo 50A Verbindingsblok dashboard (zekering voedingsstekker: F1 10A / F2 20A, zekering: F24 10A/F25 15A/F26 10A/F27 15A, achterlichtrelais) 40A Inverter 50A Verbindingsblok dashboard (zekering: F8 20A/F9 25A/F10 15A/F11 10A/F16 15A/F17 25A/F18 15A, relais elektrisch bedienbare ruiten) 40A Met Smart Key - relaiskast PDM (relais ESCL (ACC), relais ES
Onderhoud Hoofdzekeringkast motorruimte (1.
Onderhoud Hoofdzekeringkast motorruimte (1.
Onderhoud Symbol Stroomsterkte zekering 10A Koplamp links 10A Nokkenassensor, magneetklep dampafvoer, lambdasensor (voor/na), zekering- en relaiskast PCB (relais koelventilator (Low), relais koelventilator (Hi)) 10A Oliedrukregelklep 10A Koplamprelais rechts ZEKERING 7 68 Beveiligd onderdeel
Onderhoud Hoofdzekeringkast motorruimte (dieselmotor) Symbol ZEKERING Stroomsterkte zekering Beveiligd onderdeel 40A Zekering- en relaiskast PCB (startrelais), zonder Smart Key - contactslot, met Smart Key relaiskast PDM (relais ESCL (IG2)) 30A Zekering- en relaiskast PCB (relais motorregeling) 40A Zekering- en relaiskast PCB (aanjagerrelais) 30A Zekering- en relaiskast PCB (relais brandstofverwarming) 50A zekering- en relaiskast PCB (relais koelventilator (Low), relais koelventilator (Hi)) 2
Onderhoud GLOEILAMPEN OPMERKING WAARSCHUWING Vervangen van gloeilampen Zet, voordat u lampen gaat vervangen, de parkeerrem stevig vast en controleer of het contact in stand LOCK staat om te voorkomen dat de auto plotseling in beweging komt, dat u zich brandt of dat u een schok krijgt. Gebruik alleen lampen voorgeschreven wattage. met de OPMERKING Zorg ervoor dat de doorgebrande lamp vervangen wordt door een met dezelfde wattage.
Onderhoud ■ Type A (1) Koplamp (dimlicht) (2) Intelligente bochtverlichting* (3) Koplamp (grootlicht) (4) Richtingaanwijzer vóór (5) Parkeerlicht (6) Dagrijverlichting (DRL)* (7) Mistlamp vóór * indien van toepassing Koplamp (dimlicht/grootlicht), intelligente bochtverlichting en richtingaanwijzer 1. Zet de motor af en open de motorkap. 2. Verwijder de voorbumper. 3. Verwijder de koplampunit uit de carrosserie.
Onderhoud ✽ AANWIJZING Neem als koplampverstelling noodzakelijk is na het opnieuw installeren van de koplampunit contact op met een officiële KIA-dealer. OUB071030 OUB071029 Koplamp (grootlicht) en intelligente bochtverlichting 5. Verwijder de afdekkap van de koplamp door de kap linksom te draaien. 6. Verwijder de fitting uit de unit door de veerhouder (1) in te drukken en omhoog te tillen (2). 7. Trek de lamp uit de fitting. 8. Steek een nieuwe lamp in de fitting. 9.
Onderhoud OHD076046 WAARSCHUWING Halogeenlampen • Halogeenlampen bevatten gas onder druk, zodat de halogeenlamp bij het vallen kan ontploffen waardoor kleine glasdeeltjes vrijkomen. (Vervolg) (Vervolg) • Behandel halogeenlampen altijd voorzichtig om krassen te voorkomen. Voorkom contact met vloeistoffen wanneer de lampen branden. Raak het glas nooit met de vingers aan. Door achtergebleven vet kan de lamp te heet worden en knappen wanneer deze brandt.
Onderhoud 8. Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Druk de fitting in de lichtunit en draai de fitting rechtsom. OUB071055 OUB071031 Richtingaanwijzer, Parkeelicht en dagrijverlichting (DRL) (gloeilamp type, indien van toepassing) Volg de stappen 1 - 4 op de vorige bladzijde. 5. Verwijder de fitting uit de lichtunit door de fitting linksom te draaien tot de nokjes ervan in lijn liggen met de uitsparingen van de lichtunit. 6.
Onderhoud 4. Verwijder de fitting uit het huis door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen van het huis. 5. Plaats een nieuwe fitting in het huis door de nokjes van de fitting in lijn te leggen met de uitsparingen van het huis. Duw de fitting in het huis en draai de fitting een kwartslag rechtsom. 6. Sluit de voedingsschakelaar aan op de fitting.
Onderhoud 4. Controleer of de accu voldoende geladen is, schakel de koplampen in en stel de koplampen zo af dat het helderste gedeelte van de lichtbundel op de horizontale en verticale lijnen valt. 5. Verdraai de schroevendraaier (1) rechtsom of linksom om de dimlichtbundel naar links of rechts te verstellen. Verdraai de schroevendraaier (2) rechtsom of linksom om de dimlichtbundel omhoog of omlaag te verstellen.
Onderhoud Richtpunt < Hoogte vanaf de grond > < Afstand tussen lampen > Scherm H1: Hoogte tussen hart gloeilamp en grond (dimlicht) H2: Hoogte tussen hart gloeilamp en grond (grootlicht) H3: Hoogte tussen hart gloeilamp en grond (mistlamp) W1: Afstand tussen het hart van beide gloeilampen (dimlicht) W2: Afstand tussen het hart van beide gloeilampen (grootlicht) W3: Afstand tussen het hart van beide gloeilampen (mistlampen) Eenheid : mm (in) Conditie auto H1 H2 H3 W1 W2 W3 Zonder bestuurder Met be
Onderhoud Hartlijn auto Verticale lijn door hart gloeilamp rechter koplamp Verticale lijn door hart gloeilamp linker koplamp Horizontale lijn door hart gloeilamp koplamp W1 (dimlicht) H1 (dimlicht) Begrenzingslijn Grond OMD051054L Dimlicht (bestuurderszijde) 1. Stel het dimlicht af zonder dat er iemand in de auto zit. 2. De begrenzingslijn moet samenvallen met de begrenzingslijn in de afbeelding. 3.
Onderhoud Hartlijn auto Verticale lijn door hart gloeilamp rechter koplamp Verticale lijn door hart gloeilamp linker koplamp Horizontale lijn door hart gloeilamp koplamp W1 (dimlicht) H1 (dimlicht) Begrenzingslijn Grond OMD051055L Dimlicht (voorpassagierszijde) 1. Stel het dimlicht af zonder dat er iemand in de auto zit. 2. De begrenzingslijn moet samenvallen met de begrenzingslijn in de afbeelding. 3.
Onderhoud Hartlijn auto Verticale lijn door hart gloeilamp linker mistlamp Verticale lijn door hart gloeilamp rechter mistlamp Horizontale lijn door hart gloeilamp mistlamp 180 Bovenste limiet W3 (Mistlamp vóór) H3 (Mistlamp vóór) Begrenzingslijn Grond Mistlamp vóór 1. Stel de mistlampen af zonder dat er iemand in de auto zit. 2. De begrenzingslijn moet in het toegestane gebied vallen (gearceerde gedeelte).
Onderhoud OUB071034 Lamp richtingaanwijzer opzij vervangen Type A Laat als de lamp niet werkt de auto controleren door een officiële KIA-dealer. OUB071036 OUB071057 Type B 1. Verwijder de lichtunit van de auto door de lens los te wrikken en de lichtunit uit het scherm te trekken. 2. Neem de stekker los van de lamp. 3. Neem de lens los van de fitting door de fitting linksom te draaien tot de nokjes in lijn staan met de uitsparingen. 4. Trek de lamp naar buiten. 5. Steek een nieuwe lamp in de fitting. 6.
Onderhoud Rem-/achterlicht (LED-type) (indien van toepassing) Laat als de lamp niet werkt de auto controleren door een officiële KIA-dealer. 7 82 OUB071037 OUB071038 Lampen buitenzijde Richtingaanwijzer achter en rem-/achterlicht 1. Zet de motor uit. 2. Open de achterklep. 3. Draai de bevestigingsschroeven van de lichtunit los met een kruiskopschroevendraaier. 4. Verwijder de achterlichtunit uit de carrosserie. 5.
Onderhoud 7. Plaats de fitting in de lichtunit door de nokjes op de fitting in lijn te brengen met de uitsparingen in de lichtunit. Duw de fitting in de lichtunit en draai de fitting een kwartslag rechtsom. 8. Plaats het deksel in het gat. OUB071039 Lampen binnenzijde 1. Zet de motor uit 2. Open de achterklep. 3. Verwijder het deksel. OUB071058 Achteruitrijlicht/Achterlicht 4.
Onderhoud 4. Verwijder de fitting uit het huis door deze linksom te draaien tot de nokjes van de fitting in lijn liggen met de uitsparingen in het huis. OUB071041 OUB071054 OUB071053 Mistachterlicht (indien van toepassing) 1. Verwijder het kapje aan de onderkant door de schroeven te draaien. 2. Steek uw hand in de achterzijde van de achterbumper. 3. Neem de voedingsstekker los. 7 84 5.
Onderhoud OUB071042 Gloeilamp derde remlicht vervangen (indien van toepassing) Laat als de lamp (LED) niet werkt de auto controleren door een officiële KIAdealer. OUB071043 Lamp kentekenplaatverlichting vervangen 1. Verwijder het lampglas door de nokjes in te drukken. 2. Verwijder de fitting. 3. Trek de lamp recht naar buiten. 4. Plaats een nieuwe lamp in de fitting en plaats de fitting op het lampglas. 5. Plaats het lampglas zorgvuldig.
Onderhoud ■ Kaartleeslampje Lamp interieurverlichting vervangen ■ Lamp dashboardkastje 1. Wrik de lens met een platte schroevendraaier voorzichtig los uit het huis van de interieurverlichting. 2. Trek de lamp naar buiten. WAARSCHUWING ■ Interieurverlichting ■ Bagageruimteverlichting Controleer, voordat u de lamp gaat vervangen, of toets OFF is ingedrukt om te voorkomen dat u zich brandt of een schok krijgt. 3. Steek een nieuwe lamp in de fitting. 4.
Onderhoud ONDERHOUD EXTERIEUR Exterieur, onderhoud Onderhoud exterieur - Algemeen Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen op het etiket van het desbetreffende product op te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket. Onderhoud van de lak Wassen Was uw auto minimaal eenmaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen.
Onderhoud OJB037800 OPMERKING • Water in de motorruimte, inclusief water onder hoge druk, kan storingen veroorzaken in de elektrische circuits. • Zorg ervoor dat water en andere vloeistoffen nooit in contact komen met elektrische/elektronische componenten in de auto omdat ze dan beschadigd kunnen raken. 7 88 In de was zetten Zet de auto in de was wanneer het water niet langer druppels op de lak vormt. Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet.
Onderhoud Bijwerken van lakbeschadigingen Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen in de lak direct. Het blanke metaal gaat snel roesten waardoor ingrijpendere reparatiekosten noodzakelijk worden. ✽ AANWIJZING Wanneer uw auto beschadigd is en reparatie of vervanging van metalen delen nodig is, let er dan op dat de garage anti-corrosiemiddel aanbrengt op de gerepareerde of vervangen onderdelen.
Onderhoud WAARSCHUWING Test na het wassen de remmen van uw auto bij lage snelheid om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water beïnvloed is. Droog de remmen door het rempedaal bij lage snelheid licht in te trappen wanneer de remprestaties verminderd zijn. 7 90 Onderhoud van lichtmetalen velgen De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
Onderhoud Roestgevoelige gebieden Als u in een gebied woont waar uw auto regelmatig wordt blootgesteld aan factoren die roestvorming bevorderen, is bescherming tegen roest uitermate belangrijk. Een aantal veel voorkomende oorzaken van versnelde corrosie zijn strooizout, stofwerende chemicaliën, zeelucht en luchtverontreiniging. Vocht werkt roest in de hand Vocht creëert omstandigheden waaronder roestvorming gemakkelijk optreedt.
Onderhoud • Besteed bij het reinigen van de onderkant extra aandacht aan de delen onder de spatschermen en andere delen die zich uit het zicht bevinden. Reinig de onderkant grondig. Alleen bevochtigen van de modder in plaats van deze te verwijderen zal de vorming van roest juist versnellen in plaats van voorkomen. Hoge waterdruk en stoom zijn zeer effectief voor het verwijderen van opgehoopte modder en andere agressieve stoffen.
Onderhoud Interieur, onderhoud Onderhoud interieur - Algemeen Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd. Raadpleeg de instructies voor het reinigen van kunststof.
Onderhoud EMISSIEREGELSYSTEEM (INDIEN VAN TOEPASSING) Op het emissieregelsysteem van uw auto is een aangepaste garantieregeling van toepassing. Raadpleeg de garantieinformatie in het boekje Garantie & Onderhoud voor meer informatie. Uw auto is uitgerust met een emissieregelsysteem om aan alle emissienorm te voldoen.
Onderhoud Reservoir De brandstofdampen die vrijkomen in de brandstoftank worden geabsorbeerd en opgeslagen in een reservoir. Als de motor draait worden de opgeslagen brandstofdampen via de magneetklep dampafvoer naar het inlaatsysteem gevoerd.
Onderhoud • Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden. • Stel het ventilatiesysteem zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien. • Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.
Onderhoud Wanneer bovenstaande voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, kan schade aan de katalysator en aan uw auto ontstaan. Bovendien kan hierdoor de garantie vervallen. Roetfilter (indien van toepassing) Het roetfilter (DPF) verwijdert het roet dat door de auto wordt uitgestoten. In tegenstelling tot een gewoon luchtfilter verbrandt en verwijdert het DPF-systeem automatisch het verzamelde roet overeenkomstig de rijomstandigheden.